Gevangenisstraf voor feitelijk leidinggever die omzetbelasting niet afdraagt en UWV oplicht met gefingeerd omzetverlies via NOW-regeling

Rechtbank Amsterdam 2 april 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3249

Rechtbank Amsterdam veroordeelt feitelijk leidinggever voor belastingfraude en coronasteunfraude met NOW-regeling. De verdachte geeft feitelijke leiding aan het opzettelijk niet betalen van omzetbelasting door een schoonmaakbedrijf en pleegt samen met een medeverdachte oplichting van het UWV. Via een schijnconstructie met een katvanger en een nieuw opgericht bedrijf wordt het omzetverlies gefingeerd om een NOW-voorschot van 156.500 euro te ontvangen. De rechtbank spreekt vrij van een eerste NOW-aanvraag omdat het omzetverlies in de beginperiode van de coronalockdown daadwerkelijk 100% was. Voor de tweede NOW-aanvraag acht de rechtbank oplichting bewezen nu de omzet werd weggesluisd naar een nieuw bedrijf terwijl de loonkosten in het oude bedrijf bleven. De rechtbank legt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van negen maanden op, lager dan de eis van twaalf maanden, mede vanwege de gedeeltelijke vrijspraak en een overschrijding van de redelijke termijn met dertien maanden.

Inleiding en context

De rechtbank Amsterdam veroordeelt een natuurlijk persoon voor het feitelijke leidinggeven aan belastingfraude en het medeplegen van oplichting met coronasteungelden. De verdachte is bestuurder en feitelijk leidinggever van een schoonmaakbedrijf dat diensten verleent aan diverse Amsterdamse hotels. Het bedrijf is opgericht op 3 augustus 2017. Tot 5 maart 2020 staat de verdachte geregistreerd als bestuurder. Op die datum wordt het bedrijf in het handelsregister van de Kamer van Koophandel op naam gezet van een derde, maar de rechtbank stelt vast dat deze overdracht een schijnconstructie betreft. Het bedrijf wordt op 29 juni 2022 failliet verklaard. Het betreft een zaak in eerste aanleg, behandeld door de meervoudige strafkamer. De terechtzitting vindt plaats op 19 maart 2026, het vonnis wordt uitgesproken op 2 april 2026. Tegen een medeverdachte zijn procesafspraken gemaakt in een afzonderlijke procedure.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt twee feiten verweten. Het eerste feit betreft het feitelijke leidinggeven aan het door een rechtspersoon opzettelijk niet of gedeeltelijk niet betalen van omzetbelasting over de tijdvakken januari tot en met december 2019. Dit feit is gebaseerd op artikel 69a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in samenhang met artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht. Het tweede feit betreft het medeplegen van oplichting in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht, in de periode van 6 april 2020 tot 11 september 2020. De oplichting ziet op het bewegen van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen tot uitkering van geldbedragen op grond van de Noodmaatregel Overbrugging van Werkgelegenheid. De tenlastelegging vermeldt twee NOW-aanvragen die door het bedrijf zijn ingediend.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat beide ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden. De officier van justitie vordert een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden. Bij het formuleren van deze eis houdt de officier van justitie reeds rekening met de overschrijding van de redelijke termijn. Het Openbaar Ministerie betoogt onder meer dat het bedrijf op naam van een ander is gezet met het specifieke doel om coronasteun aan te vragen en dat dit een constructie vormt om het UWV op te lichten.

Standpunt van de verdediging

De verdediging voert ten aanzien van de dagvaarding aan dat deze partieel nietig moet worden verklaard voor het gedeelte van feit 2 dat ziet op de NOW-aanvraag met dossiernummer 1279849 en datum 26 mei 2020, nu deze gegevens niet overeenkomen met de aanvragen in het dossier.

