Hoge Raad verklaart cassatieberoepen niet-ontvankelijk in beklagzaak over beslag op een samenwerkingsovereenkomst
/Hoge Raad 23 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:1007 en ECLI:NL:HR:2026:1008
De Hoge Raad verklaart in twee samenhangende beschikkingen de cassatieberoepen van een verdachte en zijn bedrijf niet-ontvankelijk in een beklagzaak over de inbeslagneming van een samenwerkingsovereenkomst. Het beslag vindt plaats in het strafrechtelijk onderzoek Charlton naar niet-ambtelijke omkoping, valsheid in geschrift en witwassen rond de bemiddeling in tijdelijke opvanglocaties voor asielzoekers voor het COA. De rechter-commissaris geeft de overeenkomst vrij aan het onderzoeksteam, waarna de rechtbank Amsterdam de klagers niet-ontvankelijk verklaart omdat zij geen verschoningsgerechtigden zijn. Op grond van art. 98 lid 4 Sv staat het beklag tegen de beschikking van de rechter-commissaris uitsluitend open voor de verschoningsgerechtigde zelf. Het advocatenkantoor dat de overeenkomst opstelde heeft geen klaagschrift ingediend en heeft zich niet op zijn verschoningsrecht beroepen, zodat ook het beklag tegen de inbeslagneming niet-ontvankelijk is. De Hoge Raad oordeelt dat het aan de geheimhouder zelf is om zich op zijn verschoningsrecht te beroepen en dat de rechtbank de uitkomst van de tuchtprocedure tegen het kantoor niet hoefde af te wachten.
Achtergrond
De klager in zaak 25/03511 B is een natuurlijk persoon, geboren in 1987. In de samenhangende zaak 25/03512 B treedt zijn bedrijf, een rechtspersoon, als klaagster op. Beide zaken betreffen geen veroordeling door een hof en geen opgelegde straf, maar een beklagprocedure op grond van art. 98 lid 4 in samenhang met art. 552a Sv. De bestreden beslissingen zijn beschikkingen van de rechtbank Amsterdam van 8 april 2025, met de nummers RK 24/031702 voor de klager en RK 24/031703 voor de klaagster.
De FIOD is onder de naam Charlton een strafrechtelijk onderzoek gestart naar niet-ambtelijke omkoping, valsheid in geschrift en witwassen in de periode van 1 juni 2022 tot en met 31 december 2023. Een medeverdachte vennootschap en haar middellijk bestuurder worden ervan verdacht contracten te hebben afgesloten met het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) voor het bemiddelen in tijdelijke opvanglocaties voor asielzoekers tussen het COA en een onderneming binnen het concern van de klager. De klager zou daarbij, via zijn als verdachte aangemerkte bedrijf, de contactpersoon namens die onderneming zijn geweest.
Op 20 juni 2024 heeft onder leiding van de rechter-commissaris een doorzoeking plaatsgevonden in onder meer de woning van de middellijk bestuurder van de medeverdachte vennootschap, die de beslagene is. De rechter-commissaris heeft daarbij een samenwerkingsovereenkomst van 4 november 2022 tussen de medeverdachte vennootschap en de medeklaagster onder zich genomen om te beoordelen of daarop een verschoningsrecht rust. Bij beslissing van 11 december 2024 heeft de rechter-commissaris bepaald dat de overeenkomst mag worden vrijgegeven aan het onderzoeksteam. Hij heeft daarbij overwogen dat de overeenkomst is afgedrukt op papier met het logo van een advocatenkantoor en dat dit kantoor veelvuldig is geraadpleegd over transacties die onderwerp van het onderzoek zijn, maar dat dit onvoldoende is om de overeenkomst zelf onder het verschoningsrecht te laten vallen, nu daarin geen vertrouwelijke communicatie tussen de bestuurder en een advocaat van het kantoor is vervat.
