Onrechtmatige verstrekking van politiegegevens aan de ANWB in strijd met artikel 19 Wet politiegegevens
/Rechtbank Den Haag 29 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:21977 (civiel)
De rechtbank Den Haag oordeelt dat de politie onrechtmatig heeft gehandeld door in februari 2022 politiegegevens over een ondernemer te delen met de ANWB. De politie meldt de ANWB dat de man verdachte is in een onderzoek naar een criminele organisatie die zich bezighoudt met grootschalige hennepteelt en zet de conclusies uit een proces-verbaal restinformatie uiteen. Volgens de rechtbank is die verstrekking gedaan op grond van de Wet politiegegevens en niet op grond van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, zodat de politie terecht is gedagvaard. Het door de politie gestelde zwaarwegende algemene belang bij de bestrijding van drugscriminaliteit weegt niet op tegen het belang van de betrokkene bij bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer. De politie vraagt de ANWB daarnaast om de aan de ondernemer verstrekte licentie te heroverwegen en informeert welke gegevens de ANWB nodig heeft om de procedure tegen hem te bespoedigen. De rechtbank verwijst de zaak naar de schadestaatprocedure en wijst de vorderingen van de vennootschap van de ondernemer af.
Inleiding en context
De eiser is een natuurlijk persoon. Hij is eigenaar van een eenmanszaak en bestuurder en aandeelhouder van een besloten vennootschap die in deze procedure eveneens als eisende partij optreedt. De eenmanszaak verleent vanaf 1 april 2018 als partnerbedrijf van de ANWB pechhulp aan ANWB-leden. Per 1 januari 2023 neemt de vennootschap die dienstverlening over.
In 2019 start het Openbaar Ministerie een onderzoek naar een groepering die wordt verdacht van grootschalige hennepteelt in organisatieverband en witwassen. In oktober 2020 doet de politie een inval bij een autobedrijf waarvan de eiser op dat moment 50 procent van de aandelen houdt. De eiser is verdachte in dat onderzoek en informeert de ANWB direct na de inval over zijn betrokkenheid. Het autobedrijf wordt per 1 oktober 2021 opgeheven.
Op 23 februari 2021 stelt de politie een proces-verbaal restinformatie op over de eenmanszaak in relatie tot de ANWB. Daarin staat onder meer dat bij de eenmanszaak een Ferrari is aangetroffen met van diefstal afkomstige onderdelen, dat een medewerker van de eiser in een voertuig met ANWB-logo rijdt zonder rijbewijs en met hasj op zak, dat uit afgeluisterde gesprekken volgt dat wordt gesproken over het onnodig laten vervangen van accu's, en dat op het terrein van het autobedrijf een verduisterde Audi is aangetroffen. Het Openbaar Ministerie legt in maart 2021 aan zijn privacy helpdesk voor of deze informatie met de ANWB mag worden gedeeld en ziet daarna af van verstrekking op grond van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.
In oktober 2021 neemt de politie het initiatief en vraagt de zaaksofficier welke informatie met de ANWB kan worden gedeeld. Op 3 februari 2022 mailt een operationeel specialist van de politie de ANWB, op 4 februari 2022 spreekt hij telefonisch met een bedrijfsjurist van de ANWB en op 8 maart 2022 volgt nog een e-mail. De ANWB deelt de eiser op 9 februari 2022 mee de pechhulpopdrachten met ingang van 10 februari 2022 stop te zetten, zonder het contract te beëindigen. Op 10 maart 2022 laat de ANWB weten de opdrachtverstrekking te willen hervatten op voorwaarde dat de eiser bewijs toestuurt dat een schikking met het Openbaar Ministerie is voldaan. Medio april 2022 treft de eiser een transactie op grond van artikel 74 Sr, waarbij hij afstand doet van beslagen banksaldi en roerende zaken ter waarde van € 200.735 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en daarnaast € 10.000 betaalt.
