Conclusie AG over integrale controles en redelijk vermoeden van schuld
/Advocaat-generaal Van Kempen heeft op 30 juni 2026 geconcludeerd in een cassatiezaak over de verhouding tussen bestuurlijk toezicht en strafvorderlijk optreden. De verdachte is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, bij arrest van 2 april 2024 veroordeeld wegens het medeplegen van het te koop aanbieden en voorhanden hebben van voorwerpen waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren voor grootschalige of bedrijfsmatige hennepteelt, strafbaar gesteld in artikel 11a van de Opiumwet. Het hof legde een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand op met een proeftijd van twee jaren, een taakstraf van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis, en onttrok een aantal voorwerpen aan het verkeer. In eerste aanleg had de politierechter de verdachte vrijgesproken na bewijsuitsluiting wegens vormverzuimen. In cassatie draait het om de vraag of het hof toereikend heeft gerespondeerd op het standpunt van de verdediging dat na een eerste bestuurlijke controle een redelijk vermoeden van schuld bestond, waardoor de politie bij een tweede controle misbruik van bevoegdheid zou hebben gemaakt. De zaak raakt daarmee aan een vraagstuk dat ook in het financieel-economisch strafrecht regelmatig speelt: de overgang van bestuursrechtelijk toezicht naar strafrechtelijke opsporing en de normering daarvan.
Twee integrale controles bij een verkoper van kweekartikelen
Op 14 november 2018 hield het interventieteam van de gemeente een bestuurlijke controle op een bedrijventerrein, waarbij ook de Belastingdienst betrokken was. Bij het gecontroleerde bedrijf bekeken medewerkers van de Belastingdienst de administratie en controleerden de gemeentelijke medewerkers de bedrijfsvoering, de aanwezige personen en de aanwezige artikelen. De politie was daarbij aanwezig, volgens het aanvullend proces-verbaal enkel ter ondersteuning en veiligheid. In de loods werd een groot aantal kweekartikelen aangetroffen die de verbalisanten herkenden als artikelen die bij illegale hennepteelt worden gebruikt, waaronder een grote hoeveelheid kweekaarde, groeimiddelen, pompen, ventilatoren, slangen en koppelstukken.
Op 6 juni 2019 vond opnieuw een bestuurlijke controle plaats bij hetzelfde bedrijf, ditmaal met één verbalisant als sterke arm. Toen die verbalisant goederen zag staan die hem aan hennepkwekerijen deden denken, nam hij contact op met een collega van het hennepteam. Na toestemming van de officier van justitie werden alle goederen die voor hennepteelt konden worden gebruikt in beslag genomen. Uit een aanvullend proces-verbaal blijkt verder dat op 9 november 2018, dus voorafgaand aan de eerste controle, negen kentekens zijn genoteerd van voertuigen die bij het bedrijfspand stonden. Uit de politiesystemen kwam volgens dat proces-verbaal geen informatie naar voren dat een van deze kentekens met illegale hennepteelt te maken had.
Het verweer en het vonnis van de politierechter
De verdediging stelde zich op het standpunt dat het bewijs door misbruik van bevoegdheden en schending van het vertrouwensbeginsel is verkregen, wat op grond van artikel 359a Sv tot bewijsuitsluiting en vrijspraak zou moeten leiden. Volgens de verdediging was na de eerste controle een redelijk vermoeden van schuld ontstaan, mede omdat na die controle kentekens werden gecontroleerd. De politie zou de controle- en toezichtbevoegdheden uit de Algemene wet bestuursrecht hebben misbruikt om strafvorderlijke waarborgen te omzeilen, wat détournement de pouvoir oplevert. De verdediging voerde daarnaast aan dat de aanwezigheid van de politie bij de controles voor de handhaving van de openbare orde niet noodzakelijk was, en dat de vormverzuimen een schending van artikel 6 en artikel 8 EVRM opleveren. De politierechter volgde dit betoog bij vonnis van 19 november 2021, stelde twee vormverzuimen vast en sprak de verdachte vrij na bewijsuitsluiting.
