Beroep op overmacht wegens inbeslagname administratie slaagt niet: rechtspersoon had ontheffing van publicatieplicht jaarrekening moeten aanvragen

Gerechtshof Amsterdam 31 maart 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:879

Het gerechtshof Amsterdam oordeelt dat een B.V. geen geslaagd beroep op overmacht toekomt voor het niet deponeren van de jaarrekening over 2020, ondanks de inbeslagname van haar administratie door de FIOD. Het hof overweegt dat de verdachte ruim voor het ontstaan van de publicatieplicht had kunnen voorzien dat zij daaraan niet kon voldoen en een ontheffing op grond van artikel 2:394 lid 5 BW had kunnen aanvragen. Het vonnis van de economische politierechter, die de verdachte van alle rechtsvervolging ontsloeg, wordt vernietigd. Het hof veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke geldboete van 600 euro met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast legt het hof de maatregel op tot het alsnog deponeren van de jaarrekening binnen negen maanden na het onherroepelijk worden van het arrest. Deze uitspraak verduidelijkt dat van een rechtspersoon wier administratie is inbeslaggenomen, wordt verwacht dat zij actief gebruikmaakt van de wettelijke mogelijkheid tot ontheffing van de publicatieplicht.

Inleiding en context

Deze zaak betreft een besloten vennootschap, gevestigd te Zandvoort, die wordt vervolgd voor het niet tijdig openbaar maken van de jaarrekening over het boekjaar 2020. De administratie van de vennootschap is in mei 2018 inbeslaggenomen door de FIOD in het kader van een strafrechtelijk onderzoek en pas in 2022 teruggegeven. In eerste aanleg oordeelt de economische politierechter in de rechtbank Noord-Holland op 9 februari 2024 dat het beroep op overmacht slaagt en ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging. Het Openbaar Ministerie stelt hoger beroep in tegen dit vonnis. Het gerechtshof Amsterdam behandelt de zaak op 17 maart 2026 op tegenspraak, waarbij de verdachte wordt vertegenwoordigd door een gemachtigd raadsman.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt verweten dat zij als rechtspersoon niet uiterlijk binnen twaalf maanden na afloop van het boekjaar 2020 de jaarrekening van dat boekjaar openbaar heeft gemaakt op de wijze die is voorgeschreven in artikel 394 lid 1 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Concreet houdt het verwijt in dat op 1 november 2022 de jaarrekening nog niet openbaar was gemaakt door nederlegging van een volledig in de Nederlandse taal gesteld exemplaar ten kantore van het handelsregister bij de Kamer van Koophandel. Dit betreft een economisch delict in de zin van de Wet op de economische delicten. Artikel 2:394 BW verplicht rechtspersonen tot openbaarmaking van de jaarrekening. Het derde lid van dit artikel stelt het niet voldoen aan deze verplichting strafbaar. In het vijfde lid van datzelfde artikel is de mogelijkheid opgenomen om ontheffing van deze publicatieplicht te verkrijgen, welke bepaling in deze zaak een centrale rol speelt.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal rekwireert tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde en stelt zich op het standpunt dat het beroep op overmacht niet kan slagen. De advocaat-generaal erkent dat de verdachte als gevolg van de inbeslagname van de administratie niet kon voldoen aan haar verplichting tot openbaarmaking van de jaarrekening over 2020. Dit neemt volgens de advocaat-generaal echter niet weg dat de verdachte in dat geval een ontheffing van die verplichting had moeten aanvragen. Door dit na te laten komt de verdachte geen geslaagd beroep op overmacht toe. De advocaat-generaal vordert een voorwaardelijke geldboete van 600 euro met een proeftijd van twee jaren en daarnaast oplegging van een maatregel op grond van artikel 8 sub c van de Wet op de economische delicten, inhoudende de verplichting om binnen negen maanden alsnog de jaarrekening te deponeren, voor zover dit nog niet is gebeurd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte stelt zich op het standpunt dat sprake is van overmacht. De verdachte kon niet voldoen aan haar verplichting tot het opmaken en openbaar maken van de jaarrekening van 2020 als gevolg van de inbeslagname van de administratie door de FIOD. De raadsman voert aan dat de omstandigheid dat de verdachte heeft nagelaten een ontheffing aan te vragen van de publicatieplicht niet in de weg staat aan een geslaagd beroep op overmacht. De raadsman onderbouwt dit standpunt door erop te wijzen dat de verdachte uitsluitend wordt verweten dat zij de jaarrekening niet openbaar heeft gemaakt en niet dat zij geen ontheffing van die verplichting heeft aangevraagd. Bovendien zou ook in het geval van een verleende ontheffing de verdachte het tenlastegelegde feit feitelijk hebben begaan, nu de jaarrekening ook dan niet zou zijn gedeponeerd, aldus de raadsman.

