Hof veroordeelt corrupte gemeenteambtenaar in onderzoek Pos

Gerechtshof Amsterdam 7 mei 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:1273 en ECLI:NL:GHAMS:2026:1274 (ontnemingszaak)

Het gerechtshof doet uitspraak in zowel de straf- als de ontnemingszaak tegen een toezichthouder bij de gemeente Amsterdam die zich gedurende ruim vijf jaar schuldig heeft gemaakt aan passieve ambtelijke omkoping. De verdachte heeft van diverse aannemers giften ter waarde van bijna € 69.000 aangenomen en wordt daarnaast veroordeeld voor het bezit van bijna 460 gram MDMA. Het hof bevestigt een gevangenisstraf van vijf maanden, na matiging wegens overschrijding van de redelijke termijn. In de ontnemingszaak oordeelt het hof dat geen rechtsregel zich ertegen verzet de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel te baseren op zowel het tweede als het derde lid van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 143.397,80, opgebouwd uit bewezenverklaarde giften, voordeel uit andere strafbare feiten en een kasopstelling. De betalingsverplichting wordt na matiging vastgesteld op € 138.397.

Inleiding en context

De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1963, die werkzaam is geweest als toezichthouder bij de gemeente Amsterdam. In het strafrechtelijk onderzoek Pos van de Rijksrecherche staat hij terecht voor passieve ambtelijke omkoping in de periode van 1 januari 2011 tot en met 8 maart 2016 en voor het opzettelijk aanwezig hebben van bijna 460 gram MDMA. Het onderzoek vindt zijn oorsprong in meerdere anonieme meldingen bij het Team Criminele Inlichtingen in 2014 en 2015, waarin de verdachte in verband wordt gebracht met ambtelijke corruptie. Na inzet van bijzondere opsporingsmiddelen, waaronder telefoontaps, volgen op 8 maart 2016 een doorzoeking van de woning en conservatoir beslag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank Amsterdam veroordeelt de verdachte op 10 januari 2022 tot een gevangenisstraf van vijf maanden en stelt op 26 januari 2024 het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 91.779,46 met een betalingsverplichting van € 87.190,49. De verdachte stelt in beide zaken hoger beroep in; het Openbaar Ministerie doet dat in de ontnemingszaak. Het hoger beroep in de strafzaak is beperkt: de partiële vrijspraken in eerste aanleg, onder meer ten aanzien van een Mercedes, een Dodge en een hefmast Landreus, zijn niet aan het oordeel van het hof onderworpen.

Tenlastelegging en wettelijk kader

In de strafzaak wordt de verdachte verweten dat hij als ambtenaar giften heeft aangenomen, wetende dat deze hem werden gedaan ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen hij in zijn functie heeft gedaan of nagelaten dan wel zou doen of nalaten. Het gaat om passieve ambtelijke omkoping in de zin van artikel 363 van het Wetboek van Strafrecht en het opzettelijk aanwezig hebben van MDMA, een middel van lijst I bij de Opiumwet. De giften betreffen bouwmaterialen, keukenmeubelen, een Samsung televisie, een houtkachel, dakspanten, isolatiemateriaal, een ladderlift en diverse andere goederen, telkens afkomstig van aannemers die werkzaamheden voor de gemeente verrichten. De ontnemingsvordering steunt op artikel 36e Sr. Het tweede lid maakt ontneming mogelijk van voordeel uit bewezenverklaarde feiten en uit andere strafbare feiten waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan. Het derde lid biedt grondslag voor ontneming bij misdrijven die met een geldboete van de vijfde categorie worden bedreigd, indien aannemelijk is dat het misdrijf of andere feiten op enigerlei wijze hebben geleid tot wederrechtelijk voordeel; deze grondslag wordt ingevuld via een kasopstelling. Vóór 1 juli 2011 was voor toepassing van het derde lid een strafrechtelijk financieel onderzoek vereist, dat in deze zaak niet is uitgevoerd.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal vordert in de strafzaak een taakstraf voor de duur van 200 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaren. In de ontnemingszaak vordert hij ontneming van € 166.680,57, opgebouwd uit € 68.941,90 aan bewezenverklaarde giften, € 22.834,02 aan voordeel uit andere strafbare feiten en € 103.049,65 aan contante gelden, verminderd met posten van vóór 1 juli 2011. Het Openbaar Ministerie benadrukt dat bij een kasopstelling de koppeling met individuele feiten volledig wordt losgelaten en dat de overschrijding van de redelijke termijn reeds in de strafzaak wordt gecompenseerd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman bepleit primair niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wegens structureel onvolledig onderzoek, weigering van onderzoekswensen en een tijdsverloop van tien jaar dat een eerlijk proces onmogelijk maakt. Subsidiair bepleit hij vrijspraak: de verdachte zou niet in de positie hebben verkeerd om werk te gunnen en de aangedragen alternatieve verklaring zou een btw-constructie betreffen, waarbij de verdachte aannemers een btw-voordeel gunde en de goederen contant inclusief btw afrekende. Voor de strafmaat wordt toepassing van artikel 9a Sr of een voorwaardelijke (taak)straf verzocht, met een beroep op de redelijke termijn en het gelijkheidsbeginsel ten opzichte van geseponeerde medeverdachten.

