Gevangenisstraf voor belastingfraude, gewoontewitwassen en valsheid in geschrift door boekhouder van bouwbedrijf op Bonaire; gevorderde beroepsontzetting zonder wettelijke grondslag
/Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 1 oktober 2026, ECLI:NL:OGEABES:2026:232
Het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba veroordeelt de administrateur van een bouwbedrijf op Bonaire tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk. De verdachte heeft samen met het bouwbedrijf over de jaren 2018 tot en met 2022 belastingaangiften te laat of met te lage bedragen ingediend. Het geld dat het bedrijf daardoor behield, raakt vermengd met het bedrijfsvermogen en wordt via rekeningen van derden verplaatst en contant opgenomen, wat het Gerecht kwalificeert als medeplegen van gewoontewitwassen. Daarnaast acht het Gerecht valsheid in geschrift bewezen voor stukken over een fictieve bouwopdracht, achteraf opgemaakte facturen en vervalste vacatureaanmeldingen. Van oplichting en verduistering en van een afzonderlijk gevoegde valsheidszaak spreekt het Gerecht de verdachte vrij, onder meer omdat de rol van de inmiddels overleden eigenaar van het bouwbedrijf niet kan worden vastgesteld. De gevorderde ontzetting uit het beroep van boekhouder legt het Gerecht niet op, omdat het Wetboek van Strafrecht BES daarvoor geen grondslag biedt.
Inleiding en context
De verdachte is een natuurlijk persoon, een vrouw geboren in 1988, woonachtig op Bonaire. Zij verzorgt de administratie, waaronder de financiële administratie, van J.V. Construction B.V., een bouwbedrijf op Bonaire, en is vertrouwenspersoon van de eigenaar. Die eigenaar is inmiddels overleden en heeft daardoor geen verklaring kunnen afleggen.
Het vonnis betreft drie onderzoeken: Holmpton en Smient (samen zaak A) en Lima (zaak B), ter terechtzitting gevoegd. De zaak is in eerste aanleg op tegenspraak behandeld door een enkelvoudige kamer op de zittingen van 10 en 11 september 2026. De verdachte is op 28 mei 2024 in verzekering gesteld.
Het bouwbedrijf moet ieder kwartaal aangifte doen voor de algemene bestedingsbelasting (ABB) en de loonbelasting. De aangiften over het eerste kwartaal van 2018 tot en met het tweede kwartaal van 2021 zijn niet op tijd gedaan; een groot deel is pas na het opleggen van naheffingsaanslagen ingediend. De aangiften over het derde kwartaal van 2021 tot en met het vierde kwartaal van 2022 zijn tijdig gedaan, maar sluiten volgens het boekenonderzoek niet aan bij de administratie en zijn te laag. In 2020, 2021 en 2022 maakt het bouwbedrijf bedragen over naar een accountantskantoor, met omschrijvingen die verwijzen naar ABB of loonbelasting. Vanaf de rekening van dat kantoor gaat geld naar rekeningen van de feitelijk bestuurder van het kantoor (een medeverdachte), een autoverhuurbedrijf en de toenmalige partner van de verdachte (eveneens medeverdachte). Een aanzienlijk deel komt bij de Belastingdienst Caribisch Nederland terecht, een ander deel wordt contant opgenomen of verrekend.
Het Gerecht stelt voorop dat de geldstromen onoverzichtelijk zijn en dat het dossier geen volledig beeld geeft. Niet vast te stellen is waar het niet afgedragen deel is gebleven, welke afspraken de eigenaar met de verdachte had en welke betalingen met zijn medeweten zijn gedaan. Evenmin staat vast dat de verdachte zelfstandig over de rekeningen van het bouwbedrijf kon beschikken; berichten aan de erven en de zoon van de eigenaar wijzen erop dat zij daarvoor van anderen afhankelijk was.
Tenlastelegging en wettelijk kader
De verdachte wordt in zaak A (Holmpton) verweten dat zij:
feit 1: in de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 januari 2023 samen met het bouwbedrijf aangiften ABB en loonbelasting niet tijdig of onjuist heeft gedaan (art. 8.74 lid 1, aanhef en onder d, en lid 3 Belastingwet BES);
feit 2: in de periode van 1 juli 2020 tot en met 3 januari 2023 ongeveer USD 191.338 van het bouwbedrijf heeft verkregen door oplichting, subsidiair dit bedrag als boekhouder heeft verduisterd;
feit 3: in de periode van 8 juli 2020 tot en met 30 juni 2023 ongeveer USD 191.338 heeft witgewassen (art. 435b Sr BES, gewoontewitwassen);
feit 4: op 1 juli 2019, 26 februari 2020 en/of 6 mei 2020 drie documenten over de bouw van een woning valselijk heeft opgemaakt (art. 230 lid 1 Sr BES);
feit 5: in de periode van 11 augustus 2020 tot en met 16 april 2024 een machtiging en facturen valselijk heeft opgemaakt of vervalst.