De korpschef schrijft in augustus 2022 dat de melding aan de ANWB is gedaan op grond van artikel 39f Wjsg in opdracht van het Openbaar Ministerie, waarna de politie de aansprakelijkstelling afwijst. De hoofdofficier van justitie bericht op 15 januari 2024 dat het Openbaar Ministerie geen strafvorderlijke gegevens aan derden heeft verstrekt en dat de politie in februari 2022 gegevens uit het onderzoek met de ANWB heeft gedeeld. Op 4 maart 2024 erkent de politie aansprakelijkheid. Bij brief van 30 december 2024 handhaaft zij die erkenning, met de toevoeging dat de eiser geen schade heeft geleden omdat de gegevens ook rechtmatig hadden kunnen worden verstrekt. De zaak wordt in eerste aanleg enkelvoudig behandeld, met een dagvaarding van 24 november 2025 en een mondelinge behandeling op 17 juni 2026.
Vorderingen en wettelijk kader
De eisers vorderen verklaringen voor recht dat de politie aan de ANWB heeft meegedeeld dat de eiser verdacht werd van deelneming aan een criminele organisatie met het oogmerk de Opiumwet te overtreden en verantwoordelijk was voor het vervoeren van drugs in ANWB-busjes, dat de betrokken politiemedewerkers daarmee onrechtmatig hebben gehandeld en dat de politie ook in de nasleep van de gegevensverstrekking onrechtmatig, onzorgvuldig en in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld. Daarnaast vorderen zij verwijzing naar de schadestaatprocedure en betaling van € 94.894,95, € 200.735, € 10.000 en € 38.373,65, met een voorwaardelijke vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten.
Het incidenteel verstrekken van politiegegevens aan derden is geregeld in artikel 19 Wpg. Verstrekking is alleen toegestaan voor de daar genoemde doeleinden, te weten het voorkomen en opsporen van strafbare feiten, het handhaven van de openbare orde, het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven en het uitoefenen van toezicht op het naleven van regelgeving. De verstrekking moet noodzakelijk zijn met het oog op een zwaarwegend algemeen belang, wat betekent dat zij voor de samenleving van meer dan gewone betekenis moet zijn. Daarbij gelden proportionaliteit en subsidiariteit, zodat het belang van verstrekking zwaarder moet wegen dan het belang van de betrokkene bij bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer. De beslissing tot verstrekking wordt genomen met instemming van het bevoegd gezag, in dit geval het Openbaar Ministerie. Artikel 7 Wpg bevat de geheimhoudingsplicht. Strafrechtelijke persoonsgegevens en gegevens over onrechtmatig gedrag zijn bijzondere persoonsgegevens in de zin van artikel 16 Wbp en artikel 8 van de Privacyrichtlijn.
Standpunt van eisers
De eisers stellen dat de politie de gegevens heeft verstrekt in strijd met de Wet politiegegevens, althans de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, en dat de politie daarbij ook heeft meegedeeld dat de eiser verantwoordelijk was voor drugstransporten in ANWB-busjes. Zij wijzen erop dat de politie herhaaldelijk het standpunt heeft ingenomen dat op grond van de Wjsg is verstrekt, de aansprakelijkheid pas heeft erkend nadat in maart 2024 een dagvaarding was uitgebracht en negen maanden later een geheel nieuw standpunt heeft ingenomen dat erop neerkomt dat geen schade is geleden. Daarmee heeft de politie de eisers op kosten gejaagd. Ter mondelinge behandeling voeren zij aan dat ook jegens de vennootschap onrechtmatig is gehandeld, zonder dat nader toe te lichten.
Standpunt van de politie
De politie stelt zich primair op het standpunt dat de verkeerde partij is gedagvaard, omdat de operationeel specialist de gegevens op grond van artikel 39 Wjsg aan de ANWB heeft verstrekt. Subsidiair voert zij aan dat met de informatieverstrekking de doeleinden van artikel 19 lid 1 onder a en onder c Wpg werden nagestreefd: het voorkomen en opsporen van strafbare feiten en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven. De ANWB werd geïnformeerd over bevindingen die direct raakten aan haar eigen activiteiten en in potentie ernstige reputatieschade konden veroorzaken, en werd zo in staat gesteld zelf af te wegen of de samenwerking zou worden voortgezet. Het zwaarwegende algemene belang bestaat volgens de politie uit de bestrijding van georganiseerde drugscriminaliteit, die de samenleving en de rechtsstaat ondermijnt en gevaar oplevert voor mens en milieu. Minder ingrijpende maatregelen waren niet voorhanden en er is slechts beperkt en uitsluitend mondeling informatie gedeeld.