Ten aanzien van feit 1 bepleit de verdediging vrijspraak. De verdediging stelt dat geen sprake is van opzet, ook niet in voorwaardelijke vorm, op het niet voldoen van de omzetbelasting. De verdachte heeft geldbedragen gereserveerd op de G-rekening van het bedrijf om de Belastingdienst te betalen. In de periode van 1 januari 2019 tot en met 30 september 2020 hebben ook afschrijvingen naar de Belastingdienst plaatsgevonden. Bovendien is de onderneming in maart 2020 overgedragen aan een ander.

Ten aanzien van feit 2 bepleit de verdediging eveneens vrijspraak. De verdediging stelt dat geen bewijsmiddel voorhanden is en dat ten aanzien van de tweede NOW-aanvraag geen medeplegersgedraging aan de verdachte kan worden toegeschreven. Het bedrijf was voor deze aanvraag al overgedragen en uit de contacten tussen de medeverdachte en de verdachte valt geen aanknopingspunt voor het ten laste gelegde oogmerk of een significante bijdrage aan enig oplichtingsmiddel te destilleren.

Ten aanzien van de strafmaat stelt de verdediging primair dat met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf dient te worden opgelegd, nu de verdachte schoon schip heeft gemaakt met zijn belastingschulden en er geen schulden meer openstaan. De verdediging wijst op de overschrijding van de redelijke termijn, het feit dat de pleegperiode bijna zes jaar geleden is geeindigd en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder de zorg voor zijn gezin met kinderen. Subsidiair verzoekt de verdediging aan te sluiten bij de procesafspraken die zijn gemaakt met de medeverdachte en geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Oordeel gerecht

De rechtbank verwerpt het verweer tot partiële nietigheid van de dagvaarding. Hoewel het dossiernummer en de datum op de tenlastelegging niet overeenkomen met een van beide aanvragen in het dossier, verwijst de tenlastelegging naar een specifiek document dat een NOW-aanvraag van 6 april 2020 op naam van het bedrijf bevat. Gelet op deze verwijzing en het feit dat de tenlastelegging in samenhang met het dossier moet worden gelezen, oordeelt de rechtbank dat de verdachte heeft kunnen begrijpen wat hem wordt verweten. De dagvaarding voldoet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.

Ten aanzien van feit 1 overweegt de rechtbank dat het bedrijf over de tijdvakken januari tot en met december 2019 in totaal een bedrag van 860.433,97 euro aan hotelomzet ontvangt. De af te dragen omzetbelasting bedraagt, na aftrek van voorbelasting, 146.420 euro, waarvan slechts 10.000 euro wordt voldaan. Op naheffingsaanslagen, aanmaningen en dwangbevelen wordt namens het bedrijf niet gereageerd. De rechtbank oordeelt dat het niet anders kan dan dat de omzetbelasting willens en wetens niet wordt betaald, nu het bedrijf in 2019 omzet genereert en over middelen op de G-rekening beschikt. Dat de verdachte stelt aan zijn boekhouder te hebben gevraagd een regeling te treffen, doet hieraan niet af: uit het dossier blijkt niet dat daadwerkelijk actie is ondernomen, geen betalingsregeling of kwijtschelding is aangevraagd en geen melding van betalingsonmacht is gedaan. De verdachte verklaart bovendien zelf te weten dat de omzetbelasting niet volledig is betaald.

Ten aanzien van feit 2 spreekt de rechtbank de verdachte vrij van de oplichting met de eerste NOW-aanvraag van 6 april 2020. Deze aanvraag vermeldt een verwacht omzetverlies van 100% vanaf 1 maart 2020. De rechtbank overweegt dat de hotels pas in juni 2020 weer opengaan en niet is gebleken dat het bedrijf in maart, april en mei 2020 op andere wijze omzet draait. Het omzetverlies van 100% over die periode is daarmee juist. De stelling van het Openbaar Ministerie dat de schijnconstructie met het oog op coronasteun is opgezet, verwerpt de rechtbank eveneens: het bedrijf wordt op 5 maart 2020 op een andere naam gezet, terwijl de coronalockdown pas op 12 maart 2020 ingaat en de NOW-regeling op 31 maart 2020 wordt vastgesteld.