In zaak A (Smient) wordt haar onder feit 6 verweten dat zij in de periode van 4 november 2021 tot en met 26 oktober 2023 vacatureaanmeldingen heeft vervalst. In zaak B (Lima) wordt haar verweten dat zij in de periode van 6 augustus 2024 tot en met 27 maart 2025 bezwaarformulieren, jaarrekeningen en een toelichting op een winst- en verliesrekening met een andere naam heeft ondertekend en van een valse ontvangststempel van de Belastingdienst heeft voorzien. De tenlastelegging is ter terechtzitting gewijzigd.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie vordert bewezenverklaring van zaak A onder 1, 2 primair, 3 primair, 4, 5 en 6 en van zaak B. Bij feit 1 wijst hij op het boekenonderzoek, de aangiften en de verklaringen van de verdachte: 28 aangiften zijn te laat en twaalf onjuist gedaan, terwijl de verdachte wist dat de opgegeven bedragen te laag waren. Bij feit 2 stelt hij dat de voor belastingbetaling bestemde gelden niet zijn afgedragen maar voor andere doeleinden zijn aangewend en deels in het privévermogen van de verdachte zijn beland. Voor het witwassen (feit 3) vormt de oplichting volgens hem het gronddelict; de gelden zijn via verschillende rekeningen verplaatst en deels contant opgenomen. Bij feit 4 stelt hij dat de verdachte en de medeverdachte samen een niet-bestaande bouwopdracht, betalingen en een annuleringsboete hebben voorgewend. Bij feit 5 wijst hij op de erkenning van de handtekening onder de machtiging en op de digitale gegevens van de facturen. In zaak B wijst hij op de identieke stempels en de niet doorlopende lijnen onder de stempels.
De officier van justitie eist een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van voorarrest, en ontzetting uit het recht tot uitoefening van het beroep van boekhouder voor de duur van 42 maanden.
Standpunt van de verdediging
De raadsman bepleit vrijspraak van zaak A onder 1 tot en met 5 en van zaak B, en voert ten aanzien van feit 6 en subsidiair voor de overige feiten een strafmaatverweer.
Bij feit 1 betwist de verdediging niet dat de verdachte de aangiften heeft ingevuld en ingediend, maar stelt zij dat de verdachte als ondergeschikte en financieel afhankelijke medewerker in opdracht van de eigenaar handelde. De verdediging doet een beroep op psychische overmacht en verzoekt ontslag van alle rechtsvervolging. Het vonnis vermeldt in de inleiding daarentegen dat voor feit 1 vrijspraak is bepleit.
Bij feit 2 bepleit de verdediging integrale vrijspraak. Bij feit 3 voert zij aan dat een gronddelict ontbreekt nu oplichting of verduistering niet bewijsbaar is, dat de berekening van USD 191.338 onvoldoende rekening houdt met zakelijke betalingen, contante afgiften en afdrachten aan de Belastingdienst, en dat de overboekingen volledig traceerbaar zijn, zodat van verbergen of verhullen en van gewoontewitwassen geen sprake is.
Bij feit 4 stelt de verdachte dat er werkelijk een afspraak over de bouw van een woning bestond die later is geannuleerd. Zij erkent de aannemingsovereenkomst en de boetebrief op verzoek van de medeverdachte en de eigenaar te hebben ondertekend, ontkent de betalingsverklaring te hebben ondertekend en voert aan dat de documenten niet zijn gebruikt. Bij feit 5 voert de verdediging aan dat de verdachte toestemming had om namens de eigenaar en het bedrijf op te treden, dat de facturen aan het accountantskantoor door de medeverdachte op haar laptop zijn gemaakt, en dat de facturen van haar eigen onderneming digitale versies zijn van eerdere papieren facturen voor werkelijk verrichte diensten.
In zaak B erkent de verdachte stukken voor klanten te hebben opgesteld en de namen van twee klanten op bezwaarformulieren te hebben gezet, met hun toestemming; de klanten hebben de stukken zelf ingediend.
