Veroordeling wegens medeplegen van oplichting: gemeente benadeeld door onterechte loonkostensubsidie via fictief bedrijf
/Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 6 maart 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:1754
Het gerechtshof veroordeelt een verdachte voor het medeplegen van oplichting van een gemeente door middel van onterecht verkregen loonkostensubsidie. De verdachte richtte samen met medeverdachten een bedrijf op en diende met valse arbeidsovereenkomsten een aanvraag voor loonkostensubsidie in, terwijl hij wist dat hij hier geen recht op had. In totaal wordt een bedrag van circa 19.891 euro aan subsidiegeld onterecht uitbetaald. Het hof acht medeplegen bewezen op grond van verklaringen van medeverdachten, bankgegevens en de aangifte van de benadeelde gemeente. Vanwege een forse overschrijding van de redelijke termijn in zowel eerste aanleg als hoger beroep legt het hof een geheel voorwaardelijke taakstraf van 75 uren op met een proeftijd van een jaar. De vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen tot een bedrag van 4.972,80 euro, waarvoor de verdachte hoofdelijk aansprakelijk is.
Inleiding en context
Deze zaak betreft het hoger beroep van een verdachte, een natuurlijk persoon geboren in 1985, tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 4 mei 2021. De rechtbank veroordeelt de verdachte in eerste aanleg voor medeplegen van oplichting tot een voorwaardelijke taakstraf van 75 uren met een proeftijd van een jaar. Daarnaast wijst de rechtbank de vordering van de benadeelde partij, de gemeente, gedeeltelijk toe tot een bedrag van 4.972,80 euro. Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank omdat de bewijsmiddelen niet in het vonnis zijn opgenomen en doet opnieuw recht. De zaak kenmerkt zich door een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn: de tenlastegelegde feiten dateren uit 2011, het vonnis in eerste aanleg wordt in 2021 gewezen en het arrest in hoger beroep volgt pas in maart 2026.
Tenlastelegging en wettelijk kader
Aan de verdachte wordt primair ten laste gelegd dat hij in de periode van 1 februari 2011 tot en met 27 december 2011, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zichzelf en anderen wederrechtelijk te bevoordelen, de gemeente heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van ongeveer 19.891,20 euro. Dit door het aannemen van een valse hoedanigheid, door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels. Concreet wordt de verdachte verweten dat hij en zijn medeverdachten een aanvraagformulier loonkostensubsidie indienen bij de gemeente voor het bedrijf van de verdachte, daarbij een gefingeerde dan wel valse arbeidsovereenkomst aanleveren, vervolgens een verleningsbeschikking laten opmaken en ten slotte een e-mailbericht laten sturen naar het betreffende team van de gemeente met het uit te betalen bedrag. Subsidiair wordt de verdachte medeplichtigheid aan deze oplichting verweten. De tenlastelegging is gebaseerd op artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht (oplichting) in samenhang met artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht (medeplegen).
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat de primair tenlastegelegde oplichting wettig en overtuigend bewezen kan worden. De advocaat-generaal vordert veroordeling tot een geheel voorwaardelijke taakstraf van 75 uren, subsidiair 37 dagen vervangende hechtenis, met een proeftijd van een jaar. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij vordert de advocaat-generaal dat het hof beslist conform het vonnis van de rechtbank.
Standpunt van de verdediging
De verdachte ontkent iedere betrokkenheid bij de oplichting van de gemeente. De verdachte verklaart dat hij van plan was om samen met zijn toenmalige vriendin een bedrijf op te starten onder de betreffende bedrijfsnaam. De verdachte stelt niet te hebben geweten dat de bedrijfsnaam is gebruikt voor de oplichting van de gemeente.
Oordeel gerecht
Het hof doet onmiddellijk na het onderzoek ter terechtzitting mondeling uitspraak. Het hof oordeelt dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de primair tenlastegelegde oplichting, inclusief het medeplegen. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van het bewijs.
Ten aanzien van de oplichting zelf overweegt het hof als volgt. Uit het procesdossier blijkt dat de gemeente aangifte doet van oplichting waardoor ten onrechte loonkostensubsidie wordt overgemaakt naar externe partijen. Uit onderzoek blijkt dat ten onrechte loonkostensubsidie wordt uitgekeerd aan het bedrijf van de verdachte, terwijl de werkgever feitelijk niet bestaat. Het aangeleverde arbeidscontract voor de loonkostensubsidie blijkt vervalst. De handtekening van de in het contract opgenomen uitkeringsgerechtigde komt niet overeen met de handtekening in het gemeentedossier. Uit onderzoek in de gemeentelijke systemen blijkt bovendien dat de betreffende uitkeringsgerechtigde nooit bij het bedrijf van de verdachte heeft gewerkt. In totaal wordt een bedrag van 19.891,20 euro aan loonkostensubsidie uitbetaald. Uit bankafschriften in het dossier blijkt dat de loonkostensubsidie wordt overgemaakt naar de rekening van de toenmalige partner van de verdachte, medeverdachte.
