Medisch verschoningsrecht van ambulancedienst moet wijken: beklag tegen uitlevering bandopname 112-gesprek ongegrond in onderzoek naar overlijden door inname loog

Rechtbank Gelderland 23 oktober 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:8251

De rechtbank Gelderland verklaart het beklag van een ambulancedienst tegen het bevel tot uitlevering van de bandopname van een 112-gesprek ongegrond. Het gesprek vindt op 25 november 2024 plaats tussen de partner van een vrouw en een verpleegkundige van de ambulancespoedlijn; de vrouw overlijdt drie dagen later aan de inname van een looghoudende stof. De ambulancedienst beroept zich op een van het medisch beroepsgeheim afgeleid verschoningsrecht als bedoeld in artikel 218 Sv. Het Openbaar Ministerie onderzoekt een verdenking van moord of doodslag, maar heeft nog niemand als verdachte aangemerkt. De rechtbank past het toetsingskader van de Hoge Raad over zeer uitzonderlijke omstandigheden toe en betrekt daarbij de ernst van het feit, het ontbreken van andere informatiebronnen en de beperkte omvang van de inbreuk. Zij oordeelt dat het belang van de waarheidsvinding in deze zaak zwaarder weegt dan het verschoningsrecht.

Inleiding en context

Het gaat om een beslissing van de meervoudige raadkamer, zittingsplaats Arnhem (raadkamernummer 26-024616, parketnummer 05/381077-24), op een klaagschrift van Ambulancedienst IJsselland B.V. De rechtbank noemt het dossier bijzonder summier. Daaruit volgt dat de partner van het slachtoffer op 25 november 2024 omstreeks 17.15 uur thuiskomt, haar benauwd op bed aantreft en een ambulance belt. In het ziekenhuis blijkt een gat in de slokdarm; opereren is niet mogelijk en zij overlijdt op 28 november 2024. Bij de sectie door het NFI wordt een gat van 25 centimeter in de slokdarm vastgesteld en overlijden door inname van een looghoudende stof. In de afvalbak ligt een fles wc-reiniger. In de stukken staat bij verdachte “N.N.”.

De rechter-commissaris beveelt op 4 december 2025, op vordering van de officier van justitie, op grond van artikel 105 Sv de uitlevering van het 112-gesprek van 25 november 2024 om 22.44.18 uur. De ambulancedienst voldoet onder voorbehoud. Haar bezwaar van 1 juli 2026 verwerpt de rechter-commissaris op 17 augustus 2026. Het klaagschrift dateert van 28 augustus 2026 en wordt op 9 oktober 2026 in openbare raadkamer behandeld.

Tenlastelegging en wettelijk kader

Er is geen tenlastelegging; het gaat om een beklagprocedure op grond van artikel 98 juncto artikel 552a Sv. De verpleegkundige heeft een geheimhoudingsplicht op grond van artikel 88 Wet BIG en daarmee een verschoningsrecht ex artikel 218 Sv. De ambulancedienst komt als werkgever en houder van de opnamen een afgeleid verschoningsrecht toe.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Volgens het Openbaar Ministerie klopt de verklaring van de partner in grote lijnen, maar niet de tijdlijn: tussen thuiskomst en 112-melding verstrijken zo’n vijf uur. Buurtonderzoek en telefoontaps op de aansluitingen van de partner en de zoon van het slachtoffer leveren niets op. Er zijn geen aanwijzingen voor suïcide. De toestand van het slachtoffer tijdens het gesprek, de verstrekte informatie en de toon en letterlijke inhoud van de melding zijn van belang, terwijl niemand anders in de woning aanwezig was. De beschikking vermeldt geen uitdrukkelijke conclusie van het Openbaar Ministerie over de afdoening van het beklag.

Standpunt van de verdediging

Er is geen verdachte en dus geen verdediging. De ambulancedienst voert aan dat er geen concrete verdenking is en dat suïcide en een vergissing denkbaar zijn; de ernst van een delict is op zichzelf onvoldoende. Te gemakkelijke doorbreking kan mensen ervan weerhouden 112 te bellen. Aan subsidiariteit en proportionaliteit is niet voldaan, omdat een 112-gesprek doorgaans niet meer bevat dan een hulpvraag. Subsidiair kan een neutrale derde, zoals een advocaat, de opname beluisteren en op relevantie beoordelen.

Oordeel gerecht

De rechtbank stelt vast dat het gesprek onder de geheimhoudingsplicht van de verpleegkundige valt en gaat ervan uit dat de ambulancedienst met diens instemming optreedt (vgl. HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:553). Tegenover het belang van vertrouwelijke toegang tot zorg staat de uit artikel 2 EVRM afgeleide plicht ernstige levensdelicten te onderzoeken. Uitgangspunt is dat het verschoningsrecht wijkt bij zeer uitzonderlijke omstandigheden en dat de inbreuk niet verder mag gaan dan strikt nodig (HR 30 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD7280; HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1205; HR 29 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5070). Uit die rechtspraak destilleert de rechtbank acht niet-limitatieve gezichtspunten.

Het is volgens de rechtbank moeilijk voorstelbaar dat iemand vrijwillig of per vergissing zoveel van een dergelijk middel inneemt; zij gaat vooralsnog uit van gewelddadig handelen. Dat het gesprek geen sluitend bewijs oplevert, is niet de reden voor de vordering: bij zo weinig bekende feiten kan ieder puzzelstukje aanknopingspunten bieden, anders dan in HR 2 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1008, waar uitgebreide verklaringen voorlagen. De inbreuk is beperkt, omdat de beller primair hulp inroept. De informatie is niet op andere wijze te verkrijgen. Een vertrouwenspersoon biedt geen soelaas, omdat ook die geen geheime gegevens mag onthullen en de werkwijze bewijstechnisch discutabel is. Vrijwel alle gezichtspunten ondersteunen doorbreking.

Lees hier de volledige uitspraak.

Gerelateerde berichten

Gerelateerde cursussen

Print Friendly and PDF ^