Ten aanzien van de strafmaat verzoekt de raadsman geen verdere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Hij wijst op het blanco strafblad, de persoonlijke omstandigheden, de lange duur en de gevolgen van de strafzaak, de ondergane voorlopige hechtenis en de zorg van de verdachte voor een minderjarig kind met autisme.
Oordeel gerecht
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is en dat er geen gronden zijn voor schorsing van de vervolging.
Feit 1. De verdachte heeft verklaard dat zij de aangiften invulde en indiende in de wetenschap dat de bedragen lager waren dan uit de administratie volgde, en dat met nieuwe aangiften werd gewacht omdat het bedrijf oude belastingschulden had. De eigenaar gaf als bestuurder opdracht de bedragen te verlagen; de verdachte vulde de aangiften met die bedragen in. Uit overleg en taakverdeling volgt een nauwe en bewuste samenwerking, zodat het medeplegen bewezen is. Het beroep op psychische overmacht verwerpt het Gerecht. Een arbeidsverhouding kan enige druk meebrengen, maar niet gebleken is van bedreiging of dwang; het dossier wijst eerder op een vertrouwensband waarbij de eigenaar op de verdachte leunde. Gelet op de meerjarige duur had de verdachte voldoende gelegenheid haar medewerking te beëindigen, juiste aangiften te doen, openheid te geven aan de Belastingdienst of hulp te zoeken.
Feit 2. De primair ten laste gelegde oplichting is niet bewezen. De verdachte gebruikte geen valse naam, handelde vanuit haar werkelijke functie en er is geen listige kunstgreep of samenweefsel van verdichtsels vast te stellen. Dat het geld na de belastingontduiking via verschillende rekeningen is verplaatst, bewijst niet dat het bedrijf vooraf is misleid. Ook de subsidiaire verduistering is niet bewezen. Omdat de afspraken tussen de eigenaar, de verdachte en het accountantskantoor en het doel van de overboekingen niet kunnen worden vastgesteld, kan evenmin worden vastgesteld dat het beschikken over de bedragen in strijd met die afspraken en daarmee wederrechtelijk was.
Feit 3. Het Gerecht merkt de onder feit 1 bewezen belastingfraude aan als gronddelict. Vermogensbestanddelen waarover iemand beschikt doordat belasting is ontdoken, kunnen uit misdrijf afkomstig zijn, ook als de verdachte het fiscale misdrijf zelf heeft gepleegd. Het Gerecht baseert de criminele herkomst alleen op de bewust te laag gedane aangiften over het derde kwartaal van 2021 tot en met het vierde kwartaal van 2022. Voor de te laat gedane aangiften biedt het dossier onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat juist door het te laat indienen belasting is ontdoken en welk vermogensbestanddeel daardoor is verkregen. Het niet geheven bedrag is vermengd geraakt met het legale bedrijfsvermogen. Omdat het criminele deel aanzienlijk en niet verwaarloosbaar is, zijn de overgeboekte bedragen gedeeltelijk uit misdrijf afkomstig.
Omdat het om geld uit een zelf medegepleegd misdrijf gaat, is het enkele overboeken onvoldoende; de handelingen moeten gericht en geschikt zijn om het zicht op herkomst, verplaatsing of rechthebbende te bemoeilijken. Bedragen die daadwerkelijk aan de Belastingdienst zijn betaald en betalingen van reële zakelijke rekeningen merkt het Gerecht niet als witwashandelingen aan. De overige bedragen zijn via rekeningen van verschillende personen en ondernemingen verplaatst en gedeeltelijk contant opgenomen, waardoor de rechtstreekse band met het bouwbedrijf is doorbroken. Dat de transacties achteraf aan de hand van bankafschriften deels konden worden gereconstrueerd, doet daaraan niet af. De verdachte wist dat het geld gedeeltelijk uit belastingfraude afkomstig was en kon beschikken over bedragen op de rekening van haar toenmalige partner. Omdat het precieze bedrag niet vast te stellen is, verklaart het Gerecht ‘een geldbedrag’ bewezen in plaats van de ten laste gelegde USD 191.338. Gelet op duur, herhaling, omvang en de steeds gelijke werkwijze is sprake van gewoontewitwassen.