Oordeel gerecht

Het hof vernietigt het vonnis van de economische politierechter en komt tot een ander oordeel. Het hof stelt vast dat de administratie van de verdachte in mei 2018 is inbeslaggenomen door de FIOD in het kader van een strafrechtelijk onderzoek en dat deze in 2022 is teruggegeven. Het hof erkent dat de verdachte als gevolg van deze inbeslagname niet kon voldoen aan haar verplichting tot openbaarmaking van de jaarrekening over 2020. Tevens stelt het hof vast dat de verdachte geen ontheffing van die verplichting heeft aangevraagd, terwijl een inbeslagname van administratie door de FIOD een reden kan zijn voor het verlenen van een dergelijke ontheffing.

Het hof oordeelt, met de advocaat-generaal en anders dan de raadsman, dat de verdachte in dit geval geen geslaagd beroep op overmacht toekomt. Het hof overweegt dat de verdachte in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs had kunnen voorkomen dat zij een strafbaar feit beging door een ontheffing te vragen van de verplichting tot openbaarmaking van de jaarrekening over 2020. Daarbij acht het hof van belang dat de verdachte ruim voor het ontstaan van die verplichting had kunnen voorzien dat zij daaraan niet kon voldoen als gevolg van de inbeslagname van de administratie. De verdachte had daarom tijdig ontheffing kunnen aanvragen. Het hof licht toe dat een ontheffing op grond van artikel 2:394 lid 5 BW met zich brengt dat de verplichting tot openbaarmaking van de jaarrekening tijdelijk niet geldt, zodat het niet voldoen aan die verplichting in dat geval geen strafbaar feit oplevert. Het hof oordeelt dat ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit.

Bewezenverklaring

Het hof verklaart wettig en overtuigend bewezen dat:

  • de verdachte als rechtspersoon in Zandvoort niet uiterlijk binnen twaalf maanden na afloop van het boekjaar 2020 op de in artikel 394 lid 1 Boek 2 BW voorgeschreven wijze de jaarrekening van dat boekjaar openbaar heeft gemaakt, nu op 1 november 2022 de jaarrekening nog niet openbaar was gemaakt door nederlegging van een volledig in de Nederlandse taal gesteld exemplaar ten kantore van het handelsregister bij de Kamer van Koophandel.

Het bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 394, derde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, begaan door een rechtspersoon. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen en daarvan wordt de verdachte vrijgesproken.

Strafoplegging en maatregelen

Het hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van 600 euro. Het hof bepaalt dat deze geldboete niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede met de draagkracht van de verdachte. Het hof overweegt dat de verdachte door het niet tijdig deponeren van de jaarrekening derden de kans heeft ontnomen zelfstandig enig inzicht te krijgen in de vermogenspositie van het bedrijf. Uit het uittreksel Justitiele Documentatie van 2 maart 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.

Naast de geldboete legt het hof als maatregel op grond van artikel 8 sub c van de Wet op de economische delicten de verplichting op tot verrichting van hetgeen wederrechtelijk is nagelaten. Dit houdt in dat de verdachte binnen negen maanden na het onherroepelijk worden van het arrest alsnog de jaarrekening deponeert, voor zover dit nog niet is gebeurd. De eerder uitgevaardigde strafbeschikking van 5 juli 2023 wordt door het hof vernietigd.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^