Over de erkenning van 4 maart 2024 stelt de politie dat deze ten onrechte is gedaan omdat de gegevens rechtmatig zijn verstrekt, zodat sprake is van een hypothetische fout waaruit geen schade voortvloeit: bij rechtmatige verstrekking waren de gevolgen voor de eiser dezelfde geweest. Ten aanzien van de nasleep voert de politie aan dat het is toegestaan om, mede afhankelijk van het verkregen advies, verschillende standpunten in te nemen en dat voortschrijdend feitenonderzoek, dossierinzage en juridische duiding tot wijziging van een standpunt kunnen leiden.
Oordeel gerecht
De rechtbank oordeelt dat de gegevens zijn verstrekt op grond van de Wpg. Zij wijst erop dat het Openbaar Ministerie bij brief van 15 januari 2024 heeft laten weten zelf geen gegevens aan de ANWB te hebben verschaft, dat het na advies van de privacy helpdesk juist heeft afgezien van verstrekking, dat de politie in het najaar van 2021 zelf het initiatief heeft genomen, dat in de registratie van het telefoongesprek van 4 februari 2022 niet is opgenomen dat dit op verzoek van het Openbaar Ministerie plaatsvindt, en dat de operationeel specialist heeft verklaard de melding uitsluitend te hebben gedaan op verzoek van de Vaste Kern Leidinggevenden binnen het Team Grootschalige Opsporing. Dat contact is geweest met de zaaksofficier is onvoldoende voor een ander oordeel, omdat diens instemming als bevoegd gezag ook onder de Wpg vereist was. Gelet op het duidelijke standpunt van het Openbaar Ministerie had het op de weg van de politie gelegen daarover met het Openbaar Ministerie te overleggen; twijfel over de toepasselijke wet komt voor risico van de politie.
Op basis van de e-mails, de registratie van het telefoongesprek en de verklaring van de operationeel specialist stelt de rechtbank vast welke informatie is verstrekt. De eiser is schriftelijk in verband gebracht met het strafrechtelijk onderzoek naar een autobedrijf dat als dekmantel fungeerde voor grootschalige hennepteelt en illegale tewerkstelling. Verder is verteld dat een groot onderzoek liep naar een als criminele organisatie betitelde groep die opereerde vanuit een bedrijfspand waarvan de eiser 50 procent eigenaar was, dat de eiser verdachte is en dat er nog geen veroordeling is. De inhoud van het proces-verbaal restinformatie is kort uiteengezet, waarbij is verteld over de staandehouding van een ANWB-voertuig met daarin een medewerker van de eiser met drugs. Ook is erop gewezen dat de bijzonderheden voor de ANWB interessant kunnen zijn om de licentie van de eiser tegen het licht te houden, en is gevraagd welke informatie de ANWB nodig heeft om de procedure rond de eiser te bespoedigen.
Dat de politie heeft meegedeeld dat de eiser verantwoordelijk was voor drugstransporten in ANWB-busjes kan de rechtbank niet vaststellen. Wel concludeert zij dat de politie door de eiser op deze wijze aan het onderzoek te koppelen heeft gecommuniceerd dat hij verdacht werd van deelneming aan een criminele organisatie met het oogmerk de Opiumwet te overtreden. De op dit punt gevorderde verklaring voor recht wijst de rechtbank af, omdat een verklaring voor recht zich niet leent voor een oordeel over wat wel of niet is gezegd.
De toetsing aan artikel 19 Wpg valt in het nadeel van de politie uit. De rechtbank onderschrijft het belang van de bestrijding van drugscriminaliteit, maar de politie heeft onvoldoende aangevoerd waaruit volgt dat de verstrekking aan de ANWB daaraan kon bijdragen. Welke strafrechtelijke handelingen in 2022 konden worden voorkomen is niet duidelijk geworden. De link tussen de verdachte activiteiten van het autobedrijf en de ANWB is minimaal: de enige in het dossier vermelde omstandigheid is dat op het terrein in 2020 veelvuldig voertuigen met ANWB-logo zijn waargenomen, terwijl het autobedrijf in 2021 is opgeheven. Dat bij de medewerker van de eiser hasj is aangetroffen zegt zonder nadere toelichting niets over de eiser zelf. De verstrekking is op deze grond niet proportioneel. Ook het voorkomen van voortzetting van de in het proces-verbaal restinformatie vermelde gedragingen, zoals het gesjoemel met accu's, levert geen belang op dat zwaarder weegt dan het belang van de eiser bij bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer.