In de ontnemingszaak voert de raadsman aan dat de partiële vrijspraken niet in de berekening mogen worden betrokken en dat een aanhangwagen Humbaur impliciet onder de vrijspraak van de Mercedes en de Dodge valt. Tegen de kasopstelling wordt ingebracht dat een negatieve uitkomst slechts op vermoedens berust, dat het innerlijk tegenstrijdig is om bij gebrek aan aanwijzingen voor contante betalingen in de zin van het tweede lid dezelfde betalingen wel aannemelijk te achten op grond van het derde lid en dat de onschuldpresumptie ex artikel 6 EVRM zich daartegen verzet. Het in hoger beroep voor het eerst opvoeren van nieuwe posten is volgens de raadsman in strijd met het vertrouwensbeginsel. Tot slot wordt matiging van de betalingsverplichting bepleit wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Oordeel gerecht

In de strafzaak verwerpt het hof het verweer tot niet-ontvankelijkheid. De anonieme meldingen vormen geen bewijs maar slechts aanleiding tot onderzoek; het bewijs rust bovendien niet uitsluitend op getuigenverklaringen, maar ook op facturen, e-mailberichten en telefoongesprekken. Het tijdsverloop leidt volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad niet tot niet-ontvankelijkheid; overschrijding van de redelijke termijn wordt in beginsel gecompenseerd door strafvermindering. Inhoudelijk oordeelt het hof dat de verdachte, gezien zijn feitelijke bewegingsruimte als toezichthouder, in staat is aannemers voor te dragen als contractspartij van de gemeente en invloed kan uitoefenen op de verlenging van contracten. Aannemers verklaren onafhankelijk van elkaar, en daarbij ook zichzelf belastend, dat zij giften aan de verdachte hebben gedaan in de hoop opdrachten te verkrijgen of te behouden. Het alternatieve scenario van een btw-constructie wordt slechts gevolgd voor de keukenmeubelen, de Samsung televisie en de Ytong-blokken met blokkenlijm; voor die goederen acht het hof aannemelijk dat de verdachte enkel een btw-voordeel van 21% heeft genoten.

In de ontnemingszaak stelt het hof voorop dat geen rechtsregel zich ertegen verzet de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel te baseren op zowel het tweede als het derde lid van artikel 36e Sr. Voor andere strafbare feiten, waaronder de aanhangwagen Humbaur, vier transporten naar de woning van de betrokkene in Frankrijk, de reparatie van een Mercedes en LED-strips, ziet het hof voldoende aanwijzingen, gelet op de met de bewezenverklaarde feiten vergelijkbare modus operandi. Vrijspraken in de strafzaak verhinderen niet dat een kasopstelling als grondslag voor ontneming wordt gebruikt, omdat daarbij geen relatie wordt gelegd met specifieke strafbare feiten. Een negatief saldo wijst op een onbekende inkomensbron en is geen speculatie. Het hof verwerpt het beroep op het vertrouwensbeginsel: het Openbaar Ministerie is ook in hoger beroep vrij om het ontnemingsbedrag aan te passen. Posten van vóór 1 juli 2011 worden geëlimineerd nu geen strafrechtelijk financieel onderzoek is verricht.

Bewezenverklaring

Bewezen wordt verklaard:

  • passieve ambtelijke omkoping in de periode 1 januari 2011 tot en met 8 maart 2016, bestaande uit het aannemen van diverse giften ter totale waarde van € 68.945,44, waaronder bouwmaterialen, dakspanten, een houtkachel, keukenapparatuur, isolatiemateriaal, een ladderlift en een btw-voordeel op enkele specifieke goederen;

  • het opzettelijk aanwezig hebben van bijna 460 gram MDMA.

Strafoplegging en maatregelen

Het hof legt in de strafzaak een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden op. De LOVS-oriëntatiepunten gelden als uitgangspunt: voor een benadelingsbedrag tussen € 10.000 en € 70.000 een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee tot vijf maanden of een taakstraf, en voor het bezit van 200 tot 500 gram harddrugs twee maanden gevangenisstraf, samen zeven maanden. Het lange tijdsverloop sinds het bewezenverklaarde leidt tot afwijking naar zes maanden, en de overschrijding van de redelijke termijn met drie jaar en negen maanden in eerste aanleg en bijna twee jaar en vier maanden in hoger beroep leidt tot een verdere matiging tot vijf maanden. Voor toepassing van artikel 9a Sr of een taakstraf ziet het hof, gezien de ernst van de feiten en de ambtelijke positie van de verdachte, geen aanleiding. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt afgewezen.

In de ontnemingszaak stelt het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 143.397,80, opgebouwd uit bewezenverklaarde giften (€ 68.945,44), voordeel uit andere strafbare feiten (€ 22.834,02, bestaande uit de aanhangwagen Humbaur, transporten in november 2013, maart 2014, juli 2014 en april 2015, de reparatie van een Mercedes en LED-strips) en de kasopstelling (€ 51.618,34). De redelijke termijn is in eerste aanleg met ongeveer vijf jaar en tien maanden overschreden en in hoger beroep met ruim twee maanden, hetgeen leidt tot matiging van de betalingsverplichting met € 5.000. De aan de betrokkene op te leggen betalingsverplichting bedraagt daarmee € 138.397. De duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bedraagt 1.080 dagen. De maatregel is gegrond op artikel 36e (oud) en artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Lees hier de volledige uitspraken: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1273 en https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1274.

Print Friendly and PDF ^