Feit 4. De drie documenten zijn met bankafschriften, een verklaring van finale kwijting en een machtiging als één set in de woning van de medeverdachte aangetroffen. Zij vormen samen één verhaal: een bouwopdracht van USD 220.000, een betaald voorschot van USD 38.107 en een annuleringsboete van USD 44.000. Het Gerecht gaat uit van de verklaring van de medeverdachte, die na confrontatie met de bankgegevens verklaart dat de stukken onjuist zijn, samen met de verdachte zijn opgemaakt en moesten dienen om een verkoop van of beslag op zijn perceel af te weren. Het Gerecht acht die verklaring gedetailleerd, ook belastend voor hemzelf, en legt haar ten grondslag aan het medeplegen. De verdachte heeft zelf verklaard dat de medeverdachte de boetebrief “voor de rechter” nodig had, waaruit het oogmerk van gebruik volgt. Werkelijk gebruik is voor valsheid in geschrift niet vereist.
Feit 5. Van de machtiging spreekt het Gerecht de verdachte vrij: uit het dossier blijkt dat zij bevoegd was namens de eigenaar en het bedrijf op te treden. De dertig facturen van het bouwbedrijf aan het accountantskantoor dragen data tussen 11 januari 2021 en 8 december 2022, maar zijn volgens de digitale gegevens binnen ongeveer 38 minuten op 8 en 9 april 2023 op de laptop van de verdachte vervaardigd. De bedragen komen overeen met eerdere overboekingen met de omschrijving ABB, terwijl de facturen vermelden dat het kantoor deze bedragen verschuldigd was voor diverse werkzaamheden. De verklaringen van de verdachte over de totstandkoming wisselen en vinden geen steun in de verklaring van de medeverdachte, die stelt de facturen van haar te hebben ontvangen. De 29 facturen van de onderneming van de verdachte aan het bouwbedrijf zijn op 16 april 2024 binnen ruim twee uur op basis van één ouder sjabloon gemaakt, met dezelfde typefout en hergebruikte factuurnummers; de gestelde papieren originelen zijn niet overgelegd en uit loonstaten en verklaringen van medewerkers blijkt dat de gefactureerde personeelsinzet in ieder geval niet volledig heeft plaatsgevonden. Het oogmerk van gebruik leidt het Gerecht af uit het achteraf samenstellen van complete factuurreeksen. In de bespreking van de facturen aan het accountantskantoor staat dat het niet-gebruik “ook hier aan een bewezenverklaring in de weg” staat, terwijl het Gerecht het verweer verwerpt en het onderdeel bewezen verklaart.
Feit 6. De verdachte bekent dat zij op vacatureaanmeldingen data en functies heeft gewijzigd en stempelteksten heeft toegevoegd. Haar verklaring wordt ondersteund door de formulieren en een verklaring van een medewerker van Plenchi di Trabou. Daardoor is ten onrechte de indruk gewekt dat de formulieren door Plenchi di Trabou waren afgehandeld; de verdachte vervalste ze om ze bij vergunningaanvragen te gebruiken.
Zaak B. In het dossier bevinden zich alleen kopieën van de stukken. Op die kopieën zijn de parafen niet telkens gelijk, slechts twee van de zes stukken bevatten liniëring en nader technisch onderzoek is niet verricht. Het Gerecht acht de valsheid daarom onvoldoende bewezen en kan evenmin vaststellen dat de verdachte de stempels heeft aangebracht of wist dat zij niet echt waren. Uit het plaatsen van de namen van twee klanten volgt niet zonder meer dat zij de indruk wilde wekken dat de directeuren zelf hadden ondertekend. De overeenkomst met de werkwijze in het onderzoek Smient maakt dit niet anders.
Het bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als medeplegen van opzettelijk een bij de Belastingwet BES voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd, en medeplegen van een dergelijke aangifte niet binnen de gestelde termijn doen, meermalen gepleegd (feit 1); medeplegen van het plegen van opzetwitwassen een gewoonte maken (feit 3, art. 435b Sr BES); medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (feit 4); en valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (feiten 5 en 6, art. 230 lid 1 Sr BES).
Bewezenverklaring
Het Gerecht acht bewezen:
Feit 1: in de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 januari 2023 op Bonaire, samen met het bouwbedrijf, meermalen opzettelijk de aangiften ABB en loonbelasting over het eerste kwartaal van 2018 tot en met het tweede kwartaal van 2021 niet binnen de gestelde termijn indienen, en op de aangiften over het derde kwartaal van 2021 tot en met het vierde kwartaal van 2022 een te laag bedrag opgeven, terwijl die feiten ertoe strekten dat te weinig belasting zou worden geheven.