Namens de klager is op 23 december 2024 een klaagschrift ingediend, gericht tegen de beschikking van de rechter-commissaris, met het verzoek die beschikking te vernietigen en te bepalen dat de overeenkomst niet aan het onderzoeksteam wordt vrijgegeven. Daartoe is aangevoerd dat de overeenkomst object is van het verschoningsrecht van het advocatenkantoor, dat het kantoor ook voor de klager en de medeklaagster optrad en dat de door de rechter-commissaris bij de filtering aangelegde maatstaf te beperkt is. De klager heeft daarnaast gemeld dat tegen het kantoor een tuchtklacht is ingediend, omdat het zich volgens hem ten onrechte niet op het verschoningsrecht beroept. Subsidiair is verzocht de beslissing aan te houden in afwachting van nadere informatie of van de tuchtprocedure. Het Openbaar Ministerie heeft verzocht de klager niet-ontvankelijk te verklaren, omdat hij geen verschoningsgerechtigde is en het kantoor als verschoningsgerechtigde geen klaagschrift heeft ingediend.
De rechtbank heeft het klaagschrift niet-ontvankelijk verklaard. Zij heeft geoordeeld dat de samenwerkingsovereenkomst onder het verschoningsrecht van het advocatenkantoor valt als opsteller daarvan, en dat de klager en de medeklaagster geen verschoningsgerechtigden zijn. Gelet op hun positie als verdachten heeft de rechtbank de klager als belanghebbende aangemerkt en onderzocht of de verschoningsgerechtigde op de hoogte is gesteld van het voornemen tot vrijgave. Uit de overgelegde stukken volgt dat de rechter-commissaris de klager op 22 januari 2025 heeft bericht dat de beschikking van 11 december 2024 ook naar de gemachtigde van het kantoor is gestuurd en dat er contact is geweest met het kantoor. Omdat het kantoor geen klaagschrift heeft ingediend en niet is gebleken dat het zich op zijn verschoningsrecht heeft beroepen, heeft de rechtbank de klager niet-ontvankelijk verklaard.
Cassatiemiddelen
De cassatiemiddelen keren zich tegen de niet-ontvankelijkverklaring door de rechtbank van het namens de klager ingediende klaagschrift. Namens de klager is daarbij aangevoerd dat hij als belanghebbende ontvankelijk moet worden geacht, dat de overeenkomst onder het verschoningsrecht van het advocatenkantoor valt, dat het kantoor zich daarop ten onrechte niet heeft beroepen, dat de klager mede daarom een tuchtprocedure tegen het kantoor heeft aangespannen en dat de rechtbank de uitkomst daarvan had moeten afwachten. Ook is aangevoerd dat de beschikking van de rechter-commissaris niet rechtsgeldig aan het kantoor is betekend.
Beoordeling Hoge Raad
De Hoge Raad zet het juridisch kader uiteen. Art. 98 Sv strekt ertoe dat bij de inbeslagneming van voorwerpen het professionele verschoningsrecht wordt gerespecteerd. De rechter-commissaris beslist of de inbeslagneming is toegestaan. Beslist hij dat de inbeslagneming is toegestaan van een geschrift waarvan een redelijk vermoeden bestaat dat het verschoningsrecht zich daarover uitstrekt, dan moet hij op grond van art. 98 lid 3 Sv de verschoningsgerechtigde meedelen dat beklag openstaat, en moet de beschikking aan de verschoningsgerechtigde worden betekend. De verschoningsgerechtigde kan binnen veertien dagen na betekening op grond van art. 552a Sv een klaagschrift indienen. Art. 98 lid 4 Sv stelt die mogelijkheid uitsluitend open voor de in art. 98 lid 1 Sv bedoelde personen met bevoegdheid tot verschoning.
