Beklag over verschoningsrecht in onderzoek Full Sutton (mondkapjeszaak) ongegrond wegens voortdurend strafvorderlijk belang bij het beslag
/Rechtbank Rotterdam 23 juni 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:7199
De rechtbank Rotterdam verklaart het beklag in de zogenoemde mondkapjeszaak over het verschoningsrecht van advocaten ongegrond. In het onderzoek Full Sutton zijn op 28 februari 2022 bij doorzoekingen gegevensdragers in beslag genomen waarop zich materiaal bevindt dat onder het verschoningsrecht van geheimhouders valt. De klagers, onder wie verdachten en hun advocaten, vorderen opheffing van het beslag en teruggave van het verschoningsgerechtigde materiaal. De rechtbank stelt vast dat de verdediging het station van een begin van aannemelijkheid dat mogelijk inbreuk is gemaakt op het verschoningsrecht is gepasseerd. Het beslag wordt toch niet opgeheven, omdat er nog een strafvorderlijk belang bestaat zolang het eindvonnis in de hoofdzaken niet is gewezen en de verdediging tot 1 oktober 2026 toegang houdt tot de dataroom. De aard en ernst van de mogelijke schending en het daardoor veroorzaakte nadeel zijn vooralsnog niet vast te stellen, zodat het debat hierover in de hoofdzaak kan worden voortgezet.
Inleiding en context
Deze zaak betreft een beklagprocedure die in eerste aanleg wordt behandeld door de meervoudige raadkamer van de rechtbank Rotterdam. Het gaat om de strafrechtelijke nasleep van de zogenoemde mondkapjeszaak, in het onderzoek met de naam Full Sutton. Op 28 februari 2022 zijn bij diverse doorzoekingen gegevensdragers in beslag genomen. Het onderzoeksdossier is op verzoek van de verdediging beschikbaar gesteld in de vorm van een digitale dataroom. Na raadpleging daarvan rijzen bij de raadslieden vragen over de waarborging van het verschoningsrecht. De rechter-commissaris doet onderzoek naar de vraag of op dat recht inbreuk is gemaakt en komt in zijn beslissing van 3 december 2024 tot de conclusie dat hem niet is gebleken van een grove, stelselmatige en omvangrijke inbreuk op het verschoningsrecht.
De zaak kent tien klagers: drie verdachten en zeven advocaten die als verschoningsgerechtigde optreden. De klaagschriften van twee verdachten sluiten aan bij het klaagschrift dat namens de eerste verdachte en zijn advocaten is ingediend. De rechtbank behandelt het beklag in openbare raadkamer op zeven zittingsdagen tussen 19 december 2024 en 4 juni 2026.
Juridisch kader
Centraal staat het functioneel verschoningsrecht van advocaten in de zin van artikel 98 juncto artikel 218 Sv. De klagers hebben op 16 december 2024 een klaagschrift ingediend op grond van artikel 98, vierde lid, juncto artikel 552a Sv. Inzet is de vraag of het beslag moet worden opgeheven omdat zich onder de inbeslaggenomen stukken verschoningsgerechtigd materiaal bevindt en de rechter-commissaris bij de omgang daarmee niet de juiste procedure heeft gevolgd.
Standpunt van de klagers
De klagers verzoeken gegrondverklaring van het beklag, vernietiging van de beslissingen van de rechter-commissaris over het verschoningsrecht zoals weergegeven in zijn proces-verbaal van bevindingen van 3 december 2024, en opheffing van het beslag met een last tot teruggave van al het in de dataroom aanwezige verschoningsgerechtigde materiaal aan de verschoningsgerechtigden. Voorafgaand aan een beslissing verzoeken zij om nader onderzoek, dat zich vooral richt op de wijze waarop het onderzoeksteam in de dataroom met mogelijk verschoningsgerechtigd materiaal is omgegaan.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt zich op de zitting van 4 juni 2026 op het standpunt dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard. Volgens het Openbaar Ministerie is er geen begin van aannemelijkheid dat het onderzoeksteam kennis heeft genomen van de inhoud van het verschoningsgerechtigde materiaal op de inbeslaggenomen gegevensdragers. Daarnaast voert het Openbaar Ministerie aan dat een van de verdachten niet-ontvankelijk is in zijn beklag, omdat hem geen verschoningsrecht toekomt en het klaagschrift enkel namens hem is ingediend.