Feit 3 primair: in de periode van 8 juli 2020 tot en met 30 juni 2023 op Bonaire, samen met een ander, van geldbedragen de herkomst en verplaatsing verbergen en verhullen, in de wetenschap dat die bedragen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig waren, waarbij de verdachte van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt.
Feit 4: op 1 juli 2019, 26 februari 2020 en 6 mei 2020 op Bonaire, samen met een ander, valselijk opmaken van een aannemingsovereenkomst voor de bouw van een woning, een brief over een verschuldigde boete van USD 44.000 wegens annulering van bouwwerkzaamheden en een verklaring over ontvangst van USD 38.107 als deelbetaling van een voorschot.
Feit 5: in de periode van 8 april 2023 tot en met 16 april 2024 op Bonaire valselijk opmaken van 30 facturen van het bouwbedrijf aan het accountantskantoor voor niet verrichte werkzaamheden en van 29 facturen van Kassandra services & consulting BV aan het bouwbedrijf voor niet (volledig) verrichte diensten, telkens voorzien van een eerdere datum dan de datum van opmaken.
Feit 6: in de periode van 4 november 2021 tot en met 26 oktober 2023 op Bonaire vervalsen of valselijk opmaken van zeven vacatureaanmeldingen door een willekeurige datum of vacaturefunctie te vermelden en de stempelteksten ‘digitaal afgehandeld’ en ‘geen lokaal aanbod’ toe te voegen, waardoor de indruk is gewekt dat de aanmeldingen door Plenchi di Trabou waren afgehandeld.
De verdachte wordt vrijgesproken van zaak A feit 2 (primair oplichting en subsidiair verduistering), van zaak B, van de machtiging onder feit 5, van het ten laste gelegde bedrag van USD 191.338 onder feit 3 en van wat meer of anders is ten laste gelegd.
Strafoplegging en maatregelen
Het Gerecht legt een gevangenisstraf op van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van de tijd doorgebracht in verzekering en voorlopige hechtenis.
Het Gerecht weegt mee dat de verdachte gedurende meerdere jaren belastingfraude, gewoontewitwassen en valsheid in geschrift heeft gepleegd. De belastingfraude ondermijnt een stelsel dat berust op tijdige, volledige en juiste aangifte, en de gevolgen zijn volgens het Gerecht in een kleine gemeenschap als Bonaire relatief sterk voelbaar. Het witwassen onttrekt geld aan het zicht van de autoriteiten en tast de integriteit van het financiële verkeer aan. De vervalste vacatureaanmeldingen raken een eerlijke en controleerbare uitvoering van het arbeidsmarkt- en toelatingsbeleid en verstoren het gelijke speelveld tussen ondernemingen. Strafverzwarend acht het Gerecht dat de verdachte haar kennis en positie als financieel medewerker heeft gebruikt, op uiteenlopende terreinen en volgens een langdurige, structurele werkwijze, waarmee zij het in haar gestelde vertrouwen ernstig heeft beschaamd. Het Gerecht houdt rekening met de oriëntatiepunten en met straffen in soortgelijke zaken, en in strafmatigende zin met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
In beginsel acht het Gerecht een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, passend. De redelijke termijn is gaan lopen bij de inverzekeringstelling op 28 mei 2024; met de uitspraak op 1 oktober 2026 is de termijn van twee jaren in eerste aanleg overschreden, wat niet aan de verdachte te wijten is. Het Gerecht matigt de straf door het voorwaardelijke deel met één maand te verhogen.
De gevorderde ontzetting uit het beroep van boekhouder legt het Gerecht niet op. Artikel 240 Sr BES staat bij valsheid in geschrift alleen ontzetting toe van de rechten genoemd in artikel 32 lid 1 onder 1° tot en met 4° Sr BES; het recht tot uitoefening van bepaalde beroepen staat afzonderlijk onder 5°. Artikel 435d Sr BES staat bij witwassen alleen ontzetting toe van de rechten onder 1° en 2°. Artikel 33 Sr BES ziet op het bekleden van ambten en niet op het beroep van boekhouder of financieel-administratieve werkzaamheden. Een wettelijke grondslag ontbreekt daarmee.
Het Gerecht blijft onder de eis van het Openbaar Ministerie, dat was uitgegaan van bewezenverklaring van onder meer de oplichting en zaak B. De straf is gegrond op de artikelen 17a, 17b, 31, 49 en 59 Sr BES.
Lees hier de volledige uitspraak.
