Hoge Raad over de inzet van een lokportemonnee
/Hoge Raad 14 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1220
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van een verdachte die is veroordeeld voor het medeplegen van diefstal van een lokportemonnee. De verdediging voert aan dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, subsidiair dat het bewijs moet worden uitgesloten, omdat de politie het lokmiddel onrechtmatig heeft ingezet en zo het Tallon-criterium heeft geschonden. Voor de rechtmatige inzet van een lokportemonnee is onder meer vereist dat de verdachte niet is gebracht tot andere handelingen dan die waarop zijn opzet tevoren al was gericht. Dat een portemonnee met zichtbaar geld een verdachte op het idee kan brengen om deze weg te nemen, betekent niet dat zijn opzet niet al op diefstal was gericht. Het hof stelt vast dat de verbalisanten het lokmiddel pas inzetten nadat zij hadden waargenomen dat de verdachte en de medeverdachte mogelijk vermogensdelicten wilden plegen. De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is, en verwerpt het beroep.
Achtergrond
De verdachte is een natuurlijk persoon. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, veroordeelt de verdachte bij arrest van 4 juli 2024 (parketnummer 21-000963-22) wegens diefstal door twee of meer verenigde personen (art. 311 lid 1 sub 4 Sr) tot een gevangenisstraf van 90 dagen, waarvan 41 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van het voorarrest. In plaats van de tenuitvoerlegging van eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen in de zaken met parketnummers 16-200646-17 en 21-004728-19 beveelt het hof een taakstraf van respectievelijk 90 uren en 120 uren.
Bewezenverklaard is dat de verdachte op 19 februari 2022 samen met een ander een portemonnee met inhoud, toebehorend aan de politie (Landelijke Eenheid), heeft weggenomen met het oogmerk zich deze wederrechtelijk toe te eigenen. Verbalisanten nemen de verdachte en de medeverdachte bij een supermarkt waar. Nadat zij constateren dat de medeverdachte uit een prullenbak weggegooide kassabonnen pakt en daarmee in gezelschap van de verdachte de winkel inloopt, gaan zij ervan uit dat beiden mogelijk vermogensdelicten willen plegen. De verbalisanten plaatsen vervolgens een koffer met daarop een tas, met in een zijvak van die tas een duidelijk zichtbare portemonnee waaruit iets (geld) steekt. De verdachte en de medeverdachte nemen die portemonnee weg.
Cassatiemiddel
Het cassatiemiddel is gericht tegen de verwerping door het hof van het verweer dat de verdachte door de inzet van de lokportemonnee is gebracht tot andere handelingen dan die waarop zijn opzet tevoren al was gericht. De verdediging bepleit primair niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging en subsidiair bewijsuitsluiting, telkens wegens schending van het Tallon-criterium. Volgens de verdediging is de lokportemonnee zo geplaatst dat zichtbaar geld uit de portemonnee stak, waardoor het lokmiddel niet in het normale straatbeeld paste. De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige concludeert tot verwerping van het beroep.
Beoordeling Hoge Raad
De Hoge Raad stelt voorop dat voor de rechtmatige inzet van een voorwerp zoals een lokportemonnee, om personen die zich schuldig maken aan diefstal op heterdaad te kunnen betrappen, onder meer is vereist dat de verdachte door de inzet van het voorwerp niet is gebracht tot andere handelingen dan die waarop zijn opzet tevoren al was gericht (HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:62). Daarbij is van belang dat de mogelijkheid dat het voorwerp de verdachte op het idee heeft gebracht om het weg te nemen, niet betekent dat zijn opzet niet al was gericht op de diefstal van zo'n voorwerp (HR 12 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:149).
Uit de vaststellingen van het hof volgt dat de verbalisanten de koffer met de tas en de duidelijk zichtbare portemonnee pas plaatsen nadat zij de verdachte en de medeverdachte bij de supermarkt hebben waargenomen en hebben geconstateerd dat zij mogelijk vermogensdelicten willen begaan. De verdachte en de medeverdachte nemen die portemonnee vervolgens weg. Het oordeel van het hof dat de verdachte met het onder deze omstandigheden en op deze manier inzetten van de lokportemonnee niet is gebracht tot andere handelingen dan die waarop zijn opzet tevoren al was gericht, getuigt in het licht van het voorgaande niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Het cassatiemiddel faalt.
Beslissing van de Hoge Raad
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