De oplichting met de tweede NOW-aanvraag van 6 juli 2020 acht de rechtbank wel bewezen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte na de zogenaamde overdracht feitelijk leidinggever van het bedrijf blijft. De overdracht aan de nieuwe eigenaar betreft een schijnconstructie: de nieuwe eigenaar verklaart niets met het bedrijf te maken te hebben, zit ten tijde van de overdracht in detentie en heeft nooit iets getekend. De verdachte beheert na 5 maart 2020 nog steeds de bankrekeningen en blijft het aanspreekpunt voor de hotels. Na de coronalockdown worden dezelfde schoonmaakwerkzaamheden verricht bij dezelfde hotels door hetzelfde personeel, maar de omzet wordt gefactureerd via een nieuw door de verdachte opgericht bedrijf, terwijl de loonkosten in het oude bedrijf blijven. De rechtbank kwalificeert dit als listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels: door de omzet weg te laten vloeien naar het nieuwe bedrijf lijkt het alsof het oude bedrijf geen omzet heeft, terwijl dat in werkelijkheid wel het geval is. Het UWV wordt hierdoor bewogen tot uitkering van een NOW-voorschot van 156.500 euro. De nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachte volgt uit WhatsApp-gesprekken waarin de medeverdachte het wachtwoord vraagt, de aanvraag indient vanaf zijn IP-adres en berichten worden uitgewisseld over de ontvangst en verdeling van de gelden.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen:

  • Feit 1: het feitelijke leidinggeven aan het door een rechtspersoon opzettelijk niet of gedeeltelijk niet betalen van omzetbelasting over de tijdvakken januari tot en met december 2019, meermalen gepleegd, in de periode van 1 februari 2019 tot 29 juni 2022.

  • Feit 2: het medeplegen van oplichting van het UWV door middel van listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels, door in strijd met de waarheid het bedrijf voor te doen als onderneming die recht had op NOW-gelden en in de aanvraag met dossiernummer 2000229 van 6 juli 2020 te vermelden dat het bedrijf 100% omzetverlies leed, terwijl dat niet het geval was.

De verdachte wordt vrijgesproken van de oplichting met de NOW-aanvraag met dossiernummer 1279849.

Strafoplegging en maatregelen

De rechtbank past als uitgangspunt het orientatiepunt voor fraude toe. Het totale benadelingsbedrag bedraagt 292.920 euro, bestaande uit 136.420 euro aan niet afgedragen omzetbelasting en 156.500 euro aan onterecht ontvangen NOW-gelden. Het orientatiepunt bij een benadelingsbedrag van 250.000 tot 500.000 euro is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf tot achttien maanden.

De rechtbank verwerpt het verweer dat geen strafvorderlijk belang meer bestaat bij strafoplegging. De door de verdediging overgelegde stukken hebben betrekking op een holding en vennootschap onder firma van de verdachte en niet op de verschuldigde omzetbelasting van het bedrijf in kwestie.

De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn met dertien maanden is overschreden. De verdachte is op 21 februari 2023 aangehouden. De zaak had uiterlijk op 21 februari 2025 afgerond moeten zijn. De omvang en complexiteit van de zaak rechtvaardigen de extra vertraging niet. Uit het strafblad van de verdachte volgt dat hij in 2021 is veroordeeld tot een geldboete voor een verkeersfeit.

De rechtbank legt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van negen maanden op, met aftrek van voorarrest. De straf valt lager uit dan de eis van de officier van justitie omdat de verdachte wordt vrijgesproken van een NOW-aanvraag en de rechtbank uitgaat van een lager benadelingsbedrag. De rechtbank ziet geen reden om aan te sluiten bij de straf van de medeverdachte, reeds omdat de verdachte van een extra feit wordt verdacht en daarvoor ook wordt veroordeeld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^