Onderzoek Montenegro afgerond: UBS aanvaardt hoge transactie van € 5 miljoen voor Credit Suisse, na eerder negatief en later positief advies van de toetsingscommissie

Het Openbaar Ministerie heeft op 22 september 2026 bekendgemaakt dat het onderzoek Montenegro is afgerond met een hoge transactie van € 5 miljoen. UBS Group AG aanvaardde het transactieaanbod als rechtsopvolger van Credit Suisse AG, de Zwitserse bank die in maart 2023 door UBS werd overgenomen en sinds 1 juli 2024 niet meer als zelfstandige entiteit bestaat. De verdenking hield in dat Credit Suisse medeplichtig was aan het opzettelijk doen van onjuiste belastingaangiften, strafbaar gesteld in artikel 69 lid 2 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, door twaalf Nederlandse rekeninghouders over in totaal 80 aangiftetijdvakken in de periode 2005 tot en met 2015. Conform de Aanwijzing hoge transacties (2020A005) zijn met het persbericht ook de onderliggende stukken openbaar gemaakt: de transactieovereenkomst met het feitenrelaas, twee adviezen van de Toetsingscommissie Hoge Transacties, de instemmingsbrief van de senior advocaat-generaal recherche en de beslissing van het College van procureurs-generaal. Uit die stukken blijkt dat de toetsingscommissie de voorgenomen transactie tweemaal heeft beoordeeld: in december 2024 achtte zij een transactie van € 5 miljoen geen passende afdoening, in juli 2026 oordeelde zij over hetzelfde bedrag dat het OM er in redelijkheid toe kan besluiten. Deze blog zet het feitenrelaas, de procedure en de beide adviezen op een rij.

De verdenking en het feitenrelaas

Het onderzoek tegen Credit Suisse startte naar aanleiding van informatie die het Team Criminele Inlichtingen van de FIOD in 2015 ontving. Volgens die informatie had Credit Suisse tussen 2003 en 2010 op de afdeling private banking ongeveer 4.000 rekeninghouders met een adres in Nederland of op de Nederlandse Antillen, onder wie ruim 400 natuurlijke personen, ruim 1.100 rechtspersonen en ruim 1.800 nummerrekeningen. De informatie vond steun in de schikking die Credit Suisse in mei 2014 met de Amerikaanse justitie trof wegens het faciliteren van belastingontduiking door Amerikaanse belastingplichtigen. Uit het onderzoek kwam volgens het feitenrelaas naar voren dat de bank tekortschoot in het onderzoek naar de herkomst van vermogen en dat ongeveer de helft van de geïdentificeerde rekeninghouders het vermogen niet opgaf bij de Belastingdienst.

Het feitenrelaas beschrijft de dienstverlening waarmee rekeninghouders hun anonimiteit richting de autoriteiten konden bewaren: het vasthouden van bancaire post die klanten fysiek in Zwitserland konden ophalen, rekeningen die uitsluitend op nummer werden geadministreerd, coderekeningen waarbij klanten zich met een codenaam identificeerden, en hulp bij het onderbrengen van spaargeld in offshore rechtspersonen in landen zonder fiscale gegevensuitwisseling met Nederland. Het strafrechtelijk onderzoek liep van 2016 tot en met 2023 en omvatte volgens het feitenrelaas het beoordelen van vele tienduizenden pagina's onderzoeksinformatie, het horen van meer dan honderd getuigen en verdachten, een doorzoeking van het Amsterdamse bijkantoor, telefoontaps en buitenlandse rechtshulp. Het onderzoek richtte zich uiteindelijk op twaalf rekeninghouders; de overige gevallen zijn door de Belastingdienst afgedaan met naheffingen en, waar wettelijk mogelijk, boetes. Voor de dienstverlening aan die twaalf ontving Credit Suisse volgens het feitenrelaas naar schatting ongeveer € 600.000, in algemene zin meer dan de reguliere Nederlandse bancaire tarifering.

De procedure onder de Aanwijzing hoge transacties

De voorgenomen transactie doorliep de procedure van de Aanwijzing hoge transacties. Het voornemen van de hoofdofficier van justitie van het Functioneel Parket werd voorgelegd aan een advocaat-generaal; de senior advocaat-generaal recherche oordeelde in een brief van 8 februari 2024 dat sprake was van een bewijsbare zaak en dat de transactie weloverwogen was en binnen de kaders van de Aanwijzing paste. Volgens deze brief kon uit het proces-verbaal worden afgeleid dat de dienstverlening van Credit Suisse evident gericht was op het behulpzaam zijn bij het ontduiken van belasting in Nederland en dat de bank beschikte over wetenschap en opzet op de medeplichtigheid. Het College van procureurs-generaal legde het voorstel vervolgens ter advisering voor aan de Toetsingscommissie Hoge Transacties, die marginaal toetst of sprake is van een passende afdoening waartoe het OM in redelijkheid kan besluiten. Namens Credit Suisse traden advocaten van Wladimiroff advocaten op.

