Onderzoek Partita: oliemengsels uit Le Havre kwalificeren als afvalstoffen, kennisgevingsprocedure EVOA ten onrechte achterwege gelaten
/Rechtbank Rotterdam 23 april 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:5457 en ECLI:NL:RBROT:2026:5454
De rechtbank veroordeelt op 23 april 2026 een Franse en een Nederlandse rechtspersoon voor het in vereniging meermalen overbrengen van afvalstoffen van Frankrijk naar Nederland zonder de vereiste kennisgeving op grond van de EVOA. Centraal staat de vraag of een mengsel van geraffineerde petroleumproducten kwalificeert als afvalstof of als product. De rechtbank oordeelt dat het mengsel een afvalstof is omdat de Franse opslagonderneming feitelijk geen bestemming had voor het mengsel en zich contractueel had verplicht zich daarvan te ontdoen. Het verweer dat de significante economische waarde en het voorgenomen hergebruik afbreuk doen aan de afvalstatus wordt verworpen, mede onder verwijzing naar het Shell-arrest en het Tronex-arrest. De Franse rechtspersoon krijgt een geldboete van € 200.000 opgelegd waarvan € 50.000 voorwaardelijk, mede gelet op de forse schending van de redelijke termijn. De Nederlandse rechtspersoon wordt slechts voor twee van de twaalf transporten verantwoordelijk gehouden en krijgt een geldboete van € 50.000.
Inleiding en context
De meervoudige economische kamer van de rechtbank Rotterdam wijst op 23 april 2026 twee samenhangende vonnissen in het onderzoek Partita. De verdachten zijn rechtspersonen: een Franse opslagonderneming voor geraffineerde petroleumproducten gevestigd in Le Havre, onderdeel van een grote handelsgroep in ruwe olie en geraffineerde producten met een opslagplaats van 150 hectare, en een Nederlandse rechtspersoon die als rechtsopvolger optreedt van Argos Trading B.V., onderdeel van een grote Europese producent van hernieuwbare brandstoffen. Beide vonnissen vinden hun oorsprong in twaalf scheepstransporten van een mengsel van petroleumproducten vanuit Le Havre naar Odfjell Terminals B.V. in Rotterdam in de periode februari 2014 tot en met november 2015. De zaken worden behandeld in eerste aanleg op de zittingen van 16 maart 2026, 17 maart 2026 en 16 april 2026.
Tenlastelegging en wettelijk kader
De verdachten wordt verweten dat zij, tezamen en in vereniging met anderen, in 2014 en 2015 meermalen opzettelijk afvalstoffen hebben overgebracht van Frankrijk naar Nederland zonder kennisgeving aan en toestemming van de bevoegde autoriteiten, in strijd met artikel 2 onder 35 sub a en b van de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen, EG-Verordening 1013/2006 (EVOA). De grondslag voor de strafbaarstelling vormt artikel 10.60 lid 2 van de Wet milieubeheer, dat ingevolge artikel 1a juncto artikel 2 van de Wet op de economische delicten een misdrijf oplevert bij opzettelijke overtreding en anders een overtreding. De kernvraag is of het overgebrachte oliemengsel kwalificeert als afvalstof in de zin van Bijlage IV van de EVOA, te weten A3020 afgewerkte minerale oliën die ongeschikt zijn voor het oorspronkelijk bedoelde gebruik. Indien dat het geval is, is de kennisgevingsprocedure van artikel 4 EVOA van toepassing.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie vordert in de zaak tegen de Franse rechtspersoon een onvoorwaardelijke geldboete van € 500.000 en in de zaak tegen de Nederlandse rechtspersoon een geldboete van € 250.000. Het Openbaar Ministerie stelt dat het mengsel kwalificeert als afvalstof, dat de kennisgevingsprocedure niet is nageleefd en dat door het ontbreken van toezicht risico's voor veiligheid, gezondheid en milieu zijn ontstaan.
