Kosten bestuursrechtelijke en civiele procedures vallen buiten bereik van artikel 530 Sv
/Rechtbank Noord-Holland 16 februari 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:1690
Verzoekster dient op grond van artikel 530 Sv een verzoek in tot vergoeding van advocaatkosten nadat de strafzaak tegen haar wegens een aangetroffen drugslab in een door haar gehuurd pand is geseponeerd. Zij vordert in totaal 4.338,59, waaronder kosten voor bijstand in een bestuursrechtelijke procedure tegen de gemeente en een civiele procedure tegen de verhuurder. Het Openbaar Ministerie stelt dat alleen kosten die rechtstreeks verband houden met de strafzaak voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank oordeelt dat de kosten voor de bestuursrechtelijke en civiele procedures niet in rechtstreeks verband staan met de strafzaak en wijst dat deel van het verzoek af. Wel worden de kosten voor communicatie met politie en OM en een deel van de cliëntcontacten, vermeerderd met kantoorkosten en btw, toegewezen. In totaal kent de rechtbank een vergoeding toe van 2.120,24 en wijst zij het meer of anders verzochte af.
Context van de zaak
In deze raadkamerprocedure staat een verzoek ex artikel 530 Sv centraal van een natuurlijke persoon, hierna te noemen verzoekster. Verzoekster is geboren op een in de uitspraak genoemde datum en kiest woonplaats op het kantoor van haar advocaat te Den Helder.
Aanleiding voor het verzoek vormt een strafrechtelijk onderzoek naar aanleiding van de ontdekking van een in werking zijnd drugslaboratorium op 30 januari 2024 in een pand aan een adres in Den Helder. Vaststaat dat verzoekster de huurder is van dit pand. Naar aanleiding van deze vondst wordt zij als verdachte aangemerkt in een strafzaak.
De officier van justitie besluit evenwel bij brief van 3 oktober 2025 verzoekster niet verder te vervolgen. De strafzaak eindigt daarmee zonder oplegging van straf of maatregel en zonder toepassing van artikel 9a Sr. Op dezelfde datum, 3 oktober 2025, wordt het verzoekschrift ex artikel 530 Sv ter griffie van de rechtbank Noord-Holland ingediend.
De behandeling vindt plaats in openbare raadkamer op 16 februari 2026, waarbij verzoekster, haar raadsman en de officier van justitie worden gehoord.
Verzoek
Het verzoek strekt tot toekenning van een vergoeding van in totaal 4.338,59. Dit bedrag is opgebouwd uit twee posten.
Ten eerste wordt verzocht om vergoeding van 3.658,59 aan kosten van rechtsbijstand in de strafzaak. Ten tweede wordt verzocht om vergoeding van 680 aan kosten voor het opstellen, indienen en in raadkamer toelichten van het verzoekschrift ex artikel 530 Sv.
De raadsman voert in raadkamer aan dat alle gedeclareerde advocaatkosten verband houden met de strafzaak. Volgens hem heeft de verdenking directe consequenties gehad voor verzoekster. De gemeente sluit het door haar gehuurde pand en de verhuurder beëindigt de huurovereenkomst. De geschreven uren voor communicatie en afspraken met verzoekster hebben volgens de raadsman betrekking op de strafzaak, het geschil met de gemeente en het geschil met de verhuurder. Deze kosten laten zich volgens hem niet nader specificeren.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie verzet zich gedeeltelijk tegen toewijzing van de gevraagde vergoeding. Hij stelt dat uitsluitend kosten die in rechtstreeks verband staan met de strafzaak voor vergoeding in aanmerking komen.
De uren die betrekking hebben op bijstand in het geschil met de gemeente, dat wil zeggen de bestuursrechtelijke procedure naar aanleiding van de sluiting van het pand, en de uren die zien op het geschil met de verhuurder, een civielrechtelijke procedure, staan volgens het Openbaar Ministerie niet in rechtstreeks verband met de strafzaak tegen verzoekster.
De officier van justitie acht enkel de kosten die zien op communicatie met politie en Openbaar Ministerie volledig toewijsbaar. Van de overige kosten voor communicatie en afspraken met cliënte zou naar zijn oordeel slechts een derde deel voor vergoeding in aanmerking moeten komen.
Ten aanzien van de kosten voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift ex artikel 530 Sv acht het Openbaar Ministerie toewijzing van het gebruikelijke forfaitaire bedrag van 680 billijk.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt allereerst vast dat zij bevoegd is en dat het verzoek tijdig is ingediend. Nu de strafzaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder toepassing van artikel 9a Sr, kan verzoekster in beginsel aanspraak maken op vergoeding van de kosten van haar advocaat in verband met die zaak, op grond van artikel 530 Sv.
De rechtbank wijst erop dat op grond van artikel 534 Sv de rechter de vergoeding geheel of gedeeltelijk kan toekennen voor zover dit naar zijn oordeel billijk is, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval.
Onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad overweegt de rechtbank dat slechts die kosten voor vergoeding in aanmerking komen die in rechtstreeks verband staan met de strafzaak tegen de gewezen verdachte.
In geschil is de vraag of de kosten van de raadsman in verband met de bestuursrechtelijke procedure tegen de gemeente en de civiele procedure tegen de verhuurder onder dit criterium vallen.
De rechtbank overweegt dat deze procedures weliswaar samenhangen met de feitelijke situatie waarin een drugslaboratorium is aangetroffen in het door verzoekster gehuurde pand, maar dat zij niet rechtstreeks verband houden met het enkele feit dat verzoekster als verdachte is aangemerkt in een strafzaak.
De bestuursrechtelijke procedure ziet op de sluiting van het pand door de gemeente. De civiele procedure ziet op de beëindiging van de huurovereenkomst door de verhuurder. Beide procedures vloeien rechtstreeks voort uit de aanwezigheid van het drugslab in het pand en niet uitsluitend uit de strafrechtelijke verdenking jegens verzoekster.
Daarbij komt dat zowel het bestuursrecht als het civiele recht een eigen systeem van kostenveroordeling en kostenvergoeding kennen. Voor vergoeding van die kosten binnen het kader van artikel 530 Sv is volgens de rechtbank geen plaats.
De rechtbank wijst het verzoek voor zover het ziet op deze kosten dan ook af.
Voor wat betreft de kosten die wél in rechtstreeks verband staan met de strafzaak, volgt de rechtbank grotendeels de benadering van het Openbaar Ministerie. Voor vergoeding komen in aanmerking de kosten voor communicatie met politie en Openbaar Ministerie, begroot op 583,33 voor 200 minuten, alsmede een derde deel van de kosten voor communicatie en afspraken met verzoekster, zijnde 185 minuten van in totaal 554 minuten, begroot op 539,58.
Dit leidt tot een bedrag van 1.122,91 exclusief btw en kantoorkosten. Inclusief kantoorkosten en 21 procent btw komt dit neer op 1.440,24.
De rechtbank acht het voorts billijk het gebruikelijke bedrag van 680 toe te kennen voor de kosten van het indienen en behandelen van het verzoekschrift in raadkamer.
Beslissing
De rechtbank kent aan verzoekster ten laste van de Staat een vergoeding toe van in totaal 2.120,24. Dit bedrag bestaat uit 1.440,24 voor de kosten van rechtsbijstand in de strafzaak en 680 voor de kosten van het opstellen en indienen van het verzoekschrift.
Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.
Lees hier de volledige uitspraak.