De rechtbank weegt mee dat de politie de ANWB kennelijk ook heeft willen bewegen de licentieovereenkomst te beëindigen. Daarmee gaat zij verder dan het verstrekken van gegevens voor de in de Wpg genoemde doelen en probeert zij in te grijpen in de civielrechtelijke relatie tussen de ANWB en de eiser, met mogelijk vergaande gevolgen, terwijl slechts sprake was van een verdenking. Het beroep op artikel 19 lid 1 onder c Wpg slaagt evenmin, omdat de politie ook desgevraagd niet heeft kunnen uitleggen hoe en waarom de ANWB in 2022 reputatieschade zou kunnen lijden die met de verstrekking kon worden voorkomen. Uit de correspondentie leidt de rechtbank verder af dat de zaaksofficier en de politie ervan uitgingen dat mondelinge verstrekking een informele aangelegenheid is en pas schriftelijke verstrekking formeel is. Daarmee wordt miskend dat alle gedeelde persoonsgegevens onder de Wpg vallen, ook wanneer zij mondeling of per e-mail worden verstrekt. Ten slotte is niet duidelijk geworden dat de zaaksofficier heeft ingestemd met de mededeling over de verdenking van deelneming aan een criminele organisatie, terwijl die verdenking slechts zijdelings in het proces-verbaal restinformatie is vermeld.
De politie heeft daarmee in strijd met artikel 19 Wpg gehandeld en zonder geldige rechtsgrond politiegegevens gedeeld. Zij heeft haar geheimhoudingsplicht van artikel 7 Wpg geschonden en inbreuk gemaakt op het recht van de eiser op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer. Dat is onrechtmatig jegens de eiser. Juist van de politie, die voortdurend met bijzondere persoonsgegevens werkt, mag zorgvuldigheid worden verwacht. Omdat de eenmanszaak geen rechtspersoonlijkheid heeft, hoeft zij niet apart in de verklaring voor recht te worden vermeld. Ten aanzien van de vennootschap is niet komen vast te staan dat gegevens met de ANWB zijn gedeeld, zodat de gevorderde verklaring voor recht in zoverre wordt afgewezen. Dat de politie haar erkenning tijdens de mondelinge behandeling heeft ingetrokken, laat de rechtbank voor wat het is, nu de verstrekking hoe dan ook onrechtmatig is.
De vordering over de nasleep strandt op een gebrek aan toelichting. De rechtbank noemt het opmerkelijk dat de politie negen maanden na de erkenning stelt dat deze niet tot schadevergoeding leidt, maar acht dat zonder nadere onderbouwing onvoldoende voor het oordeel dat onrechtmatig is gehandeld. Daarbij weegt zij mee dat de eisers de brief van het Openbaar Ministerie die tot de erkenning heeft geleid pas in 2024 bij dagvaarding hebben overgelegd.
De rechtbank acht aannemelijk dat de eiser schade heeft geleden, alleen al omdat de ANWB de dienstverlening enkele maanden heeft stilgelegd. De omvang kan zij nu niet bepalen: de gestelde gemiste omzet is berekend over maanden die niet noodzakelijk representatief zijn, stukken over de gestelde beleidswijzigingen van de ANWB ontbreken, de gevolgen van de overname van de overeenkomst door de vennootschap in 2023 zijn onvoldoende toegelicht en de schikking met het Openbaar Ministerie vergt nader onderzoek.
Beslissing
De rechtbank verklaart voor recht dat de operationeel specialist onrechtmatig jegens de eiser heeft gehandeld door de ANWB mee te delen dat hij verdacht werd van deelneming aan een criminele organisatie met het oogmerk de Opiumwet te overtreden en door de conclusies uit het proces-verbaal restinformatie met de ANWB te delen, en dat de politie aansprakelijk is voor de daardoor geleden en te lijden schade. De procedure wordt verwezen naar de schadestaat voor het vaststellen van de omvang van die schade. De politie wordt veroordeeld in de proceskosten van € 7.408,35, te vermeerderen met € 98 en de kosten van betekening bij niet tijdige voldoening, en tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald. Het vonnis is op deze punten uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
Lees hier de volledige uitspraak.
