Hoge Raad vernietigt veroordeling voor onjuiste belastingaangiften omdat dezelfde gelden niet tegelijk bij de vennootschappen en bij de verdachte kunnen zijn genoten

Hoge Raad 7 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1185

De Hoge Raad vernietigt op 7 juli 2026 gedeeltelijk een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een fiscale strafzaak over onjuiste aangiften inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting. Een consultant laat zich via een commanditaire vennootschap en een besloten vennootschap inhuren door een recruitmentbureau, dat in totaal ruim één miljoen euro aan die vennootschappen betaalt. Het hof rekent die betalingen zowel volledig toe aan de vennootschappen als winst voor de vennootschapsbelasting, als volledig aan de verdachte als inkomsten voor de inkomstenbelasting. Volgens de Hoge Raad getuigt dat oordeel van een onjuiste rechtsopvatting, omdat dezelfde gelden niet tegelijkertijd en tot hetzelfde bedrag door beide kunnen zijn genoten. De Hoge Raad merkt ambtshalve op dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt of de commanditaire vennootschap een open commanditaire vennootschap is en dus onderworpen is aan de vennootschapsbelasting. De cassatiemiddelen slagen ten aanzien van de feiten 1, 4 en 5 en de strafoplegging, en de zaak wordt teruggewezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Achtergrond

De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1966. Hij is sinds 24 augustus 2015 bestuurder en voorzitter van een stichting die vennoot is van een op 1 oktober 2011 opgerichte commanditaire vennootschap. Sinds 8 januari 2016 is hij bestuurder en enig aandeelhouder van een besloten vennootschap die op haar beurt bestuurder en enig aandeelhouder is van een tweede besloten vennootschap.

De Belastingdienst start in 2016 een onderzoek naar de aangiften inkomstenbelasting van de verdachte, omdat het aangegeven loon niet overeenkomt met de bij de dienst bekende gegevens. Uit mutatieoverzichten van de bankrekeningen blijkt dat een recruitmentbureau in de jaren 2012 tot en met 2016 in totaal € 917.238,70 overmaakt aan de commanditaire vennootschap en in 2016 € 142.248 aan de besloten vennootschap, telkens voor werkzaamheden die de verdachte als consultant verricht. Een vennootschap onder firma maakt daarnaast € 19.249,39 over. Het recruitmentbureau legt zes projectovereenkomsten over waarin de verdachte telkens als consultant wordt genoemd en de vennootschappen als leverancier, en 59 facturen uit 2016. Op 20 maart 2019 wordt besloten een strafrechtelijk onderzoek te starten.

In de aangiften inkomstenbelasting over 2013 tot en met 2016 geeft de verdachte loon op van een werkgever die niet meer bestaat: € 32.580 over 2013, € 31.580 over 2014 en € 29.720 over 2015. Over 2016 wordt geen loon aangegeven. Over 2014 wordt € 3.800 aan scholingsuitgaven afgetrokken. De Belastingdienst berekent het fiscale nadeel op € 325.882 voor de inkomstenbelasting, € 145.835 voor de omzetbelasting en € 132.600 voor de vennootschapsbelasting.

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeelt de verdachte bij arrest van 27 september 2023 wegens het opzettelijk onjuist of onvolledig doen van aangiften inkomstenbelasting over 2013 tot en met 2016 en wegens medeplegen van het opzettelijk onjuist of onvolledig doen van aangiften omzetbelasting en vennootschapsbelasting ten name van de commanditaire vennootschap en de besloten vennootschap, telkens als bedoeld in artikel 69 lid 2 AWR, alsmede wegens het opzettelijk verstrekken van onjuiste gegevens aan de Belastingdienst in de vorm van vervalste bankafschriften. Welk wetsartikel op dat laatste feit van toepassing is, blijkt niet uit het arrest. De opgelegde straf blijkt evenmin uit het arrest van de Hoge Raad; uit de conclusie van de advocaat-generaal volgt dat het hof een gevangenisstraf van achttien maanden oplegt.

Cassatiemiddelen

Namens de verdachte stelt advocaat T. Straten vijf cassatiemiddelen voor. Het eerste middel klaagt dat het oordeel dat de verdachte de door de vennootschappen ontvangen vergoedingen voor zijn consultancywerkzaamheden in zijn aangiften inkomstenbelasting had moeten opnemen, onvoldoende steun vindt in de bewijsmiddelen. Het tweede middel voert aan dat niet de verdachte, maar een ander de aangiften omzetbelasting en vennootschapsbelasting ten name van de commanditaire vennootschap doet, en dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat de verdachte die aangiften doet. Het derde middel houdt in dat de Belastingdienst geen rekening houdt met de door de vennootschappen gemaakte kosten, zodat niet kan worden gezegd dat hun aangiften vennootschapsbelasting onjuist of onvolledig zijn, althans niet dat zij ertoe strekken dat te weinig belasting wordt geheven. Het vierde middel betoogt dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat de verdachte de feiten 2 en 4 tezamen en in vereniging met een ander pleegt, nu de commanditaire vennootschap geen rechtspersoon is. Het vijfde middel bestrijdt het door de Belastingdienst berekende en door het hof overgenomen totale benadelingsbedrag van € 604.317.