Het hof baseert zich voor het bewijs van de betrokkenheid van de verdachte mede op de verklaringen van medeverdachten. Een medeverdachte, werkzaam bij de gemeente, verklaart dat haar ex-partner met het idee voor de oplichting komt. Zij verklaart dat deze ex-partner mensen zou aanleveren voor wie zij subsidie moet regelen en dat deze persoon goed bevriend is met de verdachte. Zij verklaart voorts dat de verdachte en haar ex-partner op enig moment ruzie krijgen over het uitgekeerde geld. De toenmalige partner van de verdachte verklaart bij de politie dat de verdachte eveneens betrokken is bij de oplichting. Het is volgens haar het idee van de verdachte om een bedrijf te openen onder de betreffende bedrijfsnaam. De verdachte kent via een vriend iemand die bij de gemeente werkt. Zij verklaart daarnaast dat de verdachte de beschikking heeft over haar bankpas en dat hij, toen zij in januari 2012 terugkeert van een bezoek aan Suriname, haar pinpas heeft afgepakt en een aantal grote bedragen heeft gepind op het moment dat de loonkostensubsidie net is gestort.
Ten aanzien van het medeplegen oordeelt het hof dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten, bestaande uit een gezamenlijke uitvoering van de oplichting. Het hof overweegt dat het een gezamenlijk plan betreft om door middel van een aanvraagformulier loonkostensubsidie en een valse arbeidsovereenkomst onterecht subsidie aan te vragen en te ontvangen. Door het oprichten van het bedrijf en het laten opgeven van dit bedrijf als werkgever voor de aanvraag van loonkostensubsidie levert de verdachte een substantiele bijdrage aan de oplichting. Daarnaast pint de verdachte aanzienlijke bedragen van de rekening waarop de loonkostensubsidie wordt gestort en houdt hij deze voor zichzelf.
Bewezenverklaring
Het hof verklaart het primair tenlastegelegde bewezen, te weten:
medeplegen van oplichting van de gemeente in de periode van 1 februari 2011 tot en met 27 december 2011, door met het oogmerk om zichzelf en anderen wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse hoedanigheid, door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, de gemeente te bewegen tot afgifte van een geldbedrag van ongeveer 19.891,20 euro, bestaande uit het indienen van een aanvraagformulier loonkostensubsidie, het aanleveren van een valse arbeidsovereenkomst, het laten opmaken van een verleningsbeschikking en het laten versturen van een e-mailbericht met het uit te betalen bedrag.
Het hof spreekt de verdachte vrij van de onderdelen van de tenlastelegging die niet bewezen zijn verklaard. Het bewezenverklaarde levert op: medeplegen van oplichting, strafbaar gesteld in artikel 326 juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.
Strafoplegging en maatregelen
Het hof motiveert de strafoplegging mondeling ter zitting. Het hof overweegt dat de verdachte samen met anderen de gemeente heeft opgelicht door loonkostensubsidie voor zijn bedrijf te laten uitkeren terwijl hij wist dat hij hier geen recht op had. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij op grove wijze misbruik maakt van gemeenschapsgeld.
Het hof slaat acht op het uittreksel uit de Justiele Documentatie van 4 februari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld, voor het laatst op 28 oktober 2010. Het hof houdt hiermee bij de strafoplegging geen rekening.
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in eerste aanleg met ruim 50 maanden is overschreden. Ook in hoger beroep is de redelijke termijn ruimschoots overschreden. Het hof oordeelt dat het bewezenverklaarde op zichzelf beschouwd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt, maar dat met het opleggen van een geheel voorwaardelijke straf voldoende rekening wordt gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn in beide instanties.
Alles afwegend legt het hof een voorwaardelijke taakstraf van 75 uren op, te vervangen door 37 dagen hechtenis indien de taakstraf niet of niet naar behoren wordt verricht, met een proeftijd van een jaar. De vordering van de benadeelde partij, de gemeente, wordt toegewezen tot een bedrag van 4.972,80 euro aan materiele schade, waarvoor de verdachte met een medeverdachte hoofdelijk aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 december 2011.
Lees hier de volledige uitspraak.
