Hoge Raad vernietigt veroordeling voor schuldheling van drie fietsen wegens schending van het bewijsminimum van art. 342 lid 2 Sv
/Hoge Raad 30 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:1002
De Hoge Raad vernietigt gedeeltelijk een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch over schuldheling van drie fietsen. De fietsen zijn aangetroffen in een garagebox van een ander, die verklaart dat hij ze van de verdachte heeft gekocht. Het cassatiemiddel klaagt dat de bewezenverklaring in strijd met art. 342 lid 2 Sv uitsluitend steunt op de verklaringen van deze ene getuige. De Hoge Raad herhaalt het beoordelingskader over het bewijsminimum uit zijn arrest van 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452. Het oordeel van het hof dat de getuigenverklaringen voldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal is niet toereikend gemotiveerd: de aangiftes tonen alleen dat de fietsen gestolen waren en het beroep van de verdachte op zijn zwijgrecht biedt geen steun voor diens daderschap. De zaak is teruggewezen naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch voor een nieuwe behandeling van dit feit en de strafoplegging.
Achtergrond
De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1974. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeelt hem bij arrest van 23 augustus 2024 in twee gevoegde zaken wegens schuldheling, meermalen gepleegd, en diefstal, alsmede wegens opzetheling, meermalen gepleegd, tot een gevangenisstraf van drie maanden met aftrek van voorarrest. Het hof verklaart de vorderingen van twee benadeelde partijen niet-ontvankelijk. Het cassatieberoep richt zich uitsluitend op de bewezenverklaarde schuldheling van drie fietsen (feit 3 subsidiair), strafbaar gesteld in art. 417bis lid 1 onder a Sr.
Aan die bewezenverklaring ligt het volgende ten grondslag. Op 29 april 2023 treft de politie in een garagebox diverse fietsen aan, waaronder e-bikes. Drie daarvan, een Giant, een Sparta en een Stella, staan blijkens de framenummers als gestolen geregistreerd. Tijdens het onderzoek meldt zich een man, de medeverdachte, die verklaart dat de drie als gestolen gesignaleerde fietsen van hem zijn en dat hij ze koopt van een persoon die hij bereikt via een telefoonnummer. Dat telefoonnummer blijkt in het politiesysteem gekoppeld aan de verdachte. De medeverdachte overhandigt de bijbehorende fietssleutels, die passen op de sloten van de drie fietsen. Bij zijn verhoor herkent hij de verdachte op een foto als de persoon van wie hij de fietsen heeft gekocht, voor ongeveer € 50 tot € 60 per fiets. De drie aangeefsters verklaren over de diefstal van hun elektrische fietsen in de periode van 16 maart tot en met 29 april 2023.
Het hof overweegt dat gelet op de onvoorstelbaar lage verkoopprijzen van de goed functionerende elektrische fietsen de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze uit misdrijf afkomstig waren. Het hof betrekt daarbij dat de verdachte zich op alle vragen over de verkopen heeft beroepen op zijn zwijgrecht, zodat geen verklaring van de verdachte de redengevendheid van de bewijsmiddelen kan ontzenuwen. Het verweer van de verdediging dat niet is voldaan aan het wettelijke bewijsminimum vindt volgens het hof reeds weerlegging in de bewijsmiddelen.
Cassatiemiddelen
Namens de verdachte is één cassatiemiddel voorgesteld. Het middel klaagt dat het hof in strijd met art. 342 lid 2 Sv de bewezenverklaring uitsluitend heeft doen steunen op de verklaringen van één getuige. De verdediging heeft in hoger beroep in dit verband aangevoerd dat de medeverdachte, buiten de mededeling dat hij de drie fietsen van de verdachte heeft gekocht, niets heeft verklaard over die aankopen, dat het verstrekte telefoonnummer uit dezelfde bron afkomstig is en dat de medeverdachte er belang bij heeft een ander aan te wijzen.
De advocaat-generaal Van Kampen concludeert tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 3 tenlastegelegde en de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch.
Beoordeling Hoge Raad
De Hoge Raad stelt in rechtsoverweging 2.3 het beoordelingskader voorop, onder verwijzing naar zijn arrest van 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452. Volgens art. 342 lid 2 Sv kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige, waarbij deze bepaling betrekking heeft op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. De bepaling beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen en verbiedt de rechter tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum is voldaan, vereist een beoordeling van het concrete geval. Bij de beoordeling in cassatie kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel op dit punt nader heeft gemotiveerd.
In rechtsoverweging 2.4 oordeelt de Hoge Raad dat het oordeel van het hof dat het bewijs van de schuldheling niet alleen wordt aangenomen op grond van de verklaringen van de getuige, maar dat die verklaringen voldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal, niet toereikend is gemotiveerd. Dat het hof uit de voor het bewijs gebruikte aangiftes heeft kunnen afleiden dat de fietsen op enig moment gestolen waren, en dat het in aanmerking heeft genomen dat de verdachte zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen, biedt op zichzelf geen steun voor het door het hof aangenomen daderschap van de verdachte. Het middel slaagt.
Beslissing van de Hoge Raad
De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 3 subsidiair tenlastegelegde en de strafoplegging, wijst de zaak in zoverre terug naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch om opnieuw te worden berecht en afgedaan, en verwerpt het beroep voor het overige.
Lees hier de volledige uitspraak.
