Beklag over omgang met geheimhoudersinformatie strandt deels bij Hoge Raad

Hoge Raad 3 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:171 en ECLI:NL:HR:2026:172

In twee strafzaken tegen producenten van medische apparatuur is beklag gedaan over het uitgrijzen van geheimhoudersinformatie in plaats van vernietiging. De rechtbank wees het beklag af, maar gaf het OM wél opdracht om toekomstige logbestanden aan het dossier toe te voegen. De Hoge Raad oordeelt dat de wet een dergelijke opdracht door de beklagrechter niet toestaat. Artikel 23 Sv ziet alleen op onderzoek voorafgaand aan de beklagbeslissing. Die beperking is door de rechtbank miskend. De HR vernietigt daarom dit onderdeel van de beschikking.

Achtergrond

In beide zaken gaat het om een strafrechtelijk onderzoek tegen twee gelieerde vennootschappen, actief in de medische sector. Zij worden verdacht van valsheid in geschrift, strafbaar gesteld in artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht. In het kader van dat onderzoek zijn tijdens zogenoemde ‘actiedagen’ bij beide bedrijven gegevens in beslag genomen. Op onderdelen van die gegevens heeft de rechter-commissaris op grond van artikel 98 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) geoordeeld dat deze als geheimhoudersinformatie moeten worden aangemerkt. De rechter-commissaris heeft bepaald dat deze gegevens niet vernietigd, maar ‘uitgegrijsd’ worden, waarmee zij ontoegankelijk zijn voor het onderzoeksteam van de FIOD.

De betrokken vennootschappen, gevestigd in Nederland en Duitsland, hebben daarop klaagschriften ingediend als bedoeld in artikel 98 lid 4 in verbinding met artikel 552a Sv. In hun beklag voerden zij aan dat het ‘uitgrijzen’ onvoldoende waarborgt dat de geheimhoudersinformatie daadwerkelijk ontoegankelijk is en blijft. Volgens klaagsters is enkel daadwerkelijke vernietiging van de gegevens – in plaats van het technisch afschermen – voldoende om de vertrouwelijkheid te waarborgen. Zij verzochten daarom om vernietiging van de betreffende gegevens.

De rechtbank Amsterdam verklaart het beklag ongegrond. Zij oordeelt dat het uitgrijzen, mits voorzien van de juiste waarborgen, in dit geval toereikend is. Daarbij verwijst de rechtbank onder meer naar proces-verbalen waarin werkafspraken zijn vastgelegd over de omgang met geheimhoudersinformatie. Deze afspraken zien op de beveiliging van gegevensdragers, de toegangsautorisatie en de rol van geheimhoudersfunctionarissen. Volgens de rechtbank is hiermee voldoende geborgd dat het onderzoeksteam geen toegang heeft (gehad) tot de betreffende gegevens.

Opmerkelijk is dat de rechtbank naast deze inhoudelijke beoordeling een aanvullende beslissing neemt: de officier van justitie krijgt de opdracht om toekomstige logbestanden (zogeheten ‘audit logs’) tijdig toe te voegen aan het procesdossier ten behoeve van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak. Tegen dit onderdeel van de beschikking stelt het Openbaar Ministerie cassatie in.

Middel

Het cassatiemiddel, voorgesteld door het Openbaar Ministerie, richt zich uitsluitend tegen het bevel van de rechtbank aan de officier van justitie om in de toekomst logbestanden aan het dossier toe te voegen. Volgens het OM is deze opdracht in strijd met het wettelijk stelsel. De wet kent in beklagprocedures immers geen grondslag voor een opdracht aan het OM die ziet op toekomstige handelingen in het kader van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak. De bevoegdheid van de beklagrechter is beperkt tot het beoordelen van het beklag en het onderzoek dat daaraan voorafgaat.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad stelt voorop dat artikel 23 lid 1 Sv de raadkamer de bevoegdheid geeft tot het geven van de nodige bevelen teneinde het onderzoek dat voorafgaat aan de beslissing op het beklag ordentelijk te laten verlopen. Deze bevoegdheid ziet dus uitsluitend op bevelen met het oog op het voorbereidende onderzoek in het kader van de beklagprocedure.

Daaruit volgt dat de rechtbank in casu buiten haar bevoegdheden is getreden door het OM een opdracht te geven met het oog op de inhoudelijke behandeling van de strafzaak. De wet voorziet niet in de mogelijkheid dat de beklagrechter het OM verplicht tot het op voorhand toevoegen van toekomstige gegevens aan het strafdossier.

De Hoge Raad onderkent wel dat het met het oog op de voortgang van de zaak van belang kan zijn dat informatie over de omgang met geheimhoudersinformatie – zoals logbestanden – tijdig beschikbaar komt. Echter, het is aan het OM zelf om daarin te voorzien, en de rechter in de strafzaak kan op dat moment daarover oordelen, bijvoorbeeld op basis van artikel 359a Sv. De zittingsrechter kan ook beoordelen of bepaalde gegevens ten onrechte niet zijn vernietigd of niet buiten beschouwing zijn gelaten, en daar consequenties aan verbinden.

De Hoge Raad verwijst daarbij naar zijn eerdere rechtspraak, onder meer ECLI:NL:HR:2025:578, waarin is uiteengezet dat ‘vernietiging’ van gegevens ook kan inhouden dat deze zodanig onttrokken worden aan het strafproces dat zij geen deel meer uitmaken van het dossier. Het is dan noodzakelijk dat daarvan nauwkeurig proces-verbaal wordt opgemaakt. Daarin moet expliciet worden beschreven op welke wijze gewaarborgd is dat betrokkenen bij het onderzoek geen toegang (meer) hebben tot die gegevens. De rechter kan toetsen of voldoende aannemelijk is dat aan die eis is voldaan, en indien nodig, nadere maatregelen bevelen.

In de onderhavige zaken heeft de rechtbank echter niet volstaan met een beoordeling van het uitgrijsproces op basis van de beschikbare processtukken, maar is verder gegaan door het OM een toekomstgerichte procesverplichting op te leggen. Dat is in strijd met het wettelijk stelsel.

Het middel slaagt daarom. De Hoge Raad vernietigt in beide zaken de beschikking van de rechtbank, maar uitsluitend voor zover daarin aan het OM de opdracht is gegeven om toekomstige logbestanden toe te voegen aan het procesdossier. Voor het overige wordt het cassatieberoep verworpen.

Lees hier de volledige uitspraken:

Print Friendly and PDF ^