Ondergronds protest tegen windmolens als strafbare dwang: medeplegen bevestigd door de Hoge Raad
/Hoge Raad 27 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:115
De verdachte is veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf wegens het medeplegen van (poging tot) dwang, door het verzenden van dreigbrieven aan bedrijven die betrokken waren bij windmolenparken in Groningen en Drenthe. De brieven bevatten bedreigingen met nare consequenties en zijn onder meer verstuurd via de Duitse post. Volgens het hof was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking met een medeverdachte. De verdachte had een actieve rol in het overleg, het selecteren van doelwitten, het redigeren van brieven en het drukproces. De Hoge Raad oordeelt dat het hof dit medeplegen toereikend en juridisch juist heeft gemotiveerd. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Achtergrond
Deze zaak draait om strafbaar verzet tegen de bouw van windmolenparken in Groningen en Drenthe. De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1958, die actief is binnen verschillende organisaties en ondernemersverbanden in het noorden van het land en zich publiekelijk profileert als tegenstander van windenergieprojecten. Naast legale protestactiviteiten neemt hij deel aan een ondergronds samenwerkingsverband dat zich richt op het intimideren van bedrijven die betrokken zijn bij de realisatie van windmolenparken.
De verdachte is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor drie pogingen tot het medeplegen van dwang en eenmaal voor het medeplegen van dwang. Het gaat om strafbare feiten als bedoeld in artikel 284 lid 1 Sr. De dwang bestaat uit het door bedreiging met feitelijkheden wederrechtelijk dwingen van bedrijven om te stoppen met het faciliteren van de bouw van windmolenparken. De bedreigingen zijn vervat in brieven en een zogenoemd zwartboek die in de periode van maart tot en met juni 2019 aan diverse ondernemingen en personen zijn verzonden.
De inhoud van deze brieven is intimiderend en dreigend van aard. Bedrijven wordt onder meer voorgehouden dat zij ernstige reputatieschade zullen lijden, dat hun personeel mogelijk niet veilig is en dat zij te maken kunnen krijgen met acties die hun bedrijfsvoering raken. In sommige brieven wordt een expliciet ultimatum gesteld waarbinnen een persverklaring moet worden afgelegd waarin afstand wordt genomen van de windmolenprojecten. In andere gevallen wordt juist bewust afgezien van een ultimatum om onzekerheid en dreiging te laten voortbestaan. De brieven vertonen onderling sterke overeenkomsten in stijl, woordgebruik en afzender, die zich presenteert als een collectief van door de overheid en initiatiefnemers van windparken belazerde en als uitschot behandelde burgers uit Groningen en Drenthe.
In eerste aanleg is de verdachte deels vrijgesproken, maar in hoger beroep komt het hof tot een bewezenverklaring van medeplegen. Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van zes maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast verklaart het hof twee benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen tot schadevergoeding, wijst het een andere vordering gedeeltelijk toe en legt het een schadevergoedingsmaatregel op. Tegen dit arrest stelt de verdachte cassatieberoep in.
Middel
In cassatie voert de verdachte onder meer een middel aan dat zich richt tegen het oordeel van het hof dat sprake is van medeplegen. Volgens de verdediging blijkt uit de bewijsvoering niet dat de verdachte een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd om hem als medepleger aan te merken. De verdachte stelt dat hij hooguit een faciliterende of ondergeschikte rol heeft gespeeld en in belangrijke mate slechts als toehoorder fungeerde in gesprekken met de medeverdachte. Daarmee zou eerder sprake zijn van medeplichtigheid dan van medeplegen.
Daarnaast klaagt de verdachte over het oordeel van het hof dat de inhoud van de brieven kan worden aangemerkt als dwang door bedreiging met een feitelijkheid. Volgens de verdediging zouden de uitlatingen onvoldoende concreet zijn om als zodanige bedreiging te kwalificeren.
Beoordeling Hoge Raad
De Hoge Raad stelt voorop dat voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd indien de intellectuele en of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. De Hoge Raad herhaalt in dit verband de relevante overwegingen uit het arrest van 5 juli 2016 over de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid. Wanneer het tenlastegelegde medeplegen niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar vooral uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, rust op de feitenrechter een verzwaarde motiveringsplicht.
De Hoge Raad beoordeelt vervolgens of het hof aan deze maatstaf heeft voldaan. Daarbij neemt de Hoge Raad de uitgebreide vaststellingen van het hof tot uitgangspunt. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte en zijn medeverdachte intensief en structureel samenwerken bij het opzetten en uitvoeren van intimidatieacties tegen bedrijven die bij windmolenparken zijn betrokken. Uit heimelijk opgenomen gesprekken blijkt dat zij gezamenlijk strategie bepalen, doelwitten selecteren en overleg voeren over de inhoud en het effect van de dreigbrieven.
Van belang is dat de verdachte niet slechts passief luistert, maar actief deelneemt aan deze gesprekken. Hij stemt in met de plannen, jaagt deze aan en levert inhoudelijke bijdragen. Het hof stelt vast dat de verdachte betrokken is bij het redigeren van de brieven, bij het bepalen of al dan niet een ultimatum wordt gesteld en bij het selecteren van bedrijven die een brief moeten ontvangen. Ook draagt hij bij aan het verzamelen van adressen voor verzending en geeft hij deze door aan de medeverdachte.
Daarnaast speelt de verdachte een essentiële rol bij het laten drukken van het zwartboek en andere brieven. Hij onderhoudt het contact met de drukker, betaalt voor het drukwerk en instrueert de drukker expliciet om handschoenen te dragen en digitale sporen te wissen. Deze instructies duiden er volgens het hof op dat de verdachte wetenschap heeft van de illegale aard van de inhoud en bewust maatregelen neemt om opsporing te bemoeilijken. De Hoge Raad acht dit oordeel niet onbegrijpelijk.
Verder hecht het hof betekenis aan de heimelijke werkwijze van de verdachte en zijn medeverdachte, zoals het vermijden van telefoons, het fluisteren tijdens gesprekken en het gebruik van codetaal. Ook het verzenden van brieven via Duitsland om herkomst te verhullen wordt daarbij betrokken. De Hoge Raad onderschrijft dat deze omstandigheden bijdragen aan het oordeel dat sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking.
Ten aanzien van het verweer dat de verdachte slechts toehoorder zou zijn geweest, overweegt de Hoge Raad dat het hof dit gemotiveerd heeft verworpen. Het hof leidt uit het gebruik van het woord wij in de gesprekken af dat de verdachte en de medeverdachte gezamenlijk optrekken. Dat de medeverdachte mogelijk een grotere rol heeft gespeeld of feitelijke uitvoeringshandelingen heeft verricht, doet volgens de Hoge Raad niet af aan de substantiële bijdrage van de verdachte.
Ook de klacht over de kwalificatie van de brieven als dwang door bedreiging met een feitelijkheid slaagt niet. Het hof heeft geoordeeld dat de inhoud van de brieven, in samenhang bezien, voldoende dreigend en intimiderend is om als zodanig te worden aangemerkt. De Hoge Raad acht dit oordeel juridisch juist en niet onbegrijpelijk.
De Hoge Raad concludeert dat het oordeel van het hof in belangrijke mate berust op een waardering van de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang, een waardering die is voorbehouden aan de feitenrechter. Het oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Het cassatiemiddel faalt.
De overige klachten worden met toepassing van artikel 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie verworpen. Het beroep in cassatie wordt in zijn geheel verworpen, zodat de veroordeling tot zes maanden gevangenisstraf in stand blijft.
Lees hier de volledige uitspraak.
