Opsporingsambtenaar veroordeeld voor ambtelijke verduistering tijdens doorzoeking: wederrechtelijke toe-eigening niet vereist voor artikel 359 Sr

Rechtbank Rotterdam 8 april 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:4310

De rechtbank veroordeelt een opsporingsambtenaar van de Nederlandse Arbeidsinspectie voor ambtelijke verduistering (artikel 359 Sr) na het wegnemen van 205 euro tijdens een doorzoeking van een bedrijfspand. De verdachte stopt tijdens de doorzoeking op 11 oktober 2022 geld uit een doos en een jas in haar broekzak, wat op camerabeelden is vastgelegd. De rechtbank verwerpt het verweer dat de verdachte het geld juist in de ambtelijke sfeer wilde brengen en oordeelt dat zij het geld opzettelijk aan de bestemming heeft onttrokken. Voor een bewezenverklaring van artikel 359 Sr is wederrechtelijke toe-eigening niet vereist; voldoende is dat het geld aan de ambtelijke bestemming wordt onttrokken. De Hoge Raad heeft eerder bevestigd dat het beschermde rechtsgoed de juiste vervulling van het ambt betreft, ter wille van de integriteit van de openbare dienst. De verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 200 uur.

Inleiding en context

De verdachte, een vrouw geboren in 1983, is sinds 2014 aangesteld als ambtenaar in vaste algemene dienst van het Rijk en tewerk gesteld bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Zij heeft op 2 juni 2014 de belofte afgelegd als bedoeld in artikel 51 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement. De verdachte is werkzaam als opsporingsambtenaar bij de Nederlandse Arbeidsinspectie (hierna: NLA). Op 11 oktober 2022 vindt in het kader van een opsporingsonderzoek een doorzoeking ter inbeslagneming plaats in een bedrijfspand in Amsterdam. De verdachte is hierbij als opsporingsambtenaar aanwezig. In het bedrijfspand staat op de tweede etage bij het bureau een camera aan die beeld- en geluidsopnames maakt, zonder dat de leden van het opsporingsteam en de officier van justitie daarover zijn geinformeerd. Op 8 februari 2024 wordt namens het bedrijf aangifte gedaan van verduistering en diefstal nadat op de camerabeelden is te zien dat een medewerkster van de NLA geld wegneemt. De betreffende medewerkster wordt na onderzoek geidentificeerd als de verdachte. Het betreft een zaak in eerste aanleg voor de meervoudige kamer strafzaken van de rechtbank Rotterdam, zittingsplaats Dordrecht.

Tenlastelegging en wettelijk kader

Aan de verdachte wordt primair ten laste gelegd dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan ambtelijke verduistering als bedoeld in artikel 359 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De verdachte wordt verweten dat zij als opsporingsambtenaar van de NLA opzettelijk geld dat zij in haar bediening onder zich had, heeft verduisterd dan wel heeft toegelaten dat het door een ander werd weggenomen of verduisterd. Concreet wordt haar verweten dat zij tijdens de doorzoeking van het bedrijfspand geldbiljetten ter waarde van ongeveer 205 euro uit een doos en uit een jas heeft gehaald en vervolgens in haar kleding heeft gestopt, althans dit geld heeft weggenomen en op een andere plaats heeft verborgen. Het geld behoort geheel of ten dele toe aan het bedrijf en het slachtoffer. Subsidiair wordt de verdachte verweten dat zij het geld heeft gestolen en daarbij een bijzondere ambtsplicht heeft geschonden dan wel gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid of middel haar door haar ambt geschonken. Artikel 359 Sr stelt strafbaar de ambtenaar die opzettelijk geld dat hij in zijn bediening onder zich heeft, verduistert. Het artikel beschermt het belang van een juiste vervulling van het ambt, ter wille van de integriteit van de openbare dienst. Op grond van rechtspraak van de Hoge Raad (HR 2 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1449) is voor verduistering in de zin van artikel 359 Sr voldoende dat sprake is van onttrekking aan de bestemming, zonder dat wederrechtelijke toe-eigening is vereist.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vordert een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit. Het Openbaar Ministerie stelt dat de verklaring van de verdachte dat zij het geld niet wilde toe-eigenen ongeloofwaardig en niet aannemelijk is. Dat de verdachte het geld ergens anders heeft verstopt, wordt door geen enkel ander bewijsmiddel ondersteund. Het Openbaar Ministerie stelt bovendien dat, zelfs indien de rechtbank de verklaring van de verdachte aannemelijk acht, dit tot een bewezenverklaring van artikel 359 Sr leidt, aangezien voor dit artikel het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening niet is vereist. Ten aanzien van het element "in zijn bediening onder zich hebben" is volgens het Openbaar Ministerie doorslaggevend of de ambtenaar door zijn functie feitelijk in staat is het geld te verduisteren. De officier van justitie eist een taakstraf van 200 uur, te vervangen door 100 dagen hechtenis.

Standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit vrijspraak voor zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde feit. De verdediging voert aan dat de verdachte het geld juist heeft getracht in de ambtelijke sfeer te brengen en het niet aan de ambtelijke bestemming heeft onttrokken. Ten aanzien van het geld uit de jaszak stelt de verdediging dat dit geld nimmer een ambtelijke bestemming heeft gehad en daarom ook niet aan een zodanige bestemming kan worden onttrokken. Ten aanzien van het geld uit de doos stelt de verdediging dat de ambtelijke bestemming op het moment van de verweten gedraging niet kenbaar was voor de verdachte, zodat het vereiste oogmerk niet kan worden bewezen. Zelfs als wordt aangenomen dat het tenlastegelegde geldbedrag op enig moment geheel of ten dele een voor de verdachte kenbare ambtelijke bestemming had, kan volgens de verdediging uit het dossier niet volgen dat de verdachte het oogmerk had het geld aan die bestemming te onttrekken. Haar oogmerk was immers telkens uitsluitend erop gericht het geld juist binnen de ambtelijke sfeer te brengen. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij de geldbiljetten in het damestoilet in de pedaalemmer heeft verstopt, zodat het geld alsnog in beslag zou worden genomen. Door de verdediging is geen strafmaatverweer gevoerd.

Oordeel gerecht

De rechtbank stelt vast dat de verdachte tijdens de doorzoeking geldbiljetten van in totaal 205 euro heeft weggehaald van de plaats waar zij deze aantreft. Zij doet dit zonder medeweten van andere leden van het opsporingsteam of de officier van justitie onder wiens gezag het onderzoek wordt verricht. De rechtbank acht de verklaring van de verdachte dat zij de geldbiljetten in het damestoilet in de pedaalemmer heeft verstopt niet aannemelijk. Dit scenario wordt op geen enkele wijze door de inhoud van het strafdossier ondersteund. De rechtbank acht de verklaring ook niet geloofwaardig en overweegt dat niet valt in te zien waarom een opsporingsambtenaar in een omvangrijk opsporingsonderzoek een relatief klein bedrag van 205 euro in een pedaalemmer zou verstoppen zodat dit bedrag, in weerwil van de beslissing van de officier van justitie, alsnog in beslag zou worden genomen. Had de verdachte het belangrijk gevonden dat het geld in beslag werd genomen, dan had zij dat aan de officier van justitie kenbaar kunnen maken of met haar collega's kunnen opnemen. De rechtbank oordeelt dat de verdachte geld dat zij in haar bediening onder zich had opzettelijk aan de bestemming heeft onttrokken door tijdens de doorzoeking willens en wetens 205 euro weg te nemen en in haar broekzak te stoppen. Of zij zich het geld wederrechtelijk wilde toe-eigenen, is niet relevant. De bestemming van het geld is in dit geval de vatbaarheid voor inbeslagname. Het is tijdens de doorzoeking aan de officier van justitie te beslissen of het geld wel of niet in beslag wordt genomen. Door het geld weg te nemen en in haar broekzak te stoppen, heeft de verdachte het geld daaraan onttrokken. Het verweer dat de verdachte het geld juist in de ambtelijke sfeer wilde brengen, volgt de rechtbank niet. De verdachte had het geld vanwege haar functie als opsporingsambtenaar feitelijk onder zich, was daardoor in staat het geld weg te nemen en dat heeft zij ook gedaan. Door het wegnemen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op het beschermde rechtsgoed: de juiste vervulling van het ambt. Niet vereist is dat het geld eerst in beslag moet zijn genomen voordat aan het geld een ambtelijke bestemming wordt toegekend.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten:

  • zij op 11 oktober 2022 te Amsterdam meermalen als ambtenaar, te weten als opsporingsambtenaar van de Nederlandse Arbeidsinspectie, telkens opzettelijk geld dat zij in haar bediening onder zich had heeft verduisterd door tijdens de doorzoeking van een bedrijfspand geldbiljetten ter waarde van ongeveer 205 euro, die toebehoorden aan het bedrijf en het slachtoffer, uit een in dat bedrijfspand bevindende doos en jas te halen en vervolgens in haar kleding te stoppen, althans dit geld weg te nemen en het op een andere plaats te verbergen.

Het feit wordt gekwalificeerd als: als ambtenaar opzettelijk geld dat hij in zijn bediening onder zich heeft, verduisteren.

Strafoplegging en maatregelen

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 200 uur, conform de eis van het Openbaar Ministerie.

Bij de strafbepaling overweegt de rechtbank dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het verduisteren van 205 euro terwijl zij als opsporingsambtenaar bij een doorzoeking aan het werk was. Hoewel het om een relatief klein geldbedrag gaat, is het handelen van de verdachte zeer kwalijk. Als opsporingsambtenaar had zij een voorbeeldfunctie. Burgers moeten erop kunnen vertrouwen dat bij een doorzoeking medewerkers van een overheidsinstantie zorgvuldig en integer handelen en hun bevoegdheden niet misbruiken. De verdachte heeft het vertrouwen van burgers, haar collega's en de NLA ernstig beschaamd en de opsporing in het algemeen in diskrediet gebracht.

De rechtbank houdt ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Zij is niet eerder onherroepelijk veroordeeld voor strafbare feiten, heeft een gezin met kinderen en heeft ruim twintig jaar als opsporingsambtenaar gewerkt. Zij is door de NLA ontslagen en werkt inmiddels als planner. De verdenking heeft veel impact op haar leven.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^