Oordeel rechtbank
De rechtbank verwerpt het ontvankelijkheidsverweer. Een redelijke uitleg van het klaagschrift van de betrokken verdachte brengt mee dat de verschoningsgerechtigden ook in zijn zaak klagen, zodat hij ontvankelijk is in zijn beklag.
Tussen de klagers en het Openbaar Ministerie staat niet ter discussie dat zich op de inbeslaggenomen gegevensdragers informatie bevindt die onder het verschoningsrecht van geheimhouders valt en waarvan de geheimhouders geen uitdrukkelijke afstand hebben gedaan. Door indiening van het klaagschrift hebben de verschoningsgerechtigden een beroep op hun verschoningsrecht gedaan. De rechtbank overweegt dat zij het beklag ten aanzien van dat materiaal in beginsel gegrond zou moeten verklaren en het beslag zou moeten opheffen. Daartoe gaat zij niet over, omdat er nog een strafvorderlijk belang bij het beslag bestaat. Het beslag kan niet eerder worden opgeheven dan op het moment dat het eindvonnis in de hoofdzaken is gewezen, zodat nader onderzoek in de dataroom door de verdediging mogelijk blijft. Daarbij weegt mee dat de verdediging tot 1 oktober 2026 toegang krijgt tot de dataroom en dat het Openbaar Ministerie daarin geen onderzoekshandelingen meer verricht, tenzij de rechter-commissaris of de rechtbank daartoe opdracht geeft. Een tweede reden is dat de rechtbank de mogelijkheid van nadere kwantitatieve en kwalitatieve analyse wil laten bestaan.
De rechtbank ziet geen aanleiding de beslissingen van de rechter-commissaris te vernietigen, omdat dat verzoek onvoldoende is bepaald en de relevantie ervan niet is gemotiveerd of gebleken. De voorwaardelijke verzoeken tot nader onderzoek schuift de rechtbank door naar de hoofdzaak.
Het in raadkamer verrichte onderzoek richt zich op de iMac en de MacBook Pro van een van de verdachten. Uit de kwantitatieve en kwalitatieve analyse blijkt dat verschoningsgerechtigde stukken op deze computers stonden en in de dataroom terecht zijn gekomen. Het opsporingsteam heeft met zoektermen gewerkt, maar welke zoektermen dit betroffen is niet duidelijk geworden. Aanvullend onderzoek op basis van journaals van de FIOD geeft geen uitsluitsel over de wijze waarop het onderzoeksteam de informatie heeft onderzocht. De verdediging stelt zich op de zitting van 4 juni 2026 gemotiveerd op het standpunt dat het onderzoeksteam met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid meermaals geheimhoudersstukken heeft aangetroffen en dat het niet geloofwaardig is dat deze niet zijn gezien. De officier van justitie weerspreekt deze stelling niet. De rechtbank merkt op dat de verdediging het station van een begin van aannemelijkheid dat mogelijk inbreuk is gemaakt op het verschoningsrecht is gepasseerd, gelet op de hoeveelheid verschoningsgerechtigde stukken en de mogelijkheid dat het onderzoeksteam daarvan kennis heeft genomen. De aard en ernst van de mogelijke schending en het mogelijke nadeel zijn vooralsnog niet vast te stellen, doordat nog veel onduidelijk is gebleven. Het debat hierover kan in de hoofdzaak worden gevoerd, eventueel met nader onderzoek door statistische of technische experts.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beklag ongegrond. Tegen deze beslissing staat voor de klagers binnen veertien dagen na betekening beroep in cassatie bij de Hoge Raad open.