Advocaat-generaal P.J. Wattel concludeert tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Beoordeling Hoge Raad

Het eerste en het derde cassatiemiddel komen in verband met de feiten 1, 4 en 5 op tegen het oordeel van het hof dat de door het recruitmentbureau betaalde gelden in hun geheel zijn aan te merken als winst die de commanditaire vennootschap en de besloten vennootschap genieten en in hun aangiften vennootschapsbelasting hadden moeten betrekken, en tegelijk als inkomsten die de verdachte geniet en in zijn aangiften inkomstenbelasting had moeten betrekken.

De Hoge Raad stelt in rechtsoverweging 3.2 de vaststellingen van het hof voorop: de verdachte is middellijk beherend vennoot van de commanditaire vennootschap en middellijk enig aandeelhouder en bestuurder van de besloten vennootschap, waaruit het hof afleidt dat zowel de zeggenschap over de bedrijfsvoering als het economisch belang bij de onderneming van deze vennootschappen volledig bij de verdachte rust, zodat de verworven gelden fiscaal in de inkomstensfeer van de persoon achter de onderneming moeten worden betrokken. Daarnaast overweegt het hof dat de vennootschappen diezelfde inkomsten opzettelijk niet opgeven in hun aangiften vennootschapsbelasting.

In rechtsoverweging 3.3 oordeelt de Hoge Raad dat het in deze overwegingen besloten liggende oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. De vennootschappen kunnen alleen vennootschapsbelastingplichtig zijn voor zover zij die gelden fiscaal zelf genieten, wat betekent dat die gelden niet ook, tegelijkertijd en tot hetzelfde bedrag, rechtstreeks door de verdachte kunnen zijn genoten voor de inkomstenbelasting. Dat zowel de zeggenschap als het economisch belang volledig bij de verdachte rust, kan het oordeel van het hof daarom niet dragen. De middelen slagen op dit punt, waardoor bespreking van het restant ervan niet nodig is.

Het tweede en het vierde cassatiemiddel kunnen niet leiden tot vernietiging van de uitspraak. De Hoge Raad motiveert dat oordeel niet, omdat bij de beoordeling van deze klachten geen vragen aan de orde zijn die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht, als bedoeld in artikel 81 lid 1 RO. Gelet op de beslissing die volgt, blijft bespreking van het vijfde cassatiemiddel achterwege.

Met het oog op de behandeling na terugwijzing maakt de Hoge Raad naar aanleiding van de punten 7.7 tot en met 7.12 van de conclusie van de advocaat-generaal een ambtshalve opmerking over het onder 4 bewezenverklaarde. Op grond van artikel 2 lid 1, aanhef en onder a (oud), Wet op de vennootschapsbelasting 1969 zijn alleen open commanditaire vennootschappen als binnenlandse belastingplichtigen aan die belasting onderworpen. Artikel 2 lid 3, aanhef en onder c (oud), AWR verstaat onder een open commanditaire vennootschap een vennootschap waarbij toetreding of vervanging van commanditaire vennoten kan plaatshebben zonder toestemming van alle vennoten. Uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid of de commanditaire vennootschap een open commanditaire vennootschap is en dus of zij belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting. Komt het hof na terugwijzing tot de conclusie dat daarvan geen sprake is, dan kan het onder 4 tenlastegelegde feit niet worden bewezenverklaard voor zover het inhoudt dat de aangifte er telkens toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven. Komt het hof tot het oordeel dat het wel om een open commanditaire vennootschap gaat, dan moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat deze vennootschap slechts een deel van de verworven gelden als brutowinst geniet en dat de verdachte daarvan een eigen deel als brutowinst of als bruto-inkomsten geniet.

Beslissing van de Hoge Raad

De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1, 4 en 5 tenlastegelegde en de strafoplegging, wijst de zaak in zoverre terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden opdat zij opnieuw wordt berecht en afgedaan, en verwerpt het beroep voor het overige. De conclusie van de advocaat-generaal strekt tot algehele vernietiging en terugwijzing.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^