Hof Den Haag gelast strafvervolging voor weigering niqabdraagster in viszaak: maatschappelijk belang bij duidelijkheid over reikwijdte artikel 429quater Sr
/Gerechtshof Den Haag 2 maart 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:370
Het Gerechtshof verklaart een artikel 12 Sv-klacht gegrond en gelast de strafvervolging van een viszaakeigenaar voor beroepsmatige discriminatie wegens godsdienst. De beklaagde weigert in september 2022 een vrouw met een niqab te helpen in zijn zaak, waarna zij aangifte doet van discriminatie op grond van artikel 429quater Sr. De officier van justitie seponeert de zaak omdat een rechtvaardigingsgrond aanwezig zou zijn, maar het hof oordeelt dat voldoende aanknopingspunten bestaan voor een succesvolle strafvervolging. Het hof acht vervolging ook opportuun, omdat in de samenleving onduidelijkheid bestaat over de reikwijdte van de strafbaarstelling van beroepsmatige discriminatie in relatie tot gezichtsbedekkende kleding. De verschillende en wisselende gronden die het Openbaar Ministerie aanvoert voor de niet-vervolging bevestigen volgens het hof de noodzaak van rechterlijke oordeelsvorming. Het hof benadrukt dat een strafvervolging dient ter verduidelijking van de norm, zowel voor dit individuele geval als voor de samenleving als geheel.
Inleiding en context
Deze zaak betreft een beklagprocedure op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering. Klaagster dient op 17 juli 2023 een klaagschrift in bij het Gerechtshof Den Haag, nadat de officier van justitie te Rotterdam heeft besloten beklaagde niet te vervolgen voor discriminatie. Het achterliggende feitencomplex speelt zich af op 25 september 2022. Klaagster bezoekt op die datum de viszaak van beklaagde om kibbeling te bestellen. Zij draagt daarbij een niqab. Beklaagde maakt kenbaar dat hij klaagster niet wil helpen, omdat hij haar gezicht niet kan zien. Klaagster pakt vervolgens haar telefoon om de situatie te filmen, waarna een discussie ontstaat. Beklaagde geeft daarbij veelvuldig aan dat het niet helpen van klaagster zijn regels zijn. Bij een latere gelegenheid geeft beklaagde aan dat zijn huisregels niet in de zaak hangen. Van het incident zijn camerabeelden aanwezig. Klaagster doet op 5 oktober 2022 aangifte van discriminatie op basis van haar geloof. Beklaagde wordt op 3 november 2022 als verdachte gehoord, maar wenst niet inhoudelijk te verklaren en verwijst naar de videobeelden. De officier van justitie seponeert de zaak. De procedure kent een uitgebreid verloop, met een tussenbeschikking van het hof op 15 oktober 2025 en een eerdere raadkamerbehandeling op 24 september 2025, alvorens het hof op 27 januari 2026 het klaagschrift verder in raadkamer behandelt.
Wettelijk kader
Centraal staat artikel 429quater Sr, dat beroepsmatige discriminatie strafbaar stelt. Op grond van deze bepaling is het strafbaar om in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf personen te discrimineren wegens onder meer hun godsdienst. De reikwijdte van dit artikel wordt mede bepaald door artikel 90quater Sr, dat een definitie van discriminatie bevat. Een kernvraag in deze zaak is of de weigering van beklaagde om klaagster te helpen vanwege het dragen van een niqab kwalificeert als discriminatie wegens godsdienst, en of daarvoor een objectieve rechtvaardiging kan bestaan. De beklagprocedure zelf is gebaseerd op artikel 12 Sv, dat rechtstreeks belanghebbenden de mogelijkheid biedt zich bij het gerechtshof te beklagen over een beslissing tot niet-vervolging.
Standpunt van de klaagster
De raadsvrouw van klaagster stelt zich op het standpunt dat wel degelijk sprake is van strafbare discriminatie. Zij betoogt dat geen objectieve rechtvaardiging bestaat voor de weigering van beklaagde om klaagster te helpen. Daarnaast voert de raadsvrouw aan dat sprake is van directe discriminatie, nu klaagster anders wordt behandeld vanwege haar geloofsbelijdenis. De niqab is een uitdraging van het islamitische geloof van klaagster, zodat de weigering rechtstreeks verband houdt met haar godsdienst.
