Conclusies over verschoningsrecht niet-verdachte notarissen bij beslag onder voormalig notarieel medewerker

Advocaat-generaal P.T.C. van Kampen heeft op 7 juli 2026 conclusie genomen in twee samenhangende cassatiezaken over beslag op digitale gegevensdragers in een strafrechtelijk onderzoek in het notariaat. Het gaat om de zaken met nummers 25/02404 en 25/04731, gepubliceerd als ECLI:NL:PHR:2026:707 en ECLI:NL:PHR:2026:708. In beide zaken is cassatieberoep ingesteld door het openbaar ministerie tegen beschikkingen van de rechtbank Amsterdam van 17 juni 2025, waarin het beklag van twee klagers op grond van artikel 98 lid 4 Sv in verbinding met artikel 552a Sv voor een groot deel gegrond werd verklaard. De juridische kern is de vraag of zich ten aanzien van een niet-verdachte notaris zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen die doorbreking van diens verschoningsrecht kunnen rechtvaardigen. Het betreft de tweede cassatieronde: op 24 september 2024 vernietigde de Hoge Raad in ECLI:NL:HR:2024:1290 en ECLI:NL:HR:2024:1291 eerdere beschikkingen van diezelfde rechtbank en wees de zaken terug. De advocaat-generaal concludeert nu tot verwerping van het beroep van het openbaar ministerie en tot niet-ontvankelijkverklaring van de klagers in hun eigen beroep, omdat namens hen geen schriftuur met cassatiemiddelen is ingediend.

Het onderliggende onderzoek

Begin 2021 is een strafrechtelijk onderzoek gestart tegen een notaris en zijn kantoor. Ook een voormalig juridisch medewerker van dat kantoor is als verdachte aangemerkt. De verdenking ziet op overtreding van artikel 16 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme in de periode van 1 januari 2015 tot en met 12 oktober 2022 en op witwassen. Volgens de beschikking van de rechtbank gaat het om 59 transacties die niet bij de Financial Intelligence Unit zijn gemeld, terwijl wordt vermoed dat dat wel had gemoeten, en om 350 transacties ter waarde van tientallen miljoenen euro's die in een periode van zes jaar via de derdengeldenrekening van het kantoor zijn verricht, waarbij acht personen met criminele antecedenten betrokken zouden zijn geweest. In de loop van het onderzoek is daar de verdenking bij gekomen dat de verdachten zich schuldig hebben gemaakt aan het maken van een gewoonte van (schuld)witwassen als bedoeld in de artikelen 420bis, 420ter en 420quater Sr, door het opmaken van hypotheek- en leveringsakten die de herkomst van gelden en geldstromen van personen met criminele antecedenten zouden hebben verhuld.

Op 19 mei 2022 zijn in de woning van de voormalige medewerker gegevensdragers in beslag genomen. Die gegevensdragers zijn doorzocht en gefilterd op de namen van de panden waarop de verdenking betrekking heeft en op de namen van de betrokken personen en hun ondernemingen. Die filtering leverde in totaal 6003 documenten en artefacten op. Daaronder bevindt zich een groot aantal bestanden waarin de namen van derde-verschoningsgerechtigden voorkomen: twee oud-notarissen met respectievelijk 598 en 403 bestanden, en een andere notaris met 2176 bestanden. Op 9 juni 2023 besliste de rechter-commissaris dat de officier van justitie van alle 6003 documenten en artefacten mocht kennisnemen.

De eerste cassatieronde

De rechtbank verklaarde het beklag van beide klagers op 30 januari 2024 ongegrond. Zij nam daarbij tot uitgangspunt dat de eerder aangenomen zeer uitzonderlijke omstandigheden die doorbreking van het verschoningsrecht van de verdachte notaris en zijn kantoor rechtvaardigden, tevens de doorbreking van het verschoningsrecht van de derde-verschoningsgerechtigden rechtvaardigden.