Daarnaast kan een belanghebbende op grond van art. 552a Sv beklag doen tegen de inbeslagneming. Voert de beslagene of een andere belanghebbende die niet de verschoningsgerechtigde is in die procedure aan dat een geheimhouder de bevoegdheid tot verschoning kan uitoefenen, dan brengt een redelijke wetstoepassing mee dat ook dan de procedure van art. 98 Sv wordt gevolgd en de rechter-commissaris over het beroep op het verschoningsrecht beslist. In de beklagzaak van de beslagene of belanghebbende wordt het onherroepelijke oordeel in de beklagprocedure van de verschoningsgerechtigde tot uitgangspunt genomen. Dient de verschoningsgerechtigde geen klaagschrift in, of wordt zijn beroep op het verschoningsrecht ongegrond verklaard, dan moet het klaagschrift van de beslagene of belanghebbende niet-ontvankelijk worden verklaard voor zover het de klachten over het verschoningsrecht betreft. De Hoge Raad verwijst hierbij naar HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3076 en HR 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1343.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de klager geen verschoningsgerechtigde is als bedoeld in art. 98 lid 1 Sv. Daarom staat voor hem niet de mogelijkheid open tot het indienen van een klaagschrift als bedoeld in art. 98 lid 4 Sv tegen de beschikking van de rechter-commissaris, en heeft de rechtbank hem op die grond terecht niet-ontvankelijk verklaard voor zover het klaagschrift zich tegen die beschikking richt.
Omdat uit de inhoud van het klaagschrift ook kan worden afgeleid dat het beklag zich richt tegen het gebruik van de samenwerkingsovereenkomst, op de grond dat niet de juiste procedure is gevolgd, moet de rechter het beklag mede opvatten als beklag op grond van art. 552a Sv tegen de inbeslagneming, zoals de rechtbank kennelijk heeft gedaan. Er moet immers van worden uitgegaan dat de klager het rechtsmiddel heeft willen instellen dat openstond tegen het gebruik van de overeenkomst. De Hoge Raad verwijst hierbij naar HR 15 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:578.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de overeenkomst onder het verschoningsrecht van het advocatenkantoor valt, dat de rechter-commissaris de klager heeft bericht dat zijn beschikking naar de gemachtigde van het kantoor is gestuurd en dat er contact is geweest, en dat het kantoor geen klaagschrift heeft ingediend en zich niet op het verschoningsrecht heeft beroepen. Daaruit volgt dat het kantoor, als verschoningsgerechtigde, geen klaagschrift als bedoeld in art. 98 lid 4 Sv heeft ingediend. De rechtbank heeft daarom terecht het klaagschrift niet-ontvankelijk verklaard voor zover dat tegen de inbeslagneming is gericht.
Daaraan doet niet af dat de beschikking van de rechter-commissaris niet rechtsgeldig aan het kantoor is betekend. Uit de vaststellingen volgt namelijk dat het kantoor van de beschikking op de hoogte is gesteld, terwijl de klager zelf heeft gesteld dat de verschoningsgerechtigde geen beroep doet op het verschoningsrecht en daarom geen klaagschrift heeft ingediend. Ook de omstandigheden dat het kantoor zich volgens de klager ten onrechte niet op het verschoningsrecht heeft beroepen, dat de klager mede daarom een tuchtprocedure tegen het kantoor heeft aangespannen en dat de rechtbank de uitkomst daarvan niet heeft afgewacht, leiden niet tot een andere uitkomst. Het is aan de geheimhouder zelf om te beslissen of een beroep op het verschoningsrecht wordt gedaan, waarbij de Hoge Raad verwijst naar HR 1 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9066. De rechtbank was niet gehouden de uitkomst van de tuchtprocedure af te wachten.
De cassatiemiddelen zijn daarom tevergeefs voorgesteld, wat meebrengt dat de Hoge Raad het cassatieberoep van de klager niet in behandeling kan nemen, met verwijzing naar HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:312. In de samenhangende zaak 25/03512 B, ECLI:NL:HR:2026:1008, betreffende de medeklaagster als rechtspersoon, oordeelt de Hoge Raad op dezelfde dag dat de middelen eveneens tevergeefs zijn voorgesteld, om de in deze beschikking vermelde redenen.
Beslissing van de Hoge Raad
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk. In de samenhangende zaak 25/03512 B verklaart de Hoge Raad het beroep eveneens niet-ontvankelijk.
Lees hier de volledige uitspraken:
