Hoge Raad verwerpt cassatieberoep over de inzet van bestuursrechtelijke toezichtsbevoegdheden bij een integrale controle

Hoge Raad 7 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1146

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van een verdachte die door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is veroordeeld voor het aanwezig hebben van XTC-pillen, MDMA-olie en GHB en voor voorbereidingshandelingen gericht op de productie van MDMA. De zaak begint met een zogenoemde integrale controle op acht adressen in een straat, uitgevoerd nadat bij de gemeente ondermijnende signalen over die straat zijn binnengekomen. Bij die controle werken een ambtenaar van Bouwtoezicht, een medewerker van een energiebedrijf en de politie samen, en in een loods met kantoortje in de achtertuin van de woning van de verdachte worden grondstoffen voor drugs aangetroffen. De verdediging voert aan dat de gemeente bestuursrechtelijke controlebevoegdheden inzet voor strafvorderlijke doeleinden en dat het bewijs daarom moet worden uitgesloten. Het hof oordeelt dat het optreden van de gemeentelijke autoriteiten rechtmatig is, omdat de controle is gericht op gebruik overeenkomstig het bestemmingsplan en verband houdt met de bestrijding van illegale en brandgevaarlijke situaties. De Hoge Raad laat dat oordeel in stand en vermindert alleen de opgelegde gevangenisstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.

Achtergrond

De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1978. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeelt de verdachte bij arrest van 29 december 2023 voor twee feiten. Feit 1 betreft het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 371 XTC-pillen bevattende MDMA, ongeveer 20 liter MDMA-olie en ongeveer 25 milliliter GHB, telkens een middel van lijst I, strafbaar gesteld in artikel 2, aanhef en onder C, van de Opiumwet. Feit 2 betreft het voorhanden hebben van voorwerpen en stoffen ter voorbereiding of bevordering van een feit als bedoeld in artikel 10, vierde of vijfde lid, van de Opiumwet, waaronder de vervaardiging van MDMA, waarvan de verdachte weet dat deze daartoe bestemd zijn, strafbaar gesteld in artikel 10a van de Opiumwet. Het hof legt een gevangenisstraf op van tien maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van het voorarrest.

De zaak vindt haar aanleiding in een zogenoemde integrale controle op acht adressen in een straat, gehouden op 18 januari 2022 nadat bij de gemeente ondermijnende signalen over die straat zijn binnengekomen. Bij de controle werken een ambtenaar van Bouwtoezicht van de gemeente, een medewerker van een energiebedrijf, de ondermijningscoördinator van de gemeente en meerdere politiemedewerkers samen. Een van de gecontroleerde panden is een grote loods met aan de voorzijde een klein kantoortje, gelegen in de achtertuin van de woning van de verdachte. De ambtenaar van Bouwtoezicht gaat het kantoortje binnen, gevolgd door de medewerker van het energiebedrijf en een politieambtenaar. Daar worden grote blauwe tonnen, korven met installatiemateriaal en een RVS ketel aangetroffen, en in een in dezelfde ruimte getimmerde schuur staan tientallen blauwe vaten van 20 liter met ethanol en aceton, een regulator E37 en twee RVS ketels. In de kelder van de woning worden vervolgens pillen en poeder aangetroffen.

In eerste aanleg wordt de verdachte vrijgesproken. De rechtbank sluit het na het betreden van het pand aangetroffen bewijs uit, omdat de gehanteerde werkwijze een onherstelbaar vormverzuim oplevert. Het hof komt tot een ander oordeel over de rechtmatigheid van het optreden en veroordeelt de verdachte.

Cassatiemiddelen

Namens de verdachte stelt de advocaat vier cassatiemiddelen voor. De Hoge Raad behandelt het tweede cassatiemiddel afzonderlijk; de inhoud van de overige middelen blijkt niet uit het arrest.

Het tweede cassatiemiddel komt op tegen de verwerping door het hof van een verweer dat ertoe strekt dat bewijsuitsluiting moet plaatsvinden, omdat de politie onrechtmatig is binnengetreden doordat misbruik is gemaakt van bestuursrechtelijke bevoegdheden voor strafvorderlijke doeleinden. Het middel keert zich tegen het oordeel van het hof dat het optreden van de gemeentelijke autoriteiten, waarvan de resultaten zijn gebruikt voor het strafrechtelijke onderzoek, rechtmatig was.

De advocaat-generaal concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar alleen wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

Beoordeling Hoge Raad

Bij de beoordeling van het tweede cassatiemiddel stelt de Hoge Raad de relevante wettelijke bepalingen voorop: artikel 132a van het Wetboek van Strafvordering, artikel 1:6, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 5:11, 5:13 en 5:15 van die wet. Artikel 1:6, aanhef en onder a, Awb houdt in dat de hoofdstukken 2 tot en met 8 en 10 van de Awb niet van toepassing zijn op de opsporing en vervolging van strafbare feiten.

De Hoge Raad geeft de vaststellingen van het hof weer. Op acht adressen aan een straat is, naar aanleiding van bij de gemeente binnengekomen ondermijnende signalen, een integrale controle uitgevoerd. Een van de gecontroleerde panden is een grote loods met aan de voorzijde een klein kantoortje in de achtertuin van de woning van de verdachte. De ambtenaar van Bouwtoezicht gaat het kantoortje binnen, gevolgd door een medewerker van het energiebedrijf en een politieambtenaar, waarna de genoemde tonnen, korven, ketels en vaten worden geconstateerd.

Het hof oordeelt dat het optreden van de gemeentelijke autoriteiten, waaronder het binnentreden door de ambtenaar van Bouwtoezicht van het kantoortje, rechtmatig is. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de controle van het pand is gericht op het gebruik daarvan overeenkomstig het bestemmingsplan en ook verband houdt met de bestrijding van illegale en brandgevaarlijke situaties. In dit oordeel ligt besloten dat deze bestuurlijke bevoegdheidsuitoefening in de concrete omstandigheden van het geval niet in strijd met artikel 1:6 Awb heeft plaatsgevonden. Volgens de Hoge Raad getuigt dat oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. Daaraan doet niet af dat de controle heeft plaatsgevonden in het kader van een integrale controle, waarbij door verschillende overheidsdiensten met onder meer de politie is samengewerkt. Het cassatiemiddel faalt.

De overige cassatiemiddelen kunnen niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van het hof. De Hoge Raad hoeft dat oordeel niet te motiveren, omdat de klachten geen antwoord vergen op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht, als bedoeld in artikel 81, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie.

Ambtshalve stelt de Hoge Raad vast dat hij uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, zodat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit leidt tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.

Beslissing van de Hoge Raad

De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, en vermindert deze tot negen maanden en drie weken, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. De Hoge Raad verwerpt het beroep voor het overige.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^