HR: Onleesbaar gemaakte getuigenverklaringen door OM niet zonder toetsing toegestaan

Hoge Raad 3 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:155

De Hoge Raad vernietigt een hofuitspraak omdat gebruik is gemaakt van getuigenverklaringen waarvan delen op verzoek van de officier van justitie zijn weggelakt. De officier heeft daartoe niet zelfstandig de bevoegdheid; alleen met machtiging van de rechter-commissaris mag informatie worden afgeschermd. Het hof oordeelde ten onrechte dat de weggelakte passages niet relevant waren, zonder zelf kennis daarvan te kunnen nemen. Het hof heeft daardoor het wettelijk systeem voor de omgang met processtukken miskend. De veroordeling voor het betreffende feit en de strafoplegging worden vernietigd. De zaak wordt terugverwezen naar het hof voor een nieuwe beoordeling.

Achtergrond

In deze zaak is de verdachte – een natuurlijke persoon, geboren in 1965 – door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch veroordeeld voor vijf strafbare feiten, waaronder het overdragen van een vuurwapen van categorie III als bedoeld in artikel 31 lid 1 van de Wet wapens en munitie (WWM), in samenhang met artikel 55 van die wet. Het gaat specifiek om een dubbelloops centraalvuur hagelgeweer, merk Miroku, type MK70 sport, kaliber 12-76. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte dit wapen in de periode van 1 juni tot en met 14 oktober 2020 heeft overgedragen aan een ander.

Voor alle feiten gezamenlijk is aan de verdachte een gevangenisstraf opgelegd van 18 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van het voorarrest. In cassatie is uitsluitend de veroordeling voor het onder feit 2 bewezenverklaarde (de overdracht van het vuurwapen) aan de orde.

Middel

In cassatie is geklaagd over het oordeel van het hof dat de verklaringen van getuigen betrokkene 1 en betrokkene 2 als bewijs kunnen dienen, terwijl in de processen-verbaal van hun verhoren delen van deze verklaringen op verzoek van de officier van justitie zijn ‘weggelakt’. Volgens de verdediging zijn door deze werkwijze de wettelijke eisen waaraan bewijsmiddelen moeten voldoen geschonden. De verdediging stelt onder meer dat het onmogelijk is om de betrouwbaarheid van de verklaringen te toetsen of vast te stellen of deze niet uit hun verband zijn getrokken. Tevens wordt erop gewezen dat de officier van justitie niet zelfstandig bevoegd is om delen van processen-verbaal onleesbaar te maken.

De verdediging heeft ter zitting nadrukkelijk betoogd dat de verklaringen niet voldoen aan de eisen van artikel 152 en 153 Sv, omdat ze niet volledig zijn. Zij wijst daarbij ook op het gevaar van ‘cherrypicking’: het selectief gebruiken van belastende delen uit verklaringen terwijl de context ontbreekt. Verder voert de verdediging aan dat de officier van justitie in strijd met artikel 149b Sv heeft gehandeld door zonder machtiging gedeelten van de verklaringen te verwijderen.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad stelt voorop dat het Nederlandse strafprocesrecht een samenhangend systeem kent voor de omgang met processtukken. Gedurende het opsporingsonderzoek rust de verantwoordelijkheid voor de samenstelling van de processtukken bij de officier van justitie (artikel 149a lid 1 Sv). Hij dient alle stukken die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de zaak bij de processtukken te voegen. Slechts wanneer sprake is van zwaarwegende belangen zoals bedoeld in artikel 187d lid 1 Sv – bijvoorbeeld het voorkomen van ernstige overlast voor een getuige of het beschermen van een zwaarwegend opsporingsbelang – mag hij, met machtiging van de rechter-commissaris, delen van stukken achterwege laten (artikel 149b lid 1 Sv).

Deze wettelijke regeling impliceert dat de officier van justitie niet zelfstandig bevoegd is om stukken zodanig te bewerken dat gedeelten onleesbaar worden gemaakt. Wel kan hij, indien hij een passage als niet-relevant beschouwt, dit aanduiden door middel van bijvoorbeeld een doorhaling of aantekening, mits de inhoud van de betreffende passage voor de rechter en de verdediging leesbaar blijft.

Uit de stukken in deze zaak blijkt niet dat van deze mogelijkheid gebruik is gemaakt. Integendeel, in de processen-verbaal van de getuigenverklaringen zijn delen onleesbaar gemaakt (‘weggelakt’) op initiatief van de officier van justitie, zonder dat de rechter-commissaris daarover een machtiging heeft verleend. Dat betekent dat de wettelijke procedure niet in acht is genomen.

Het hof heeft deze verklaringen desalniettemin tot het bewijs gebezigd. Daarbij heeft het geoordeeld dat de weggelakte passages “niet relevant zijn voor het dossier van verdachte” en dat de overgebleven passages “op zichzelf duidelijk en ondubbelzinnig zijn, waardoor niet gebleken is op welke manier deze uit hun verband kunnen zijn getrokken”. De Hoge Raad oordeelt dat dit oordeel niet begrijpelijk is. Het hof kan immers niet zelfstandig vaststellen dat de weggelakte passages irrelevant zijn, nu het die passages zelf niet kent en ook geen oordeel van de rechter-commissaris of raadsheer-commissaris daarover heeft ingewonnen. Daarmee heeft het hof gehandeld in strijd met het wettelijke stelsel en de eisen van een eerlijk proces.

De Hoge Raad benadrukt dat de zittingsrechter wel bevoegd is om de overlegging van stukken te bevelen, en dat hij daarbij alle relevante belangen moet afwegen. Als de officier van justitie zich daartegen verzet, bijvoorbeeld vanwege een vermeend opsporingsbelang of staatsveiligheidsbelang, dient de zittingsrechter de beoordeling daarvan over te laten aan de rechter-commissaris of raadsheer-commissaris. Het uiteindelijke oordeel over de voeging van stukken ligt bij de zittingsrechter, maar hij kan geen kennis nemen van stukken die de verdediging niet mag inzien. Dat zou in strijd zijn met het beginsel van interne openbaarheid (vgl. HR 20 april 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD5266).

In deze zaak is die route niet gevolgd. De verdediging heeft bij het hof uitdrukkelijk verzocht om de volledige processen-verbaal van de getuigen te mogen inzien. Desondanks zijn de verklaringen in hun bewerkte (gedeeltelijk onleesbare) vorm aan het procesdossier toegevoegd en door het hof voor het bewijs gebruikt, zonder dat er een toetsing heeft plaatsgevonden door een rechter-commissaris. De Hoge Raad oordeelt dat dit in strijd is met het strafprocesrecht en met de eisen van een eerlijke procesvoering.

Uitkomst

Het cassatiemiddel slaagt. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend voor zover het de beslissing over het onder feit 2 bewezenverklaarde en de strafoplegging betreft. De zaak wordt terugverwezen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch om opnieuw te worden berecht en afgedaan.

Voor het overige wordt het cassatieberoep verworpen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^