De Hoge Raad vernietigde die beschikkingen op 24 september 2024. Aan het oordeel van de rechtbank was uitsluitend ten grondslag gelegd dat eerder was geoordeeld dat het verschoningsrecht van de verdachte notaris mocht worden doorbroken. De rechtbank had volgens de Hoge Raad blijk moeten geven te hebben onderzocht, mede aan de hand van de aard en de inhoud van het materiaal waarover het verschoningsrecht van de klager zich uitstrekt en de mate waarin de belangen van de betrokken cliënten worden geschaad, of ook specifiek in relatie tot het verschoningsrecht van die klager sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden. Doorbreking van het verschoningsrecht van de ene verschoningsgerechtigde kan niet automatisch leiden tot doorbreking van het verschoningsrecht van een ander.

De procedure na terugwijzing

Na terugwijzing gaf de rechtbank op 18 februari 2025 een tussenbeslissing. De rechter-commissaris kreeg opdracht de klagers in de gelegenheid te stellen kennis te nemen van Excel-overzichten en, indien nodig, van de onderliggende stukken, en aan te geven op welke stukken zij zich op hun verschoningsrecht beroepen en welke belangen van cliënten daarmee gemoeid zijn. Het openbaar ministerie werd opgedragen een geheimhouderofficier van justitie aan te wijzen. Die is op 13 maart 2025 aangesteld en bracht op 19 maart 2025 een voorlopig standpunt uit. Daarin schreef de geheimhouderofficier dat het gaat om documenten van uiteenlopende aard, zoals overeenkomsten, akten, volmachten en werklijsten, die teruggaan tot het jaar 2003, en dat alle documenten treffers hebben op panden met verdachte transacties of op namen van betrokken personen met criminele antecedenten en hun ondernemingen. De geheimhouderofficier zag geen reden om het beslag op voorhand te beperken.

De raadslieden van de klagers reageerden daarop dat het standpunt geen blijk geeft van een concreet onderzoek aan de hand van de aard en de inhoud van het verschoningsgerechtigde materiaal, en dat niet is getoetst of stukken uit openbare bronnen zoals openbare registers of het Kadaster kunnen worden gehaald. In april en mei 2025 hebben de klagers en hun raadslieden de onderliggende stukken kunnen inzien. Op 26 mei 2025 hebben zij een schriftelijk standpunt ingediend waarin per stuk of per categorie stukken is gespecificeerd of deze onder het verschoningsrecht vallen en welke belangen van cliënten daarbij betrokken zijn. Het beklag is op 3 juni 2025 in openbare raadkamer behandeld.

Het oordeel van de rechtbank van 17 juni 2025

De rechtbank stelde voorop dat het op grond van artikel 98 lid 1 Sv eerst aan de rechter-commissaris is om te beslissen over het beroep op het verschoningsrecht, dat de verschoningsgerechtigde in staat moet worden gesteld zich uit te laten over de vraag of stukken of gegevens onder het verschoningsrecht vallen, en dat diens standpunt moet worden gerespecteerd tenzij daarover redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan dat het onjuist is. In deze zaak was de rechter-commissaris er op voorhand van uitgegaan dat de klagers zich op hun verschoningsrecht wilden beroepen en heeft zij hen niet in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten.