Standpunt van de verdediging
De verdediging van de Franse rechtspersoon voert formeel verweer met de stelling dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens schending van het vertrouwensbeginsel: uit het rechtshulpverzoek aan de Franse autoriteiten zou volgen dat zij niet als verdachte werd aangemerkt en haar werknemers zijn als getuige gehoord. Inhoudelijk bepleit de verdediging vrijspraak. Aangevoerd wordt dat het mengsel geen afvalstof is gelet op de significante economische waarde, het voorgenomen hergebruik na destillatie en het feit dat het mengsel onder REACH valt, hetgeen volgens de verdediging is bevestigd door de Inspectie Leefomgeving en Transport. Voorts wordt betwist dat sprake is van opzet.
De verdediging van de Nederlandse rechtspersoon voert eveneens een niet-ontvankelijkheidsverweer aan, gestoeld op de uitzonderlijk lange duur van de vervolging, jarenlange inactiviteit van het Openbaar Ministerie, het niet voegen van ontlastende informatie, het weghouden van de verdediging bij onderzoek en het ontbreken van een redelijk vervolgingsbelang. Inhoudelijk wordt vrijspraak bepleit met het argument dat het mengsel ook zonder destillatie als scheepsbrandstof had kunnen worden gebruikt, onderbouwd met twee deskundigenrapporten.
Oordeel gerecht
De rechtbank verwerpt beide niet-ontvankelijkheidsverweren. Geen rechtstreekse toezegging is gedaan aan de Franse rechtspersoon dat zij niet in Nederland zou worden vervolgd; het feit dat de Franse autoriteiten in eerste instantie zouden vervolgen, schept geen gerechtvaardigd vertrouwen op niet-vervolging door het Nederlandse Openbaar Ministerie. Het door de Nederlandse rechtspersoon gevoerde betoog kan, zowel afzonderlijk als in samenhang bezien, niet leiden tot niet-ontvankelijkheid; daarvoor is slechts plaats bij zeer uitzonderlijke, ernstige inbreuken op de verdedigingsrechten. Wel verklaart de rechtbank het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de impliciet subsidiair ten laste gelegde overtreding, nu die ingevolge artikel 70 lid 1 sub 1 Sr na drie jaar is verjaard.
Bij de inhoudelijke beoordeling staat de afvalstoffenkwalificatie centraal. De rechtbank stelt onder verwijzing naar vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie vast dat afvalstoffen alle stoffen, mengsels of voorwerpen zijn waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. De feitelijke chemische samenstelling is van ondergeschikt belang; doorslaggevend is de intentie van de houder. De rechtbank acht meerdere omstandigheden van belang. De opslagonderneming heeft feitelijk geen bestemming voor het mengsel, beschikt niet over destillatiefaciliteiten en kan de toenemende hoeveelheid niet voor onbepaalde tijd opslaan. Het contract van 6 oktober 2008 spreekt expliciet over slops die zonder milieuvervuiling verwijderd dienen te worden en waarvan Frisol B.V., de rechtsvoorganger van Argos Bunkering, zich verplicht zich te ontdoen. De rechtbank kwalificeert de verklaring van vertegenwoordigers van de opslagonderneming dat het contract feitelijk niet meer van toepassing was als ongeloofwaardig.
Het verweer betreffende de economische waarde wordt onder verwijzing naar het Shell-arrest (HvJ EU 12 december 2013, C-241/12 en C-242/12) en het arrest van de Hoge Raad van 4 december 2013 (ECLI:NL:HR:2013:1564) verworpen. Een commerciële waarde sluit de kwalificatie als afvalstof niet uit. Ten aanzien van het hergebruik oordeelt de rechtbank dat destillatie een handeling van nuttige toepassing is in de zin van Bijlage II van de Kaderrichtlijn afvalstoffen, te kwalificeren als R9 Herraffinage van olie en ander hergebruik van olie. Onder verwijzing naar het Tronex-arrest (HvJ EU 4 juli 2019, C-624/17) stelt de rechtbank vast dat hergebruik bovendien overeenkomstig het oorspronkelijke doel moet zijn en dat de houder dit zeker moet aantonen, hetgeen hier niet het geval is. Het beroep op REACH faalt omdat die verordening op compositie van de stof is gebaseerd, terwijl de EVOA aanknoopt bij de intentie van de houder; beide regimes sluiten elkaar niet uit. Van een bijproduct in de zin van artikel 1.1 lid 4 Wm is evenmin sprake.
