Raad van State over verwijdering en aanvulling van politiegegevens na vrijspraak

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 27 mei 2026 uitspraak gedaan (ECLI:NL:RVS:2026:3050) in een zaak over de verwerking van politiegegevens na een strafrechtelijke vrijspraak. Centraal staat een verzoek op grond van artikel 28 van de Wet politiegegevens (Wpg) tot verwijdering, rectificatie of aanvulling van gegevens die over de betrokkene zijn opgenomen in het Herkenningsdienst Systeem. De betrokkene, een militair, was na een incident aangehouden, ontving een strafbeschikking en werd na verzet door de strafrechter vrijgesproken. Hij stelde zich op het standpunt dat het bewaren van zijn gegevens na de vrijspraak niet langer noodzakelijk was en dat hij ten onrechte nog als verdachte stond geregistreerd. De Afdeling komt tot het oordeel dat geen recht bestaat op vernietiging of rectificatie, maar wel op aanvulling van de gegevens met de vermelding van de vrijspraak.

De aanleiding

De feiten gaan terug op 22 februari 2020. Tijdens carnaval in Breda gaf de betrokkene bij wijze van grap een willekeurige pas uit zijn portemonnee aan een vriend, om te zien of de slagboom van de Koninklijke Militaire Academie open zou gaan. Bij de dienstdoende beveiliger ontstond het vermoeden dat de vriend de defensiepas van de betrokkene tegen de paslezer had gehouden. De betrokkene werd vervolgens aangehouden op verdenking van het opzettelijk niet volgen van een dienstvoorschrift, strafbaar gesteld in artikel 136, eerste lid, van het Wetboek van Militair Strafrecht, en van het ter beschikking stellen van een reisdocument aan een derde met het oogmerk dit door deze te doen gebruiken als ware het aan hem verstrekt, strafbaar gesteld in artikel 231, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Hij ontving een strafbeschikking ter zake van artikel 231, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Tegen die strafbeschikking tekende hij verzet aan en hij is daarna van het ten laste gelegde feit vrijgesproken. Voor het opzettelijk niet volgen van een dienstvoorschrift is hij niet vervolgd.

De verwerking in het Herkenningsdienst Systeem

De gegevens over het incident worden door de Koninklijke Marechaussee verwerkt in het Herkenningsdienst Systeem (HKS). Dat systeem is gekoppeld aan de Basisvoorziening Informatie Integrale Bevraging van de politie, waardoor ook politiegegevens in het HKS te raadplegen zijn. De Koninklijke Marechaussee is verwerkingsverantwoordelijke voor het HKS. De betrokkene stond daarin voor zowel artikel 231, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht als artikel 136, eerste lid, van het Wetboek van Militair Strafrecht aangemerkt als verdachte. In de bestuursrechtelijke procedure trad de minister van Defensie op als wederpartij. Het oorspronkelijke besluit waarbij het verzoek werd afgewezen dateert van 22 augustus 2023.

Op de zitting bij de Afdeling op 21 januari 2026 is vastgesteld dat de bewaartermijn voor de gegevens over overtreding van artikel 136, eerste lid, van het Wetboek van Militair Strafrecht zes jaar bedraagt. Die gegevens zijn daardoor op of rond 22 februari 2026 vernietigd. Omdat de betrokkene niet had gesteld schade te hebben geleden door de verwerking daarvan, beperkte de Afdeling haar oordeel tot het verzoek over de gegevens met betrekking tot artikel 231, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Het verzoek onder de Wet politiegegevens

Het verzoek berust op artikel 28 van de Wet politiegegevens. Het tweede lid van die bepaling kent de betrokkene een recht op vernietiging toe indien de gegevens in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt of indien zij moeten worden vernietigd om te voldoen aan een wettelijke verplichting. Het eerste lid voorziet in een recht op rectificatie van onjuiste politiegegevens en op aanvulling van onvolledige politiegegevens, onder meer door middel van een aanvullende verklaring. Op grond van artikel 8 van de Wet politiegegevens kunnen politiegegevens worden verwerkt met het oog op de uitvoering van de dagelijkse politietaak, en op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, kunnen die gegevens verder worden verwerkt ter ondersteuning van de politietaak, voor zover zij relevant zijn voor het vaststellen van eerdere verwerkingen ten aanzien van eenzelfde persoon of zaak.

Geen recht op vernietiging

De minister stelde zich op het standpunt dat de gegevens worden bewaard in het kader van de ondersteuning van de dagelijkse politietaak. De Afdeling volgt dat standpunt. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 20 november 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4765) overweegt zij dat het onderdeel is van de dagelijkse politietaak dat de Koninklijke Marechaussee op de hoogte is van incidenten die hebben plaatsgevonden, en dat de informatiepositie zou worden ondermijnd als de gegevens zouden moeten worden verwijderd. Voor die informatiepositie is volgens de Afdeling niet alleen van belang wie als verdachte van een strafbaar feit is aangemerkt, maar ook wie nog meer bij een incident betrokken waren, zoals melders, getuigen of anderen die staande zijn gehouden. De gegevens worden daarom niet in strijd met een wettelijk voorschrift verwerkt en er bestaat geen wettelijke verplichting om ze te verwijderen. Een recht op vernietiging is er dus niet.

Geen recht op rectificatie

Ook het verzoek om rectificatie wees de minister af, met het standpunt dat van onjuiste gegevens geen sprake is. Dat de betrokkene ten tijde van zijn aanhouding verdachte was, verandert volgens de minister niet doordat een vrijspraak volgde. De minister lichtte op de zitting toe dat de gegevens bij een vrijspraak alleen worden gerectificeerd als de officier van justitie een afloopbericht stuurt waaruit volgt dat dit moet gebeuren. In dit geval is geen afloopbericht gestuurd en is evenmin bekend of dat had moeten gebeuren, waardoor niet vaststaat of de betrokkene ten onrechte als verdachte is aangemerkt dan wel om een andere reden is vrijgesproken. Omdat niet is gebleken dat de gegevens onjuist zijn, oordeelt de Afdeling dat geen recht op rectificatie bestaat.

Wel recht op aanvulling

Op het punt van de aanvulling komt de Afdeling tot een ander oordeel. Uit hoofdstuk 3-26 Sepot van het Landelijk afsprakenboek HKS volgt dat een vrijspraak in het HKS wordt toegevoegd bij het antecedent. Daardoor is volgens dat afsprakenboek duidelijk dat er een rechterlijke uitspraak is en kan bij inzageverzoeken met meer duidelijkheid worden aangegeven of sprake is of kan zijn van een mate van verdenking als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering, dan wel van onvoldoende bewijs. Op grond van het Landelijk afsprakenboek HKS had de minister de gegevens dus moeten aanvullen met de vermelding van de vrijspraak, ook zonder afloopbericht van de officier van justitie. De minister heeft het verzoek om aanvulling daarom ten onrechte geweigerd.

Afsluiting

De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond en vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 oktober 2024. Zij vernietigt het besluit van 22 augustus 2023 voor zover daarin de gevraagde aanvulling is geweigerd, en voorziet zelf in de zaak door te bepalen dat het verzoek om aanvulling wordt ingewilligd en dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De minister van Defensie moet de aanvulling feitelijk in het Herkenningsdienst Systeem verwerken. De minister is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten tot een bedrag van € 48,10 en moet het betaalde griffierecht van € 463 vergoeden. De uitspraak is gedaan door een enkelvoudige kamer en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.

Klik hier voor de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^