Kamervragen over oproep voor meer geld voor het Europees Openbaar Ministerie (EOM)
/ BijzonderStrafrecht.nlOp 8 juli jl. zijn door Kamerleden Van Nispen en Leijten (beiden SP) vragen gesteld aan de Minister van Justitie en Veiligheid over de oproep voor meer geld voor het Europees Openbaar Ministerie.
De volgende vragen zijn gesteld:
Klopt het dat u tijdens de JBZ-Raad van 7 juli 2020 heeft gepleit voor meer geld voor het Europees Openbaar Ministerie (EOM)?
Wanneer heeft u de Kamer hierover geïnformeerd? Als u de Kamer niet heeft geïnformeerd hierover, waarom niet?
Waarom vindt u het nodig om meer geld voor het EOM uit te trekken terwijl het EOM nog niet eens actief is? Kunt u heel precies onderbouwen wat er met dat extra geld precies zou moeten gebeuren volgens u?
Waarom houdt u dit pleidooi precies op dit moment? Is hier om verzocht? Zo ja, door wie en wanneer? Zijn daar openbare documenten van en met welke onderbouwing?
Hoeveel budget is er oorspronkelijk aan het EOM toegezegd door de Europese Unie en hoeveel zou dit moeten worden volgens u?
Welke gevolgen zal dit hebben voor de Nederlandse afdracht aan Brussel?
Hoeveel meer geld zou u uit willen geven aan Europol en Eurojust?
Waarom heeft u deze oproep gedaan tijdens de JBZ-Raad terwijl dit niet geagendeerd stond, althans niet op de geannoteerde agenda die de Kamer voorafgaand ontving? Welke gevolgen heeft dit volgens u voor de invloed van de Kamer op de JBZ-Raden?
Vindt u het handig om te pleiten voor meer geld voor het EOM terwijl de regering in de discussie over de meerjarenbegroting en het herstelfonds juist pleit voor zuinig beleid? Op welke wijze is uw pleidooi voor meer geld afgestemd in de regering?
Lees meer over dit onderwerp:
Hoge Raad 27 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1739
De Hoge Raad verklaart de gedelegeerd Europees aanklager niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam in een beklagprocedure over beslag op twee auto’s van een vennootschap. Het beslag is gelegd ter uitvoering van een Europees bevriezingsbevel van de Belgische autoriteiten in een onderzoek naar btw-fraude. De rechtbank verklaart zich onbevoegd om het klaagschrift te behandelen en bepaalt dat het wordt doorgezonden naar de rechtbank Noord-Holland. Artikel 5.5.18 Sv verklaart enkele bepalingen over het beklag van overeenkomstige toepassing; artikel 552d lid 2 Sv, dat het cassatieberoep regelt, hoort daar niet bij. Omdat tegen beschikkingen op grond van artikel 445 Sv alleen cassatieberoep openstaat in de bij wet bepaalde gevallen, en ook geen andere wet daarin voorziet, kan de Hoge Raad het beroep niet in behandeling nemen. Een recht op cassatie volgt evenmin uit de regeling over grensoverschrijdende onderzoeken en rechterlijke toetsing in de EOM-verordening.
Rechtbank Rotterdam 18 juni 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:14782
De rechtbank Rotterdam verklaart het beklag van een besloten vennootschap tegen een vordering van gegevens bij haar belastingadviseur ongegrond. De vennootschap wordt verdacht van het opzettelijk onjuist, onvolledig of niet doen van aangiften omzetbelasting. Volgens de klaagster was alleen het Europees Openbaar Ministerie bevoegd, omdat de verdenking grensoverschrijdende btw-fraude betreft. De rechtbank oordeelt dat het Nederlandse Openbaar Ministerie bevoegd blijft zolang het EOM geen onderzoek instelt of zijn evocatierecht uitoefent. Voor filtering door de rechter-commissaris ziet de rechtbank geen aanleiding, omdat concrete aanwijzingen voor verschoningsgerechtigde informatie ontbreken. Daarbij wijst de rechtbank op de vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de belastingadviseur in het strafrecht geen verschoningsrecht toekomt.
De FIOD heeft op donderdag 29 oktober een aanhouding verricht en doorzoekingen gedaan in een strafrechtelijk onderzoek naar grensoverschrijdende btw-fraude. Een 48-jarige man uit Capelle aan den IJssel is aangehouden en meegenomen voor verhoor. Hij wordt verdacht van het opzettelijk doen van onjuiste belastingaangiften. Zijn woning en een bedrijfspand in Rotterdam zijn doorzocht. Daarbij is beslag gelegd op vier panden, een auto, 20 pallets met mobiele telefoons, ruim 240.000 euro contant geld, bankrekeningen en fysieke en digitale administratie.
De rechtspraak van de Gemeenschapsrechters onderwerpt OLAF-onderzoeken aan effectieve rechterlijke controle. Eindrapporten en het doorgeven van informatie aan nationale autoriteiten zijn voorbereidende, niet-bindende handelingen en kunnen daarom niet met een beroep tot nietigverklaring worden aangevochten. Toch blijft toetsing mogelijk: via een schadevergoedingsactie op grond van de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap. In zaken als Camós Grau, Giraudy, Nikolaou en Franchet & Byk kende de rechter schadevergoeding toe wegens schending van de onschuldpresumptie, de vertrouwelijkheidsplicht, de rechten van verdediging en het beginsel van behoorlijk bestuur, vaak na lekken naar de pers. Zo ontstond een indirecte controle op de waarborgen rond OLAF-onderzoeken.
Een onderzoeksproject onder leiding van prof. Anna Maria Maugeri (Universiteit van Catania) analyseert systematisch de EU-wetgeving over fraude, corruptie, witwassen en de aansprakelijkheid van rechtspersonen, met als doel de bescherming van de financiële belangen van de Unie te versterken. Doordat de EU-instrumenten ongelijk worden geïmplementeerd, ontstaat een wisselend beschermingsniveau dat de EU-begroting en de geloofwaardigheid van de instellingen onder druk zet. Het onderzoek beoordeelt de effectiviteit en implementatie van onder meer de PIF-richtlijn (2017/1371), Verordening 2988/95, de anticorruptierichtlijn (2026/1021), de antiwitwaswetgeving en de confiscatierichtlijn (2024/1260), en bekijkt de rol van het EOM bij PIF-delicten.
In zaak T-48/05 kende het Gerecht van eerste aanleg Yves Franchet en Daniel Byk 56.000 euro schadevergoeding toe wegens fouten van de Europese Commissie en OLAF tijdens het Eurostat-onderzoek. De uitspraak raakt drie punten. De onschuldpresumptie werd geschonden door een persbericht van 9 juli 2003, terwijl het informeren van een parlementaire commissie geen schending opleverde. OLAF verzuimde de betrokkenen tijdig te informeren en te horen voordat conclusies met naam en toenaam aan de justitiële autoriteiten werden doorgegeven. Ten slotte had OLAF het Comité van toezicht moeten raadplegen vóór doorzending aan de nationale gerechtelijke autoriteiten, niet pas op het moment daarvan.
Toen OLAF in 1999 werd opgericht, koos men bewust voor een administratief instrument om fraude, corruptie en andere onregelmatigheden ten nadele van de financiële belangen van de Gemeenschap te bestrijden. Tien jaar later blijkt die kwalificatie nauwelijks houdbaar. Het werk van OLAF vertoont een uitgesproken strafrechtelijk karakter: een groot deel van de zaken vraagt om justitiële opvolging, de bevoegdheden bij interne onderzoeken naderen die van opsporingsdiensten, en betrokkenen voelen zich onvoldoende beschermd. Deze spanningen vormen zowel een pull- als een pushfactor richting een Europees strafrechtelijk systeem, juist nu het Verdrag van Lissabon de strafrechtelijke profilering van de EU op scherp zet.
OLAF is het enige communautaire orgaan dat belast is met administratieve onderzoeken naar gedrag dat de financiële belangen van de EU schaadt en zowel strafrechtelijke als grensoverschrijdende aspecten kan hebben. De bescherming van die belangen via het strafrecht valt onder de derde pijler van de EU en steunt op de PFI-instrumenten: de PFI-Conventie van 1995 en de drie bijbehorende protocollen. Die verplichten lidstaten om fraude, corruptie en witwassen ten nadele van de EU-begroting strafbaar te stellen. Ruim tien jaar later is de ratificatie nog niet voltooid en schiet de nationale uitvoering tekort. Het Verdrag van Lissabon kan de weg vrijmaken voor sterkere handhaving, waarna OLAF moet bepalen welke hervorming het voorstelt.
Joint Investigation Teams (JIT's) maken het mogelijk dat onderzoekers uit verschillende EU-lidstaten informatie uitwisselen zonder rechtshulpverzoek. Toch worden ze in de praktijk weinig opgezet. Dat komt door onbekendheid met het instrument en door onduidelijke regels: het Verdrag inzake wederzijdse rechtshulp uit 2000 laat veel over aan nationale wetgevers, wat tot uiteenlopende bepalingen leidt. OLAF kan zo'n team ondersteunen, maar niet als volwaardig lid, omdat alleen nationale autoriteiten partij kunnen zijn. De rol blijft adviserend en ondersteunend: juridisch advies, toegang tot databanken, informatie over EU-instellingen en coördinatie. Daarbij gelden grenzen rond onderzoeksgeheim, gegevensbescherming en doelbinding.
Joint Investigation Teams kwamen binnen bereik met de Conventie van 29 mei 2000 over wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen EU-lidstaten. Wat begon als een idee waar praktijkmensen aanvankelijk sceptisch tegenover stonden, wordt nu vaker gebruikt voor snellere en bredere grensoverschrijdende onderzoeken. Eurojust behandelt jaarlijks meer dan 1000 zaken en houdt ruim 100 coördinatievergaderingen, waarin autoriteiten afspreken JITs op te zetten. Het nieuwe Raadsbesluit van 16 december 2008 maakt Eurojust tot centraal aanspreekpunt voor JITs in Europa. Eurojust adviseert wanneer een JIT meerwaarde heeft, helpt bij conceptovereenkomsten, ondersteunt operaties en begeleidt aanvragen voor financiering bij de Commissie.