Met betrekking tot het opzet overweegt de rechtbank dat geen opzet op de niet-naleving van de kennisgevingsverplichting is vereist; voldoende is dat het opzet is gericht op het overbrengen van afvalstoffen. Gelet op de bewoordingen van het contract en de feitelijke gang van zaken acht de rechtbank dit opzet aanwezig. Argos Trading en Argos Bunkering hebben minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het om afvalstoffen ging. Onder verwijzing naar HR 22 januari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8914 zijn ook zij, hoewel zij geen kennisgever zijn in de zin van artikel 2 onder 15 EVOA, normadressaat. De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het medeplegen.
In de zaak tegen de Nederlandse rechtspersoon volgt een belangrijke afbakening. De gedagvaarde vennootschap is enkel rechtsopvolger van Argos Trading B.V., dat per 31 december 2015 met haar is gefuseerd, en niet van Argos Bunkering B.V., dat zelfstandig is voortgegaan en uiteindelijk in een andere rechtspersoon is opgegaan. De rechtbank acht slechts voor de laatste twee van de twaalf transporten, mts. Troy omstreeks 29 juni 2015 en mts. LS Jamie omstreeks 12 november 2015, voldoende wettig en overtuigend bewijs van feitelijke betrokkenheid van Argos Trading aanwezig. Voor de overige tien transporten volgt partiële vrijspraak.
Bewezenverklaring
Ten aanzien van de Franse rechtspersoon verklaart de rechtbank bewezen dat zij in de periode 2014 tot en met 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen opzettelijk handelingen heeft verricht als bedoeld in artikel 2 onder 35 sub a en b EVOA, door telkens afvalstoffen ontstaan bij de op- en overslag van olieproducten (slops) over te brengen van Frankrijk naar Nederland zonder de vereiste kennisgeving en toestemming. Ten aanzien van de Nederlandse rechtspersoon wordt bewezen verklaard dat zij in 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, dezelfde handelingen heeft verricht, beperkt tot twee transporten; voor de overige tien transporten volgt vrijspraak. Het bewezenverklaarde levert in beide zaken op: medeplegen van opzettelijk overtreden van een voorschrift gesteld bij artikel 10.60 lid 2 Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.
Strafoplegging en maatregelen
De rechtbank legt de Franse rechtspersoon een geldboete op van € 200.000, waarvan € 50.000 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Strafverzwarend wordt meegewogen dat de onderneming op zitting bevestigt dezelfde transporten zonder kennisgeving nog steeds te verrichten en daarmee mogelijke milieurisico's op de koop toeneemt. Strafmatigend werkt de forse schending van de redelijke termijn: sinds de aanvang op 20 april 2018 is ongeveer acht jaar verstreken, terwijl het feit zelf meer dan tien jaar geleden plaatsvond. De rechtbank wijkt aanzienlijk af van de geëiste € 500.000 omdat het Openbaar Ministerie deze omstandigheden niet heeft meegewogen en de hoge eis niet heeft onderbouwd.
De Nederlandse rechtspersoon krijgt een onvoorwaardelijke geldboete van € 50.000 opgelegd. De rechtbank betrekt in haar oordeel dat slechts twee van de twaalf transporten bewezen worden geacht, dat geen concrete milieuschade is vastgesteld en dat het feit meer dan tien jaar geleden plaatsvond. Ook hier wijkt de rechtbank fors af van de geëiste € 250.000, mede vanwege de afwijkende bewezenverklaring en het ontbreken van onderbouwing van de eis.
Lees hier de volledige uitspraak in de zaak tegen de Franse rechtspersoon en hier de volledige uitspraak in de zaak tegen de Nederlandse rechtspersoon.