Het oordeel van het hof
Het hof kwam tot een ander oordeel. Op basis van het dossier kan volgens het hof niet worden vastgesteld dat op of na 14 november 2018 al sprake was van een redelijk vermoeden van schuld. De bij de eerste controle aangetroffen goederen zijn niet zodanig dat op grond daarvan al evident sprake is van overtreding van artikel 11a van de Opiumwet, en uit het dossier blijkt evenmin dat de politie handelingen heeft verricht die op strafrechtelijk onderzoek wijzen. Het noteren van kentekens past volgens het hof bij het verzamelen van informatie over een locatie en is in deze context geen opsporingshandeling. De tweede controle kan daarom niet als strafrechtelijk optreden worden aangemerkt, en niet aannemelijk is geworden dat de politie op 6 juni 2019 een ander doel had dan het vergezellen van de gemeentelijke ambtenaren.
Het hof constateerde wel een vormfout. Omdat niet is geverbaliseerd of anderszins is gebleken dat politieassistentie bij het binnentreden nodig was, bijvoorbeeld uit een oogpunt van personele veiligheid van de toezichthouders, moet het er volgens het hof voor worden gehouden dat de politiefunctionaris op 6 juni 2019 zonder gegronde reden mee naar binnen is gegaan. Onder verwijzing naar het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 1 december 2020 over vormverzuimen (ECLI:NL:HR:2020:1889) overwoog het hof dat een rechtsgevolg op zijn plaats kan zijn indien het verzuim van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek of de vervolging. Die invloed ontbreekt hier volgens het hof: de gemeentelijke toezichthouders zijn rechtmatig binnengetreden en zouden ook zonder de politie zelf een constatering hebben gedaan die tot het vermoeden van een strafbaar feit leidde. Ook de ernst van het verzuim achtte het hof gering, nu de politiefunctionaris niet actief is opgetreden en op het moment van en direct na het binnentreden geen opsporings- of onderzoekshandelingen heeft verricht. Het hof volstond daarom met de constatering van het verzuim en vernietigde het vonnis van de politierechter. Slim AcademySecjure
De conclusie van de advocaat-generaal
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof onvoldoende gemotiveerd is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat tot vrijspraak strekte, althans dat het oordeel over het ontbreken van een redelijk vermoeden van schuld zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. Advocaat-generaal Van Kempen stelt voorop dat de klacht, voor zover die is gebaseerd op het motiveringsvoorschrift van artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv, afstuit op de omstandigheid dat het hier een verweer betreft als bedoeld in artikel 359a lid 1 Sv. Voor dergelijke verweren geldt een eigen beoordelingskader.
Voor het overige mist het middel volgens de advocaat-generaal feitelijke grondslag. De steller van het middel verwijt het hof dat het een specifieke pagina uit een proces-verbaal niet in zijn overweging heeft betrokken. Op dat stuk is echter enkel door de verdediging van de medeverdachte een beroep gedaan. Het proces-verbaal van de terechtzitting houdt weliswaar in dat de raadsman van de verdachte zich aansloot bij het standpunt van de raadsman van de medeverdachte over bewijsuitsluiting, maar niet dat het hof heeft ingestemd met het als herhaald en ingelast beschouwen van dat standpunt. Ten overvloede merkt de advocaat-generaal op dat uit zijn conclusies in de samenhangende zaken 24/01442 en 24/01443, waarin hij dezelfde dag concludeert, blijkt waarom het oordeel van het hof naar zijn mening in cassatie stand kan houden.
Redelijke termijn en samenhangende zaken
Ambtshalve signaleert de advocaat-generaal dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 12 april 2024. Daarmee is de redelijke termijn van artikel 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde straffen kan de Hoge Raad volgens de conclusie volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op deze bepaling. De advocaat-generaal wijst er verder op dat het, gezien de vrijspraak in eerste aanleg, niet in de rede ligt om het middel af te doen met toepassing van artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie.
Afsluiting
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep. Het hof heeft volgens de advocaat-generaal toereikend gerespondeerd op het gevoerde verweer, nu voor een verweer in de zin van artikel 359a lid 1 Sv het motiveringsvoorschrift van artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv niet geldt en het middel voor het overige feitelijke grondslag mist. De Hoge Raad moet nog arrest wijzen, zowel in deze zaak als in de twee samenhangende zaken.
Klik hier voor de volledige conclusie.