Sepotbeslissing en ambtsbericht
De officier van justitie seponeert de zaak wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De officier van justitie overweegt daarbij dat weliswaar sprake is van indirecte discriminatie, maar dat in dit geval een rechtvaardigingsgrond aanwezig is, zodat van strafbare discriminatie geen sprake is. In het ambtsbericht namens de hoofdofficier van justitie te Rotterdam van 13 september 2023 wordt eveneens geadviseerd het beklag af te wijzen, zij het op een andere grondslag. Volgens het ambtsbericht is geen sprake van directe discriminatie, omdat de reden voor het gemaakte onderscheid niet direct is terug te voeren tot een van de in artikel 429quater Sr genoemde gronden. Beklaagde noemt niet het feit dat klaagster moslima is als weigeringsgrond, maar het feit dat hij haar gezicht niet kan zien.
Advies van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal adviseert in zijn schriftelijk verslag van 24 april 2025 eveneens tot afwijzing van het beklag, maar op weer andere gronden dan de officier van justitie en het ambtsbericht. De advocaat-generaal sluit zich niet zonder meer aan bij de redenering in de sepotbeslissing dat sprake is van een rechtvaardigingsgrond. Volgens de advocaat-generaal kan worden betoogd dat de weigering om klaagster te helpen niet zonder meer objectief gerechtvaardigd is. De advocaat-generaal acht vervolging van beklaagde echter niet meer opportuun. Bij de behandeling in raadkamer op 24 september 2025 handhaaft de advocaat-generaal dit advies.
Oordeel van het hof
Het hof onderkent het principiele karakter van de zaak en oordeelt dat de beslissing van de officier van justitie om beklaagde niet te vervolgen niet in stand kan blijven. Het hof is van oordeel dat er, gelet op de aangifte, de camerabeelden in het dossier en de verklaring van beklaagde, voldoende aanknopingspunten bestaan voor een succesvolle strafvervolging voor discriminatie. Ook de ernst van het feit is zodanig dat strafvervolging ter zake van discriminatie wegens de godsdienst van klaagster op grond van artikel 429quater Sr is aangewezen.
Het hof acht vervolging bovendien opportuun. Zowel het belang van klaagster als het algemeen belang bij duidelijkheid over de strafbaarheid van het verweten handelen rechtvaardigen het instellen van een strafvervolging. Het hof wijst erop dat in de samenleving onduidelijkheid bestaat over de reikwijdte van artikel 429quater Sr, mede in het licht van artikel 90quater Sr. Dit wordt volgens het hof bevestigd door de verschillende adviezen van het Openbaar Ministerie in deze zaak, waarin steeds andere gronden voor de niet-vervolging zijn gegeven.
Het hof overweegt dat de wetgever het aan de rechter heeft gelaten te beoordelen wat moet worden verstaan onder een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor het maken van onderscheid. Daarmee is het ook aan de rechter om te bepalen onder welke omstandigheden het toelaatbaar is dat een winkeleigenaar of andere particulier, gelet op het dragen van gezichtsbedekkende kleding, iemand de toegang weigert of weigert diegene te helpen. Het hof acht het wenselijk dat deze zaak aan de strafrechter wordt voorgelegd, zodat de norm niet alleen in dit individuele geval kan worden bevestigd, maar er ook meer duidelijkheid komt voor de samenleving als geheel. Een strafvervolging kan daarmee ook dienen ter beantwoording van de door de advocaat-generaal in zijn verslag benoemde rechtsvragen.
Het hof overweegt verder dat beklaagde, zonder enig bericht, niet ter zitting in raadkamer is verschenen om zijn kant van het verhaal toe te lichten, en dat het hof daarin geen aanleiding ziet voor een ander oordeel. Dat beklaagde mogelijk al nadelige gevolgen heeft ondervonden nadat de beelden van het incident op internet zijn geplaatst, geeft het hof evenmin aanleiding voor een andere beslissing. De aandacht die de beelden hebben gekregen, heeft de maatschappelijke impact van de zaak juist vergroot.
Beslissing
Het hof verklaart het beklag gegrond en gelast de strafvervolging van beklaagde voor beroepsmatige discriminatie op grond van artikel 429quater Sr.
Lees hier de volledige uitspraak.
