Hoge Raad herhaalt de eisen aan de vaststelling van voldoende aanwijzingen voor andere strafbare feiten bij ontneming
/Hoge Raad 22 september 2026, ECLI:NL:HR:2026:1504
De Hoge Raad herhaalt in een ontnemingszaak over hennepteelt de eisen die gelden voor de vaststelling dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene andere strafbare feiten heeft begaan als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr. Uit HR 29 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1523 volgt dat dit oordeel in overeenstemming moet zijn met de onschuldpresumptie en dat de rechter voldoende aanwijzingen alleen mag aannemen als buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de betrokkene die andere feiten heeft begaan. Uit HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1498 volgt dat uit de uitspraak moet blijken aan welke feiten en omstandigheden de rechter die aanwijzingen heeft ontleend. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden neemt aan dat de betrokkene, die in de strafzaak is veroordeeld voor het medeplegen van bedrijfsmatige hennepteelt op 6 juli 2017, minimaal één eerdere oogst heeft gehad en legt op die grondslag een betalingsverplichting op. Voldoende aanwijzingen voor die eerdere oogst kunnen echter niet zonder meer uit de door het hof in aanmerking genomen feiten en omstandigheden worden afgeleid, zodat het oordeel ontoereikend is gemotiveerd en vernietiging en terugwijzing volgen.
Achtergrond
De betrokkene is een natuurlijk persoon, geboren in 1983. Het betreft een ontnemingszaak. In de samenhangende strafzaak veroordeelt het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de betrokkene bij arrest van 31 januari 2025 wegens het medeplegen van het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, kort gezegd het medeplegen van bedrijfsmatige hennepteelt op 6 juli 2017. De in de strafzaak opgelegde straf blijkt niet uit de uitspraak, evenmin als het procesverloop in eerste aanleg. De zaak hangt samen met de zaak met nummer 25/00350.
In de ontnemingszaak oordeelt het hof bij uitspraak van 31 januari 2025 dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene ook voordeel heeft genoten uit andere strafbare feiten in de zin van artikel 36e lid 2 Sr, te weten het telen van hennep voorafgaand aan de bewezenverklaarde datum. Het hof gaat uit van minimaal één voltooide eerdere oogst en baseert de schatting op het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 4 oktober 2018, dat op zijn beurt gebruikmaakt van de normen uit het rapport van het Functioneel Parket Afpakken voor binnenteelt onder kunstlicht. De verdediging voert tegen die berekening geen verweer. Het rapport berekent per kweekruimte de opbrengst van een oogst op basis van het aantal aangetroffen planten, een normopbrengst per plant en een minimale verkoopprijs van € 4.070 per kilogram, en gaat voor elke kweekruimte uit van één eerder gerealiseerde oogst bij een gemiddelde kweekcyclus van tien weken. Een medebetrokkene verklaart bij de politie dat hij het pand in opdracht van een ander dan de betrokkene huurt en dat per oogst € 5.000 van zijn schuld zou afgaan. Het hof neemt aan dat naast de betrokkene en deze medebetrokkene ten minste één andere persoon bij de hennepteelt betrokken is, trekt de € 5.000 die aan de medebetrokkene toekomt af van het totale voordeel van € 54.720,51 en rekent het restant van € 49.720,51 ponds-ponds gewijs toe aan de betrokkene en één mededader. Het hof stelt de betalingsverplichting vast op € 24.860,26 en rondt dit af op € 24.860.
Cassatiemiddelen
Namens de betrokkene stelt de advocaat S.F.W. van 't Hullenaar één cassatiemiddel voor. Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat er voldoende aanwijzingen zijn dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit hennepteelt voorafgaand aan de in de strafzaak bewezenverklaarde datum. De advocaat-generaal Aben concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem.
Beoordeling Hoge Raad
De Hoge Raad herhaalt de eisen die aan de vaststelling van voldoende aanwijzingen in de zin van artikel 36e lid 2 Sr worden gesteld. In rechtsoverweging 2.3.1 stelt hij voorop dat het oordeel van de rechter dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene andere strafbare feiten heeft begaan, binnen het eigen bewijskader van de ontnemingsprocedure in overeenstemming moet zijn met de onschuldpresumptie. De rechter mag die voldoende aanwijzingen daarom niet aannemen als niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat andere strafbare feiten door de betrokkene zijn begaan. Ook moet de betrokkene de gelegenheid hebben aan te voeren dat en waarom die aanwijzingen er niet zijn. Dit volgt uit HR 29 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1523. In rechtsoverweging 2.3.2 herhaalt de Hoge Raad dat geen wettelijke bepaling voorschrijft dat de ontnemingsuitspraak de bewijsmiddelen vermeldt waarop de vaststelling van andere strafbare feiten berust, maar dat uit de uitspraak wel moet blijken aan welke feiten en omstandigheden de rechter de voldoende aanwijzingen heeft ontleend, zoals volgt uit HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1498.
Aan die eisen voldoet de bestreden uitspraak niet. Het hof oordeelt dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene naast het bewezenverklaarde feit andere strafbare feiten heeft begaan, te weten het medeplegen van het telen van hennep in de daaraan voorafgaande periode. Voldoende aanwijzingen voor het oordeel dat de betrokkene al minimaal één eerdere hennepoogst heeft gehad, kunnen echter niet zonder meer worden afgeleid uit de door het hof in aanmerking genomen feiten en omstandigheden, zoals weergegeven in de motivering van de schatting en in de gebezigde bewijsmiddelen. Het oordeel van het hof is daarom ontoereikend gemotiveerd. Het cassatiemiddel slaagt.
Beslissing van de Hoge Raad
De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Lees hier de volledige uitspraak.
