Hoge Raad over de toetsbaarheid van deskundigenbewijs

Hoge Raad 7 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1195

De Hoge Raad vernietigt een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een zaak over de voorbereiding van het teweegbrengen van een ontploffing. Het hof wijst een verzoek van de verdediging af om een NFI-rapport aan te vullen met de onderzoeksopzet en de resultaten van een eerder NFI-experiment. Dat experiment vormt de basis waarop de NFI-deskundige zijn hypothesen toetst. Het hof legt aan de afwijzing uitsluitend ten grondslag dat uit de onderbouwing van het verzoek niet blijkt dat de onderzoeksmethode of de resultaten worden betwist. Volgens de Hoge Raad is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk, gelet op het recht van de verdachte op grond van artikel 6 EVRM om de betrouwbaarheid van een belastende deskundigenverklaring te laten onderzoeken. De zaak wordt teruggewezen naar het hof.

Achtergrond

De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 2000. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeelt hem bij arrest van 22 april 2024 wegens de voorbereiding van het in artikel 157 onder 1 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf, het teweegbrengen van een ontploffing, strafbaar gesteld via artikel 46 Sr. In eerste aanleg volgt vrijspraak. Welke straf het hof oplegt, blijkt niet uit de uitspraak.

Bewezen is verklaard dat de verdachte op 20 november 2022 omstreeks 22.20 uur voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad die bestemd waren tot het begaan van dat misdrijf: verpakkingen met nieuwe regenkleding, een breekijzer, meerdere paren nieuwe werkhandschoenen, hoofdlampjes, bivakmutsen, twee nieuwe 9-voltbatterijen en meerdere zwarte pakketten met explosieve stoffen met daaraan bevestigd elektriciteitsdraad.

De politie geeft die avond op de A12 een als taxi ingerichte auto een stopteken. De verdachte is de enige inzittende. In de kofferruimte ligt een tas met drie met tape omwikkelde zwarte pakketten, voorzien van dubbelzijdige bevestigingstape en elektriciteitsdraad. De Explosieven Opruimingsdienst brengt de pakketten gecontroleerd tot ontploffing. Het NFI onderzoekt grondmonsters van voor en na die ontploffing en rapporteert daarover op 10 maart 2023 en op 14 november 2023.

In het tweede rapport stelt de NFI-deskundige een set van drie hypothesen op over de inhoud van de pakketten. Bij de toetsing daarvan betrekt hij een eerder door het NFI uitgevoerd experiment, waarbij een met tape omwikkeld pakket met uitsluitend kaliumperchloraat op vergelijkbare wijze tot ontploffing is gebracht en de grondmonsters van voor en na dat experiment met IC-S/UV zijn geanalyseerd. Op grond van de vergelijking met dat sporenbeeld verwerpt de deskundige de hypothese dat de pakketten wel kaliumperchloraat maar geen brandstof bevatten. Het door IC-S/UV verkregen ionenbeeld acht hij veel waarschijnlijker wanneer de pakketten een explosief mengsel van kaliumperchloraat en een brandstof bevatten dan wanneer zij alleen kaliumchloride bevatten.

De raadsman bepleit vrijspraak en voert aan dat niet kan worden vastgesteld dat de pakketten explosieven bevatten, omdat geen brandstof is vastgesteld en kaliumperchloraat op zichzelf niet explosief is. Voor het geval het hof de in het tweede NFI-rapport opgestelde hypothesen als bewijsmiddel gebruikt, verzoekt hij om aanvulling van dat rapport met de volledige onderzoeksopzet en de resultaten van het daarin genoemde experiment. Hij voert daartoe aan dat dat experiment de basis vormt waarop de deskundige zijn hypothesen toetst, dat een eventuele bias voor de verdediging niet kenbaar en niet controleerbaar is, en dat hij aan de hand van die gegevens vragen wil formuleren voor een eigen deskundige. De advocaat-generaal verzet zich gemotiveerd tegen toewijzing en acht het gevraagde aanvullende onderzoek niet noodzakelijk.

Het hof beoordeelt het verzoek aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium en wijst het af. Het overweegt daartoe dat, gelet op de onderbouwing van het verzoek, waaruit geen inzicht blijkt dat de gebezigde onderzoeksmethode of de resultaten van het onderzoek door de verdediging worden betwist, van de noodzaak van het verzoek niet is gebleken.

Cassatiemiddelen

Namens de verdachte stelt advocaat J. Kuijper twee cassatiemiddelen voor.

Het eerste middel komt op tegen de afwijzing door het hof van het verzoek om aanvulling van het NFI-rapport van 14 november 2023 met de volledige onderzoeksopzet en de resultaten van het in dat rapport genoemde experiment van het NFI.

Wat het tweede middel inhoudt, blijkt niet uit de uitspraak.

Advocaat-generaal D.J.C. Aben concludeert tot verwerping van het beroep.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad stelt in rechtsoverweging 2.3.2 vast dat het op de terechtzitting in hoger beroep gedane verzoek, dat neerkomt op een verzoek tot het zo nodig op schrift stellen en aan de processtukken toevoegen van de door de verdediging genoemde gegevens over het eerdere experiment, een verzoek is als bedoeld in artikel 328 in samenhang met artikel 331 en 315 lid 1 Sv. Maatstaf voor de beoordeling is of de noodzaak daarvan is gebleken.

In rechtsoverweging 2.3.3 overweegt de Hoge Raad dat de rechter in een geval als dit, waarin het verzoek van de verdediging verband houdt met de mogelijkheid om de resultaten van door een deskundige verricht onderzoek te laten onderzoeken, acht moet slaan op het volgende. De verdachte heeft op grond van artikel 6 EVRM het recht in de gelegenheid te worden gesteld om de truthfulness and reliability, de betrouwbaarheid, van een door een deskundige afgelegde verklaring te laten onderzoeken. Daaronder kan ook worden begrepen een door de deskundige uitgebracht schriftelijk verslag dat in het dossier is gevoegd, als dat verslag een voor de verdachte belastende strekking heeft. In dit opzicht bestaat er geen verschil met het recht dat de verdachte op grond van artikel 6 EVRM toekomt in relatie tot getuigenverklaringen, to test the truthfulness and reliability of evidence provided by witnesses which incriminates him or her. Dat betekent dat, als de verdachte kenbaar maakt dat hij de betrouwbaarheid van een belastende deskundigenverklaring wil laten onderzoeken, van de verdediging in beginsel geen nadere onderbouwing van het belang bij zo'n onderzoek mag worden verlangd. De Hoge Raad verwijst daarbij naar HR 18 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1711, rechtsoverweging 2.3.3.

In rechtsoverweging 2.4 oordeelt de Hoge Raad dat het hof aan de afwijzing uitsluitend ten grondslag heeft gelegd dat uit de onderbouwing van het verzoek niet blijkt dat de gebruikte onderzoeksmethode of de resultaten van het onderzoek door de verdediging worden betwist. Dat oordeel is niet zonder meer begrijpelijk, nu de verdediging naar voren heeft gebracht dat de gegevens over het eerdere NFI-experiment nodig zijn om de door haar betwiste resultaten van het NFI-onderzoek te kunnen controleren en te laten beoordelen door een eigen deskundige.

Het eerste cassatiemiddel slaagt. Gelet op de beslissing die daarop volgt, acht de Hoge Raad bespreking van het tweede cassatiemiddel niet nodig.

Beslissing van de Hoge Raad

De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^