Schorsing van woningsluiting op grond van artikel 13b Opiumwet wegens onvoldoende gemotiveerde evenwichtigheid

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2 juni 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:5235

De voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant schorst de sluiting van een woning in Breda waarin een professionele hennepkwekerij is aangetroffen. De burgemeester sluit de woning voor drie maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet na de vondst van 224 hennepplanten, bijna zes kilo gedroogde henneptoppen en illegaal getapte stroom. De bewoners maken bezwaar en vragen een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter acht de sluiting noodzakelijk, maar oordeelt dat de evenwichtigheid onvoldoende is gemotiveerd. De burgemeester heeft te weinig rekening gehouden met de psychische klachten van een van de bewoners en het risico dat het gezin dakloos raakt. De verzoeken worden toegewezen en de besluiten worden geschorst.

Inleiding en context

Op 17 maart 2026 voert de politie een controle uit in een woning in Breda na een melding over een mogelijke hennepkwekerij. In de woning treft de politie onder meer 224 hennepplanten, 5980 gram gedroogde henneptoppen en omvangrijke kweekapparatuur aan, verdeeld over meerdere ruimten. Uit later onderzoek komt vast te staan dat er ten minste vier eerdere oogsten zijn geweest. Een medebewoner verklaart dat hij al vijf maanden met de kwekerij bezig is.

De drie verzoekers wonen in het pand en staan op het adres ingeschreven in de Basisregistratie Personen. De burgemeester van Breda bericht hen afzonderlijk dat hij voornemens is de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet voor drie maanden te sluiten. Verzoekers dienen ieder een zienswijze in. Op 29 april 2026 besluit de burgemeester tot sluiting voor drie maanden. Verzoekers maken op 1 mei 2026 bezwaar en vragen tegelijk een voorlopige voorziening. De burgemeester schort het besluit op tot de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan. De zitting vindt plaats op 21 mei 2026.

Wettelijk kader

De sluiting berust op artikel 13b van de Opiumwet in samenhang met artikel 3 van de Opiumwet en de beleidsregel bestuurlijke handhaving artikel 13b Opiumwet. De voorzieningenrechter hanteert bij de beoordeling het toetsingskader uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922. Tussen partijen is niet in geschil dat de burgemeester bevoegd is tot sluiting en dat de sluiting een geschikt middel is. De voorzieningenrechter beoordeelt of de sluiting voor drie maanden ook noodzakelijk en evenwichtig is.

Standpunt van de burgemeester

De burgemeester acht de sluiting noodzakelijk om herhaling van de drugsgerelateerde activiteiten te voorkomen en de woning uit het criminele circuit te halen. Hij wijst op de melding bij de politie, de eerdere oogsten, de verklaring van een medebewoner, de wijze van verpakking van de bijna zes kilo gedroogde henneptoppen en de omvang en professionaliteit van de kwekerij. Daarnaast wijst hij op de illegaal getapte stroom, die tot gevaarlijke situaties als kortsluiting en brand kan leiden, en op de ligging van de woning in een kwetsbare wijk.

Standpunt van verzoekers

Verzoekers voeren aan dat de burgemeester had moeten kiezen voor een last onder dwangsom of een waarschuwing. Zij verwijzen naar een rapport van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum van 14 april 2026, waarin is geconcludeerd dat lichtere maatregelen hetzelfde effect hebben als een woningsluiting, terwijl de gevolgen fors beperkter zijn.

Verder stellen verzoekers dat het besluit onevenwichtig is. Zij beschikken naar eigen zeggen over onvoldoende middelen om op korte termijn passende woonruimte te vinden, en verzoekers 2 en 3 hebben in het geheel geen inkomen. Een verblijf bij Centraal Onthaal is volgens hen geen optie, omdat een medewerker telefonisch heeft meegedeeld dat zij geen aanspraak maken op een plek doordat zij korter dan vijf jaar in Nederland verblijven en de huisuitzetting hun eigen schuld is. Verzoekster 1 voert daarnaast aan dat zij vanwege haar medische problematiek niet bij Centraal Onthaal terechtkan en dat in het besluit onvoldoende rekening is gehouden met haar psychische en fysieke klachten.

Oordeel voorzieningenrechter

De voorzieningenrechter neemt een spoedeisend belang aan, omdat verzoekers de woning op korte termijn zouden moeten verlaten. De burgemeester betwist dit belang niet.

Over de noodzakelijkheid volgt de voorzieningenrechter het standpunt van de burgemeester dat de woning een rol vervulde in het drugscircuit. Het gaat om een bedrijfsmatige en professioneel opgezette hennepkwekerij, gelet op de 224 hennepplanten, de 5980 gram gedroogde henneptoppen, de aangetroffen attributen en de diefstal van stroom. Dat er eerdere oogsten zijn geweest, staat niet ter discussie, ook al twisten partijen over het aantal. De burgemeester heeft de sluiting in deze kwetsbare wijk noodzakelijk mogen vinden om die rol teniet te doen en herhaling te voorkomen, en heeft zich op het standpunt mogen stellen dat een last onder dwangsom of een waarschuwing daarvoor niet toereikend is.

Over de evenwichtigheid oordeelt de voorzieningenrechter anders. Inherent aan een sluiting is dat de bewoners de woning moeten verlaten, wat op zichzelf geen bijzondere omstandigheid is. Dat ligt anders wanneer de bewoners niet in staat zijn vervangende woonruimte te regelen. Bewoners zijn in beginsel zelf verantwoordelijk voor het vinden van alternatieve huisvesting, maar de burgemeester moet erop toezien dat zij niet dakloos raken en moet ondersteuning bieden bij het vinden van onderdak.

De voorzieningenrechter stelt vast dat op voorhand niet vaststaat dat verzoekers, gelet op de WIA-uitkering van verzoekster 1 en het inkomen van haar echtgenoot, gezamenlijk onvoldoende inkomen hebben. Onduidelijk blijft of dit inkomen voldoende is en of het in de huidige woningmarkt mogelijk is om op korte termijn een woning voor vier personen te huren op acceptabele reisafstand van het werk van de echtgenoot. De burgemeester heeft op zitting niet kunnen uitsluiten dat verzoekers op straat komen te staan. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat de burgemeester niet bestrijdt dat verzoekster 1 zowel met depressieve als met fysieke klachten kampt. Hoewel niet is gebleken dat zij vanwege haar fysieke klachten aan de woning gebonden is, heeft de burgemeester onvoldoende rekening gehouden met haar psychische problemen en de gevolgen van de stress door de gedwongen verhuizing ten onrechte onbesproken gelaten. Het besluit is daarom onvoldoende gemotiveerd ten aanzien van de evenwichtigheid.

Conclusie en gevolgen

De voorzieningenrechter oordeelt dat de sluiting onvoldoende is gemotiveerd ten aanzien van de evenwichtigheid en daarmee van de evenredigheid. De burgemeester kan dit bij de heroverweging in bezwaar alsnog beter motiveren of van de sluiting afzien. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken toe en schorst de bestreden besluiten tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

De burgemeester moet het griffierecht van € 200 aan verzoekster 1 vergoeden. Verzoekers 2 en 3 hebben geen recht op vergoeding, omdat voor hun verzoeken geen griffierecht is geheven. De drie zaken worden als samenhangend aangemerkt en als één zaak beschouwd. De burgemeester wordt veroordeeld tot betaling van € 1.868 aan proceskosten, waarbij betaling aan een van de verzoekers de burgemeester van zijn verplichting bevrijdt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^