De rechtbank onderzocht vervolgens of de stukken onder het verschoningsrecht vallen en, daarna, of doorbreking daarvan gerechtvaardigd is wegens zeer uitzonderlijke omstandigheden. Zij overwoog dat voor het oordeel dat van zulke omstandigheden sprake is zware motiveringseisen gelden, onder verwijzing naar HR 30 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5665. De rechtbank beantwoordde de vraag ontkennend. Van belang achtte zij dat het in deze zaken gaat om een niet-verdachte klager en dat de datering van veel stukken buiten de periode valt waarop de verdenking ziet. Naar het oordeel van de rechtbank had de geheimhouderofficier specifiek moeten aanduiden wat de directe link tussen deze stukken en de verdenking is, hetgeen niet is gebeurd. Daardoor kon de rechtbank niet vaststellen dat sprake is van een zodanig verband tussen de in beslag genomen stukken en de verdenking dat een inbreuk op het verschoningsrecht noodzakelijk is, en evenmin dat de relevante gegevens niet op andere wijze kunnen worden verkregen, waarbij zij erop wees dat een aantal documenten ziet op gegevens van de Kamer van Koophandel en het Kadaster. Het enkele feit dat een stuk waarop het verschoningsrecht van toepassing is relevant kan zijn voor de waarheidsvinding, is volgens de rechtbank onvoldoende om een uitzondering op de hoofdregel te maken.

Het juridische kader in de conclusies

De advocaat-generaal zet in beide conclusies hetzelfde kader uiteen. Op de notaris rust een geheimhoudingsplicht en een daarmee samenhangend verschoningsrecht; op grond van artikel 218 Sv kan hij zich verschonen over hetgeen waarvan de wetenschap aan hem als zodanig is toevertrouwd. In het Notaris Maas-arrest van 1 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9066, overwoog de Hoge Raad dat aan het verschoningsrecht het algemene rechtsbeginsel ten grondslag ligt dat bij zodanige vertrouwenspersonen het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het besprokene om bijstand en advies tot hen moet kunnen wenden.

Het verschoningsrecht komt primair toe aan de verschoningsgerechtigde zelf; meent hij dat een stuk daaronder valt, dan dient dat standpunt in beginsel te worden geëerbiedigd, tenzij daarover redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan dat het onjuist is. Stukken die wel onder het verschoningsrecht vallen kunnen zonder toestemming alleen in beslag worden genomen als zich zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen die maken dat het belang van de waarheidsvinding zwaarder weegt. In het arrest van 24 september 2024 formuleerde de Hoge Raad voor het verschoningsrecht van een advocaat of notaris voor het eerst de gezichtspunten die daarbij van belang zijn: de aard en de ernst van het strafbare feit waarvan het vermoeden bestaat dat het is begaan, de aard en de inhoud van het materiaal waarover het verschoningsrecht zich uitstrekt in verband met het belang dat door het verschoningsrecht wordt gediend, de mate waarin de betrokken belangen van de cliënt worden geschaad als het verschoningsrecht wordt doorbroken, en de omstandigheid dat de gegevens niet op een andere manier kunnen worden verkregen.

Daarnaast dient de rechter te beoordelen of de stukken redelijkerwijs in een zodanig direct verband staan met het strafbare feit dat deze gegevens kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen. De advocaat-generaal beschrijft dat criterium als een veiligheidsklep in het toetsingskader van de Hoge Raad, die voorkomt dat het verschoningsrecht onnodig wordt doorbroken; de inbreuk mag nooit verder gaan dan strikt noodzakelijk is. De omstandigheid dat de verschoningsgerechtigde zelf als verdachte is aangemerkt is op zichzelf onvoldoende voor doorbreking, maar volgens de advocaat-generaal is het ontbreken van een verdenking in dit verband wel een zeer relevante omstandigheid. Zij merkt op dat de gevallen waarin doorbreking werd aanvaard ten aanzien van een verschoningsgerechtigde tegen wie geen verdenking bestaat zich tot nu toe in de rechtspraak beperkten tot het medische verschoningsrecht, en dat doorbreking van het verschoningsrecht van een niet-verdachte advocaat of notaris nog zonder precedent is.