Het eerste advies: geen passende afdoening

De commissie, destijds onder voorzitterschap van Van Oosten, toetste de voorgenomen transactie tijdens een hoorzitting op 20 november 2024 en bracht op 23 december 2024 advies uit. De keuze voor een buitengerechtelijke afdoening beoordeelde de commissie op zich positief, omdat werd aangehaakt bij schikkingen in het buitenland en de transactie voorzag in een snelle en efficiënte afdoening van financieel-economische criminaliteit in de sfeer van een rechtspersoon. Over de hoogte van het bedrag oordeelde de commissie anders. Zij stelde vast dat het transactiebedrag ten opzichte van de buitenlandse transacties erg laag uitviel. Het OM beraamde de vergoeding voor de dienstverlening aan de twaalf cliënten op ongeveer € 1 miljoen, maar uitgaande van 2.000 zwartsparende cliënten moest de totale vergoeding volgens de commissie veel hoger zijn geweest en het voorgestelde bedrag van € 5 miljoen vele malen overtreffen. Een onderbouwing voor het buiten toepassing laten van artikel 23 lid 7 van het Wetboek van Strafrecht, dat de weg opent naar de zesde boetecategorie en volgens de commissie tot een tienmaal hogere boete zou kunnen leiden, ontbrak. De commissie wees er verder op dat de bank niet spontaan had meegewerkt aan het strafrechtelijk onderzoek, wat volgens de Aanwijzing een contra-indicatie is voor matiging, dat de draagkracht na de overname door UBS niet viel te beoordelen en dat de door het OM aangevoerde vergelijking met de afdoening van de Libor-affaire mank ging. Het advies luidde dat de voorgenomen transactie geen passende afdoening was waartoe het OM in redelijkheid kon besluiten. De FIOD beraamde in dit stadium het belastingnadeel ten aanzien van de twaalf onderzochte cliënten op € 10 miljoen en het totale belastingnadeel op bijna € 90 miljoen.

De hertoetsing: hetzelfde bedrag, aanvullende onderbouwing

Na het eerste advies deed het Functioneel Parket uitvraag bij UBS naar de winstgevendheid van de dienstverlening van Credit Suisse aan Nederlandse cliënten in de periode 2005 tot en met 2015 en naar de kosten die waren gemaakt om de onjuiste aangiften van klanten te doen eindigen. UBS stuitte daarbij op praktische bezwaren: de gegevens waren gedateerd en beperkt toegankelijk, Credit Suisse was ontmanteld en opbrengsten en kosten werden destijds niet op het niveau van Nederlandse klanten geregistreerd. UBS maakte vervolgens een schatting op basis van het nettorendement van 0,41 procent per jaar op de International Wealth Management-portefeuille in de jaren 2004 tot en met 2008. In het eerste gezichtspunt bestaat het voordeel uit het rendement op de door zwartspaarders uitgespaarde belasting, door de FIOD geschat op € 89.130.167 over tien jaar, wat met een rente-op-rente-effect uitkomt op een voordeel van € 3.722.501. In het tweede gezichtspunt bestaat het voordeel uit het rendement op het totaal van de van zwartspaarders aangetrokken gelden, wat zou neerkomen op € 27.552.455; volgens het Functioneel Parket bevat het dossier geen bewijs voor de aanname die aan dat gezichtspunt ten grondslag ligt. De kosten van het Nederlandse deel van het compliancetraject schatte UBS op € 4,8 miljoen. Het Functioneel Parket merkte op dat UBS het voordeel nooit heeft ontvangen, omdat Credit Suisse insolvabel was en UBS bij de overname door de Zwitserse overheid feitelijk geen keuze werd gelaten.

