Illegale verstrekking van geneesmiddelen in zelfdodingscontext leidt tot zwaardere straf in hoger beroep
/Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 30 januari 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:233
Het hof beoordeelt het hoger beroep van een verdachte die zonder vergunning domperidon verstrekt in combinatie met een dodelijk middel aan personen met een zelfdodingswens. De verdachte wordt verweten dat hij meermalen opzettelijk artikel 18 van de Geneesmiddelenwet overtreedt door geneesmiddelen in voorraad te hebben, te koop aan te bieden en af te leveren. Het hof oordeelt dat de verdachte uitsluitend op zijn eigen morele kompas vaart en geen enkele vorm van medische toetsing, toezicht of controle toepast, hetgeen ernstige maatschappelijke risico’s oplevert. Toepassing van het rechterlijk pardon wordt afgewezen, mede vanwege de gevaarzettende aard van het handelen en de veronachtzaming van belangen van derden. De verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 3 jaren en een taakstraf van 120 uren wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Context van de zaak
Deze strafzaak speelt zich af in het domein van het economisch strafrecht en betreft een verdachte, een natuurlijke persoon, geboren in 1944, die gedurende een langere periode geneesmiddelen zonder de vereiste vergunningen in voorraad heeft gehad, te koop heeft aangeboden en heeft afgeleverd. De zaak komt in hoger beroep aan de orde bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, nadat de meervoudige economische kamer van de rechtbank Oost-Brabant op 15 oktober 2024 reeds tot een veroordeling is gekomen.
De kern van het feitencomplex bestaat uit het handelen van de verdachte in een specifieke maatschappelijke en moreel beladen context. De verdachte verstrekt zogenoemde setjes middel X, bestaande uit natriumazide en tabletten domperidon, aan personen die de wens te kennen hebben gegeven een einde aan hun leven te willen maken. Domperidon is een geneesmiddel dat onder de Geneesmiddelenwet valt en uitsluitend met vergunning in het maatschappelijk verkeer mag worden gebracht. De verdachte opereert buiten het wettelijke kader en zonder enige vorm van toezicht, registratie of medische betrokkenheid. Het hof beoordeelt het handelen van de verdachte nadrukkelijk tegen de achtergrond van de risico’s voor de volksgezondheid en de maatschappelijke gevolgen van het ongecontroleerd verspreiden van potentieel dodelijke middelen.
Tenlastelegging
De verdachte wordt verweten dat hij in de ten laste gelegde periode meermalen opzettelijk een voorschrift gesteld bij artikel 18 van de Geneesmiddelenwet overtreedt. Het verwijt ziet op het zonder vergunning in voorraad hebben, te koop aanbieden en afleveren van tabletten bevattende 10 mg domperidon. In eerste aanleg volgt een partiële vrijspraak voor zover het betreft tabletten bevattende 10 mg metoclopramide. Voor het overige acht de rechtbank het ten laste gelegde bewezen.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat het vonnis van de rechtbank dient te worden bevestigd. De advocaat-generaal vordert in hoger beroep handhaving van de opgelegde straf en acht de bewezenverklaring juist en toereikend gemotiveerd. Volgens het Openbaar Ministerie doet de context waarin de verdachte handelt niet af aan de strafwaardigheid van het handelen. De Geneesmiddelenwet beoogt de volksgezondheid te beschermen en laat geen ruimte voor eigen morele afwegingen die buiten het wettelijk kader worden gemaakt. De verstrekking van domperidon in combinatie met dodelijke stoffen vergroot juist het gevaar en rechtvaardigt een strafrechtelijke reactie.
Standpunt van de verdediging
De verdediging voert in hoger beroep aan dat het hof toepassing dient te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en derhalve moet volstaan met het uitspreken van schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel. De verdediging wijst op de persoonlijke overtuiging van de verdachte, zijn morele afwegingen en de intentie om individuen in uitzichtloze situaties te helpen. Volgens de verdediging handelt de verdachte niet lichtvaardig, maar na persoonlijke gesprekken waarin hij tracht te beoordelen of verstrekking van de middelen moreel aanvaardbaar is.
Daarnaast verzoekt de verdediging om teruggave van het inbeslaggenomen middel X. De verdediging betoogt dat onttrekking aan het verkeer disproportioneel is, nu de verdachte geen commercieel oogmerk heeft en handelt vanuit ideële motieven.
Oordeel van het gerechtshof
Het hof verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover dit is gericht tegen de partiële vrijspraak, nu artikel 404 lid 5 van het Wetboek van Strafvordering hoger beroep tegen een vrijspraak uitsluit. Voor het overige verenigt het hof zich grotendeels met het vonnis van de rechtbank, maar acht het een nadere en zwaardere strafmotivering aangewezen.
Het hof stelt vast dat de verdachte gedurende een periode van meer dan zestien maanden meermalen opzettelijk de Geneesmiddelenwet overtreedt. Het hof benadrukt dat het handelen van de verdachte uitsluitend kan worden begrepen in de context van zelfdoding, maar dat deze context de strafbaarheid niet wegneemt. Integendeel, juist omdat het gaat om het verstrekken van middelen die direct bijdragen aan levensbeëindiging, rusten op de handelende persoon zware verantwoordelijkheden.
Het hof overweegt dat de verdachte volledig vertrouwt op zijn eigen morele kompas en nalaat gebruik te maken van waarborgen zoals het vierogenprincipe dat in de euthanasiewetgeving centraal staat. Er is geen sprake van medische toetsing, geen betrokkenheid van een arts en geen controle achteraf. De gesprekken die de verdachte voert met afnemers zijn momentopnamen en bieden geen garantie voor een zorgvuldige en duurzame beoordeling van de situatie van betrokkene.
Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij geen administratie bijhoudt en bewust afziet van enige vorm van registratie, waardoor achteraf niet kan worden vastgesteld waar de verstrekte setjes zijn gebleven en of zij zijn gebruikt. Hierdoor blijven potentieel dodelijke middelen langdurig in het maatschappelijk verkeer aanwezig, met onaanvaardbare risico’s voor derden.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte meermalen opzettelijk zonder vergunning domperidon in voorraad heeft gehad, te koop heeft aangeboden en heeft afgeleverd, in strijd met artikel 18 van de Geneesmiddelenwet. Deze overtredingen zijn meermalen gepleegd en kwalificeren als economische delicten in de zin van de Wet op de Economische Delicten.
Strafoplegging
Bij de strafoplegging houdt het hof rekening met de ernst van het feit, de duur en frequentie van het handelen en de grote maatschappelijke risico’s. Het hof is van oordeel dat toepassing van artikel 9a Wetboek van Strafrecht niet passend is. Wel betrekt het hof in strafmatigende zin de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg, die circa veertien maanden bedraagt.
Zonder deze termijnoverschrijding zou een taakstraf van 140 uren passend zijn geweest. Gelet op de schending van de redelijke termijn volstaat het hof met een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 3 jaren en een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis. Met deze straf wordt zowel de ernst van het handelen tot uitdrukking gebracht als beoogd herhaling te voorkomen.
Ten aanzien van het beslag beslist het hof tot onttrekking aan het verkeer van het middel X, bestaande uit natriumazide en domperidon, nu het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.
Lees hier de volledige uitspraak.