De bespreking van de middelen over de zeer uitzonderlijke omstandigheden

Het openbaar ministerie klaagt in beide zaken dat de rechtbank de vraag naar de zeer uitzonderlijke omstandigheden mede heeft ingevuld aan de hand van een criterium dat in de kern ziet op de vraag of de stukken van belang zijn voor de waarheidsvinding. De advocaat-generaal onderschrijft dat het om twee te onderscheiden vragen gaat, maar meent dat de rechtbank die vermenging niet heeft gemaakt. De bestreden overweging moet worden gelezen in samenhang met de daaraan voorafgaande overweging dat de datering van veel stukken buiten de verdenkingsperiode valt. In zaak 25/04731 gaat het volgens de conclusie om stukken uit de periode tussen 2007 en 2012, terwijl de verdenking ziet op de periode tussen 2015 en 2022. Met de overweging dat de officier van justitie geen directe link heeft geduid, heeft de rechtbank tot uitdrukking gebracht dat het belang van de waarheidsvinding gegeven die datering onvoldoende kracht is bijgezet.

Op grond van de omstandigheid dat de klagers als verschoningsgerechtigden niet worden verdacht van enig strafbaar feit, in combinatie met de relativering van het met de stukken gediende belang van de waarheidsvinding door de datering, acht de advocaat-generaal het oordeel van de rechtbank niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Dat de rechtbank niet kenbaar in haar afweging heeft betrokken in welke mate de belangen van de betrokken cliënten worden geschaad, doet daaraan volgens haar niet af, omdat het daarbij gaat om één van de door de Hoge Raad genoemde gezichtspunten. Ook de klacht dat de rechtbank tot nader onderzoek naar de aard en de inhoud van het verschoningsgerechtigd materiaal had moeten overgaan, faalt naar het oordeel van de advocaat-generaal.

Het middel over stukken uit openbare registers

In de zaak met nummer 25/02404 heeft het openbaar ministerie een tweede middel voorgesteld. Dat richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat stukken die via het openbare register kunnen worden opgevraagd, ook onder het verschoningsrecht vallen, omdat ook ten aanzien van die stukken niet gezegd kan worden dat redelijkerwijs geen twijfel bestaat dat het standpunt van de klager onjuist is. Het gaat onder meer om akten van levering en om afschriften uit openbare registers.

De advocaat-generaal acht dat middel terecht voorgesteld. Uit HR 25 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:456, leidt zij af dat een verschoningsgerechtigde geen beroep op zijn verschoningsrecht toekomt ten aanzien van gegevens die openbaar zijn geworden en daarmee in zoverre hun vertrouwelijke karakter hebben verloren. Dat geldt volgens haar ook voor gegevens die al van meet af aan openbaar zijn doordat zij via het openbare register van het Kadaster of de Kamer van Koophandel door een ieder kunnen worden opgevraagd. Het oordeel van de rechtbank getuigt in zoverre van een onjuiste rechtsopvatting.

Tot cassatie hoeft dat volgens de conclusie niet te leiden. Nu het volgens de rechtbank gaat om stukken die via openbare registers kunnen worden opgevraagd en dus om openbare gegevens, ziet de advocaat-generaal onvoldoende reden om de zaak op dit punt terug te wijzen, omdat niets eraan in de weg staat dat het openbaar ministerie langs die openbare weg de beschikking krijgt over die stukken.

Afsluiting

Beide conclusies strekken tot niet-ontvankelijkverklaring van de klagers in hun eigen cassatieberoep en tot verwerping van het beroep van het openbaar ministerie. Ambtshalve heeft de advocaat-generaal geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikkingen aanleiding behoren te geven. De cassatiemiddelen zijn voorgesteld door G.K. Schoep, plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam; namens de klagers zijn schrifturen houdende tegenspraak ingediend door mr. Van der Hut en mr. R. Croes-Hoogendoorn. De Hoge Raad heeft in deze tweede cassatieronde nog geen arrest gewezen. Een conclusie van het Parket bij de Hoge Raad is een onafhankelijk advies waaraan de Hoge Raad niet gebonden is.

Klik hier voor de volledige conclusies: ECLI:NL:PHR:2026:707 en ECLI:NL:PHR:2026:708.

Print Friendly and PDF ^