Voor de hoogte van het bedrag sloot het Functioneel Parket aan bij de vijfde boetecategorie. Toepassing van de zesde categorie lag volgens het parket niet voor de hand, omdat UBS de gedragingen niet zelf heeft gepleegd, zich actief heeft ingespannen om informatie aan te leveren, er veel tijd is verstreken en preventieve compliancemaatregelen zijn genomen. De maximale geldboete van de vijfde categorie zoals die gold ten tijde van de feiten werd vermenigvuldigd met de 80 aangiften op de tenlastelegging en vervolgens met een derde verminderd wegens de medeplichtigheid, wat afgerond uitkomt op € 5 miljoen. Over dat bedrag is volgens het advies niet onderhandeld.

Het tweede advies: transactie passend

De commissie, inmiddels onder voorzitterschap van Crijns, hield op 1 juli 2026 een hoorzitting en bracht op 15 juli 2026 advies uit. Zij oordeelde dat het OM heeft kunnen oordelen dat de geconstateerde en erkende gedragingen bewijsbaar en strafbaar zijn en dat de keuze voor een hoge transactie verdedigbaar is. De aansluiting bij de vijfde boetecategorie achtte de commissie, binnen de ruimte die de marginale toetsing biedt, op basis van de aanvullende onderbouwing verdedigbaar, en de daarop gebaseerde berekening maakte de hoogte van het bedrag volgens de commissie niet onredelijk. Ter hoorzitting bevestigde UBS het transactieaanbod geheel vrijwillig te hebben geaccepteerd. Over het conceptpersbericht overwoog de commissie dat publicatie daarvan, in samenhang met het feitenrelaas, tegemoetkomt aan de noodzaak tot publieke verantwoording en het uitblijven van een openbare behandeling ter terechtzitting afdoende compenseert. Het advies luidde ditmaal dat de voorgenomen transactie een passende afdoening is waartoe het OM in redelijkheid kan besluiten. Het College van procureurs-generaal besloot op 28 juli 2026 dat de transactie kon worden aangeboden. Het persbericht van 22 september 2026 gaat niet in op de eerdere, negatieve toetsing; die volgt uit de tegelijk gepubliceerde adviezen.

De transactieovereenkomst

De transactieovereenkomst is gesloten tussen de Staat der Nederlanden en UBS Group AG als rechtsopvolger van Credit Suisse en is in september 2026 in Amsterdam en Zürich ondertekend. UBS betaalt op grond van artikel 74 lid 2 onder a van het Wetboek van Strafrecht een geldsom van € 5 miljoen, te voldoen binnen dertig dagen na ondertekening; blijft betaling uit, dan wordt de overeenkomst van rechtswege ontbonden. Na ontvangst vervalt het recht op strafvervolging van Credit Suisse en UBS voor de in het feitenrelaas omschreven feiten. Partijen verlenen elkaar finale kwijting, die zich uitstrekt tot elke directe of indirecte deelneming, moeder-, dochter- en groepsmaatschappij van Credit Suisse en UBS. De transactie ziet niet op eventuele andere strafbare feiten en evenmin op strafbare feiten begaan door natuurlijke personen. Voor het geval het OM na een beklagprocedure op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering alsnog tot vervolging zou moeten overgaan, geldt de overeenkomst als ontbonden en betaalt het OM het bedrag terug. De overeenkomst bepaalt verder dat UBS in haar persuitingen het feitenrelaas erkent en de beoordeling van het OM niet weerspreekt, waarbij deze erkenning conform de Aanwijzing geen erkenning van schuld aan enig strafbaar feit inhoudt. UBS committeert zich publiekelijk om het verscherpte beleid van Credit Suisse op het vlak van naleving van belastingwetgeving door cliënten voort te zetten.

Afsluiting

Met de aanvaarding van het transactieaanbod en de openbaarmaking van de stukken is het onderzoek Montenegro buitengerechtelijk afgedaan. De transactieovereenkomst, het feitenrelaas, de beide adviezen van de Toetsingscommissie Hoge Transacties, de instemmingsbrief van de senior advocaat-generaal recherche en de beslissing van het College van procureurs-generaal zijn integraal gepubliceerd op de website van het OM. De gepubliceerde stukken laten zien dat de commissie de voorgenomen transactie in december 2024 geen passende afdoening achtte en dat het Functioneel Parket na aanvullend onderzoek naar de verdiensten van Credit Suisse hetzelfde bedrag opnieuw ter toetsing voorlegde, waarna de commissie in juli 2026 positief adviseerde. De Aanwijzing hoge transacties geldt in afwachting van een wettelijke regeling voor rechterlijke toetsing van hoge transacties; die wetgeving is nog niet tot stand gekomen.

Raadpleeg hier de stukken uit het onderzoek:

Print Friendly and PDF ^