Hoge Raad vernietigt veroordeling voor feitelijk leidinggeven aan schuldwitwassen door rechtspersonen wegens gedeeltelijke verjaring

Hoge Raad 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1624

De Hoge Raad vernietigt de veroordeling van een verdachte die door het gerechtshof Amsterdam is veroordeeld wegens feitelijk leidinggeven aan schuldwitwassen door een rechtspersoon, meermalen gepleegd. Het vierde cassatiemiddel klaagt dat het recht tot strafvordering voor dit feit gedeeltelijk door verjaring is vervallen. Op schuldwitwassen staat tot 1 januari 2015 een gevangenisstraf van een jaar en sindsdien een gevangenisstraf van twee jaren. Op grond van artikel 70 lid 1 onder 2° in samenhang met artikel 72 lid 2 Sr beloopt de verjaringstermijn in dit geval ten hoogste twee maal zes jaren. Het recht tot strafvordering is daardoor vervallen voor zover het feit de periode vóór 6 oktober 2014 betreft, en het Openbaar Ministerie wordt in zoverre niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam voor een nieuwe berechting van het onder 2 tenlastegelegde.

Achtergrond

De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1968. Het gerechtshof Amsterdam veroordeelt hem op 27 november 2023 wegens feitelijk leidinggeven aan het door een rechtspersoon begaan van schuldwitwassen, meermalen gepleegd, artikel 420quater lid 1 onder b Sr in samenhang met de artikelen 47 en 51 Sr. Volgens de conclusie van de advocaat-generaal legt het hof een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaren op en een taakstraf van 120 uren, subsidiair zestig dagen hechtenis. Van het onder 1 tenlastegelegde wordt de verdachte vrijgesproken.

Onder 2 primair is tenlastegelegd dat de verdachte opdracht geeft of feitelijk leiding geeft aan het witwassen door twee besloten vennootschappen: door het eerste bedrijf van geldbedragen tot in totaal € 500.000 in de periode van 15 december 2011 tot en met 1 november 2016, en door het tweede bedrijf van geldbedragen tot in totaal € 250.000 in de periode van 21 augustus 2012 tot en met 1 november 2016. Het hof verklaart het onder 2 primair, impliciet subsidiair, tenlastegelegde bewezen, de schuldvariant, en spreekt de verdachte vrij van het overige onder 2 primair tenlastegelegde. Er is samenhang met zaak 23/04688.

Cassatiemiddelen

Namens de verdachte stelt advocaat J. Kuijper vier cassatiemiddelen voor. Het vierde middel voert aan dat het recht tot strafvordering voor het onder 2 primair, impliciet subsidiair, tenlastegelegde feitelijk leidinggeven aan schuldwitwassen door verjaring geheel of gedeeltelijk is vervallen. De inhoud van het eerste tot en met het derde middel blijkt niet uit de uitspraak. De advocaat-generaal Van Wees concludeert tot vernietiging wat betreft de beslissingen over het onder 2 primair, impliciet subsidiair, tenlastegelegde en de strafoplegging, en tot terugwijzing naar het gerechtshof Amsterdam. De raadsvrouw reageert daarop schriftelijk.

Beoordeling Hoge Raad

Volgens de akte is het beroep niet gericht tegen onder meer de onderdelen van het onder 2 primair, impliciet subsidiair, tenlastegelegde waarvan de verdachte is vrijgesproken en tegen de beslissing over de vordering van de benadeelde partij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. De Hoge Raad gaat aan die beperkingen voorbij om de reden uiteengezet in HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1610. Voor zover de akte vermeldt dat het beroep niet is gericht tegen een vrijspraak van het onder 2 primair, cumulatief, tenlastegelegde ten aanzien van het tweede bedrijf, is sprake van een misslag, omdat het hof van dat feit niet heeft vrijgesproken.

Over het vierde middel overweegt de Hoge Raad in rechtsoverweging 2.3.1 dat op schuldwitwassen tot de inwerkingtreding per 1 januari 2015 van de Wet verruiming mogelijkheden bestrijding financieel-economische criminaliteit, Stb. 2014, 445, een gevangenisstraf van een jaar is gesteld en sindsdien een gevangenisstraf van twee jaren. In rechtsoverweging 2.3.3 stelt hij vast dat de verjaringstermijn op grond van artikel 70 lid 1, aanhef en onder 2°, in samenhang met artikel 72 lid 2 Sr in dit geval ten hoogste twee maal zes jaren beloopt. Op de datum van het arrest is het recht tot strafvordering daarom vervallen voor zover het feit de periode vóór 6 oktober 2014 betreft. Het middel slaagt. Gelet op die beslissing bespreekt de Hoge Raad de overige middelen niet.

Beslissing van de Hoge Raad

De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof wat betreft de beslissingen over het onder 2 tenlastegelegde, met inbegrip van de strafoplegging, met uitzondering van de vrijspraak van het onder 2 primair, impliciet primair, tenlastegelegde feitelijk leidinggeven aan opzetwitwassen. Hij verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van het onder 2 primair, impliciet subsidiair, tenlastegelegde voor zover het de periode vóór 6 oktober 2014 betreft, en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam opdat het onder 2 tenlastegelegde opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^