Is verzoek verdediging om aanvulling deskundigenonderzoek terecht afgewezen? De Hoge Raad geeft beoordelingskader.
/Hoge Raad 7 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1195
De Hoge Raad vernietigt de veroordeling van een verdachte wegens voorbereiding van het teweegbrengen van een ontploffing en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het hof acht bewezen dat de drie pakketten die in de auto van de verdachte zijn aangetroffen explosieve stoffen bevatten en steunt daarbij mede op een NFI-rapport van 14 november 2023. De raadsman verzoekt in hoger beroep om aanvulling van dat rapport met de onderzoeksopzet en de resultaten van een eerder NFI-experiment waaraan de deskundige zijn hypothesen heeft getoetst. Het hof wijst dat verzoek af omdat uit de onderbouwing niet blijkt dat de verdediging de onderzoeksmethode of de resultaten betwist. De Hoge Raad zet uiteen dat de verdachte op grond van artikel 6 EVRM het recht heeft de betrouwbaarheid van een belastende deskundigenverklaring te doen onderzoeken en dat van de verdediging in beginsel geen nadere onderbouwing van het belang mag worden verlangd. Omdat de verdediging heeft aangevoerd dat zij de gegevens nodig heeft om de betwiste resultaten te laten beoordelen door een eigen deskundige, is de afwijzing niet zonder meer begrijpelijk.
Achtergrond
De verdachte is een natuurlijk persoon. Op 20 november 2022 geeft de politie op de A12 een personenauto met blauwe taxiplaten een stopteken. De verdachte is de enige inzittende. In de auto liggen op de achterbank verpakkingen met nieuwe regenkleding, een breekijzer, meerdere paren nieuwe werkhandschoenen, hoofdlampjes en bivakmutsen, en een verpakking met twee 9-volt-batterijen. In de kofferruimte bevindt zich een tas met drie zwarte pakketten, geheel met tape omwikkeld en voorzien van dubbelzijdige bevestigingstape, met daaraan bevestigd elektriciteitsdraad.
In eerste aanleg is de verdachte bij vonnis van 22 mei 2023 vrijgesproken, onder meer omdat niet kan worden vastgesteld dat de pakketten explosieven bevatten. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, oordeelt bij arrest van 22 april 2024 anders en veroordeelt de verdachte alsnog. Het hof verklaart bewezen dat de verdachte op 20 november 2022, ter voorbereiding van het in artikel 157 onder 1 Sr omschreven misdrijf (ontploffing), opzettelijk de genoemde voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, strafbaar gesteld in samenhang met artikel 46 Sr. Het bewezenverklaarde kwalificeert het hof als voorbereiding van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is. Het hof legt een gevangenisstraf van achttien maanden op, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van het voorarrest als bedoeld in artikel 27 lid 1 Sr, en neemt beslissingen over het beslag.
Het hof grondt zijn oordeel dat de pakketten explosieve stoffen hebben bevat mede op twee NFI-rapporten, van 10 maart 2023 en van 14 november 2023. In het tweede rapport toetst de deskundige een set hypothesen over de samenstelling van de lading aan een eerder door het NFI uitgevoerd experiment, waarbij pakketten met achtereenvolgens alleen kaliumperchloraat, alleen kaliumchloride en alleen flitspoeder gecontroleerd tot ontploffing zijn gebracht. Op basis daarvan verwerpt de deskundige de hypothese dat de pakketten alleen kaliumperchloraat en geen brandstof bevatten en acht hij het aangetroffen sporenbeeld veel waarschijnlijker als de pakketten een explosief mengsel van kaliumperchloraat en een brandstof hebben bevat.
Cassatiemiddelen
Namens de verdachte zijn twee cassatiemiddelen voorgesteld.
Het eerste middel komt op tegen de afwijzing door het hof van het op de terechtzitting in hoger beroep gedane voorwaardelijke verzoek tot aanvulling van het NFI-rapport van 14 november 2023 met de volledige onderzoeksopzet en de resultaten van het in dat rapport genoemde eerdere NFI-experiment. Aan het verzoek is ten grondslag gelegd dat de deskundige zijn hypothesen aan dat experiment heeft getoetst en dat de verdediging de verzochte gegevens nodig heeft om de betrouwbaarheid van die conclusies te kunnen toetsen en om aan de hand daarvan vragen te formuleren voor een eigen deskundige.
Het tweede middel bestrijdt dat de bewijsvoering redengevend is voor het voorhanden hebben van explosieve stoffen.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben concludeert tot verwerping van het beroep.
Beoordeling Hoge Raad
De Hoge Raad merkt het verzoek tot aanvulling van het tweede NFI-rapport aan als een verzoek als bedoeld in artikel 328 in samenhang met de artikelen 331 en 315 lid 1 Sv. Het komt neer op een verzoek om de door de verdediging genoemde gegevens over het eerdere experiment, zo nodig nog, op schrift te stellen en aan de processtukken toe te voegen. De maatstaf voor de beoordeling van zo'n verzoek is of de noodzaak daarvan is gebleken.
Bij een verzoek dat verband houdt met de mogelijkheid om de resultaten van een door een deskundige verricht onderzoek te doen onderzoeken, moet de rechter acht slaan op artikel 6 EVRM. De verdachte heeft het recht in de gelegenheid te worden gesteld om de betrouwbaarheid te doen onderzoeken van een door een deskundige afgelegde verklaring, waaronder ook een door de deskundige uitgebracht schriftelijk verslag dat in het dossier is gevoegd, als die verklaring of dat verslag een voor de verdachte belastende strekking heeft. In dit opzicht bestaat er geen verschil met het recht dat de verdachte op grond van artikel 6 EVRM toekomt om de betrouwbaarheid te toetsen van belastende getuigenverklaringen. Als de verdachte kenbaar maakt dat hij de betrouwbaarheid van een belastende deskundigenverklaring wil doen onderzoeken, mag van de verdediging in beginsel geen nadere onderbouwing van het belang bij zo'n onderzoek worden verlangd. De Hoge Raad verwijst naar zijn arrest van 18 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1711, rechtsoverweging 2.3.3.
Het hof heeft aan de afwijzing van het verzoek uitsluitend ten grondslag gelegd dat uit de onderbouwing niet blijkt dat de verdediging de gebruikte onderzoeksmethode of de resultaten van het onderzoek betwist. Dat oordeel is volgens de Hoge Raad niet zonder meer begrijpelijk, nu de verdediging naar voren heeft gebracht dat de gegevens over het eerdere NFI-experiment nodig zijn om de door haar betwiste resultaten van het NFI-onderzoek te controleren en te laten beoordelen door een eigen deskundige. Het eerste cassatiemiddel slaagt.
Gelet op deze beslissing behoeft het tweede cassatiemiddel geen bespreking.
Beslissing van de Hoge Raad
De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan. Het arrest is gewezen door vice-president M.J. Borgers als voorzitter en de raadsheren A.L.J. van Strien en T.B. Trotman.
