HR casseert niet vrijspraak na dodelijk arbeidsongeval op zee: geen werkgeverschap, geen medeplegen

Hoge Raad 16 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1878 en ECLI:NL:HR:2025:1879

De verdachte B.V. is vrijgesproken van medeplegen van een dodelijk arbeidsongeval aan boord van een schip. Het hof oordeelt dat de verdachte niet als ‘werkgever’ in de zin van de Arbowet kan worden aangemerkt. Het slachtoffer werkte onder gezag van de scheepsbeheerder, niet onder dat van de verdachte. De Hoge Raad acht deze motivering juridisch juist en verwerpt het cassatieberoep. Ook het beroep op grondslagverlating faalt: het hof heeft de tenlastelegging niet onjuist uitgelegd.

Achtergrond

In deze zaak draait het om een tragisch arbeidsongeval waarbij een werknemer, werkzaam als matroos aan boord van een containerschip, is omgekomen tijdens laadwerkzaamheden. Het incident vond plaats op 18 mei 2016. De werknemer, slachtoffer, verrichtte zijn werkzaamheden op de motor vessel A, een schip beheerd door scheepvaartonderneming B. De verdachte in beide zaken betreft verdachte B.V., een rechtspersoon die personeel levert voor werkzaamheden aan boord van zeeschepen. De verdachte had met slachtoffer een zogenaamde zee-arbeidsovereenkomst gesloten.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat zij – al dan niet tezamen met een medeverdachte – als werkgever in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet opzettelijk handelingen heeft verricht of nagelaten in strijd met die wet, waardoor levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van slachtoffer is ontstaan. Meer specifiek zou de verdachte hebben nagelaten adequate veiligheidsmaatregelen te treffen bij het laden van containers, in strijd met artikelen 3.17 en 7.18a lid 7, 8 en 9 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

De rechtbank heeft in eerste aanleg een veroordeling uitgesproken. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft die beslissing bij arrest van 2 juni 2023 vernietigd en verdachte vrijgesproken. Het openbaar ministerie heeft in beide zaken cassatie ingesteld.

In de kern draait het debat om twee vragen: (1) kan verdachte B.V. worden aangemerkt als ‘werkgever’ in de zin van artikel 1 (oud) van de Arbeidsomstandighedenwet? En (2) is er sprake van medeplegen van een overtreding van artikel 32 van diezelfde wet, ook als geen van de betrokken partijen die hoedanigheid bezit?

Middelen

In cassatie heeft het openbaar ministerie in beide zaken twee middelen voorgesteld:

  • Eerste middel: de klacht dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat verdachte niet als ‘werkgever’ kan worden aangemerkt in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. Volgens het OM is dat oordeel gebaseerd op onjuiste rechtsopvattingen en onvoldoende gemotiveerd. De verdachte had immers een arbeidsovereenkomst met het slachtoffer.

  • Tweede middel: de klacht dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten. Volgens het OM is het niet toegestaan om verdachte louter vanwege het ontbreken van de hoedanigheid ‘werkgever’ volledig vrij te spreken van het tenlastegelegde medeplegen. Daarmee zou het hof ten onrechte geen inhoudelijke beoordeling hebben gegeven van de gedragingen die medeplegen zouden kunnen opleveren.

Beoordeling Hoge Raad

Beoordeling eerste middel – werkgeverschap

De Hoge Raad stelt voorop dat artikel 1 (oud) van de Arbeidsomstandighedenwet een uitputtende opsomming bevat van personen die als ‘werkgever’ of ‘werknemer’ in de zin van de wet kunnen worden aangemerkt. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever ervoor heeft gekozen om de verantwoordelijkheid voor arbeidsomstandigheden primair te leggen bij degene die feitelijk gezag uitoefent over de werknemer: “degene die het meest in staat is het doel van de normen te verwezenlijken”.

In de context van een zee-arbeidsovereenkomst is volgens de Hoge Raad de scheepsbeheerder in beginsel aan te merken als de ‘werkgever’ in de zin van de Arbowet, indien de zeevarende op het schip van die beheerder werkt en de werkzaamheden verricht onder zijn toezicht en leiding. Het hof heeft vastgesteld dat slachtoffer ten tijde van het ongeval werkzaam was aan boord van het schip van scheepvaartonderneming B, en dat deze onderneming optrad als scheepsbeheerder. De arbeidsovereenkomst tussen verdachte B.V. en het slachtoffer is terecht gekwalificeerd als een uitzendovereenkomst. Daarmee is het slachtoffer ter beschikking gesteld aan de scheepsbeheerder, die het gezag uitoefende op de werkplek.

Op grond van deze vaststellingen heeft het hof geoordeeld dat verdachte niet als werkgever in de zin van de Arbowet kan worden aangemerkt. Dit oordeel acht de Hoge Raad niet onjuist of onbegrijpelijk. Het eerste cassatiemiddel faalt.

Beoordeling tweede middel – grondslagverlating en medeplegen

Het tweede middel betreft de klacht dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door louter vanwege het ontbreken van werkgeverschap te concluderen tot vrijspraak, zonder afzonderlijk in te gaan op de vraag of sprake was van medeplegen. Voor het medeplegen van een zogenoemd ‘kwaliteitsdelict’ – zoals hier, waarin werkgeverschap een constitutief bestanddeel vormt van de delictsomschrijving – is het vaste rechtspraak dat niet alle medeplegers over de vereiste kwaliteit hoeven te beschikken. Voldoende is dat ten minste één van hen die kwaliteit bezit.

De Hoge Raad bevestigt die lijn en overweegt dat het oordeel van het hof, dat geen sprake was van een ‘werkgever’ onder de betrokken partijen, de vrijspraak volledig rechtvaardigt. Het hof heeft de tenlastelegging kennelijk opgevat als een verwijt van gezamenlijk plegen van het kwaliteitsdelict, waarbij ten minste één van de medeplegers de kwaliteit ‘werkgever’ moet bezitten. Nu het hof heeft vastgesteld dat noch verdachte noch de medeverdachte over die kwaliteit beschikten, is vrijspraak terecht uitgesproken. Deze uitleg van de tenlastelegging valt binnen de grenzen van de bewoordingen ervan en dient in cassatie te worden gerespecteerd.

Het tweede cassatiemiddel faalt eveneens.

Verhouding tot de samenhangende zaak (23/02333 E)

De Hoge Raad verwijst in zaak 23/02333 E (ECLI:NL:HR:2025:1879) expliciet naar zijn beoordeling in de samenhangende zaak (23/02332 E, ECLI:NL:HR:2025:1878). De motieven en overwegingen die in de hoofdzaak zijn uiteengezet, gelden mutatis mutandis voor de beoordeling van de klachten in de tweede zaak. Ook in die zaak faalden beide middelen van het openbaar ministerie, waarbij het tweede middel integraal is verworpen op grond van verwijzing naar de motieven uit de hoofdzaak.

Beslissing

In beide zaken verwerpt de Hoge Raad het cassatieberoep van het openbaar ministerie. De vrijspraak van verdachte verdachte B.V. door het gerechtshof blijft in stand.

Lees hier de volledige uitspraken:

Print Friendly and PDF ^