Geldboetes voor medeplegen van handel in beschermde dieren; Landeck-vormverzuim bij telefoononderzoek zonder rechtsgevolg

Rechtbank Overijssel 21 mei 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:2674 (verdachte geboren in 1989) en ECLI:NL:RBOVE:2026:2675 (verdachte geboren in 1993)

De rechtbank Overijssel veroordeelt twee in Italië woonachtige dierenhandelaren elk tot een geldboete van € 25.000, waarvan € 10.000 voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, wegens het medeplegen van economische delicten op grond van de Omgevingswet. Zij hebben op 1 juli 2024 in Apeldoorn samen beschermde diersoorten uit de bijlagen A en B bij de CITES-basisverordening en 109 Canadese ganzen zonder de vereiste documenten en omgevingsvergunning verworven en vervoerd, terwijl de legale herkomst niet kon worden aangetoond. De rechtbank stelt een onherstelbaar vormverzuim vast bij het onderzoek aan de telefoon van de verdachten, maar verbindt daaraan geen rechtsgevolg omdat het Landeck-arrest toen nog niet was gewezen en de verdachten niet in relevante mate zijn geschaad. Voor het ontbreken van diergezondheidscertificaten en een vervoersvergunning volgt in beide zaken vrijspraak. De dieren waarvan de legale herkomst niet is vastgesteld worden aan het verkeer onttrokken, terwijl in één zaak de overige dieren aan de verdachte worden teruggegeven.

Inleiding en context

De meervoudige economische kamer van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, wijst op dezelfde dag twee afzonderlijke vonnissen tegen twee natuurlijke personen, beiden in Italië woonachtig. De ene verdachte is geboren in 1989, woont samen met zijn geregistreerd partner en hun kind, is zelfstandig fokker van dieren en houdt een kleine dierentuin in Italië waaruit hij inkomen ontvangt en die op open dagen voor gasten toegankelijk is. De andere verdachte is geboren in 1993, is alleenstaand en beschikt over een grote locatie in Italië waar hij wijn produceert en waar gasten kunnen kamperen en in de weekenden eten, en waar hij naar eigen zeggen ongeveer 200 vogels houdt.

De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit stelt een strafrechtelijk onderzoek in nadat op 1 juli 2024 in Apeldoorn in een voertuig met aanhanger met Italiaans kenteken diverse dieren worden aangetroffen, met het vermoeden dat het om beschermde zoogdier- en vogelsoorten gaat. Beide verdachten maken gebruik van het voertuig en worden aangemerkt als verdachten en als elkaars medeverdachte. Onder de aangetroffen en in beslag genomen dieren bevinden zich twee Aziatische kleinklauwotters, twee steppearenden, twee roodrugbuizerds, twee falklandcaracara's, twee blauwoogkaketoes, twee rosé kaketoes en 109 Canadese ganzen. Volgens de verklaringen ter terechtzitting behoren de otters, steppearenden en roodrugbuizerds toe aan de verdachte van 1989, en de falklandcaracara's, blauwoogkaketoes, rosé kaketoes en Canadese ganzen aan de verdachte van 1993. Beide zaken worden behandeld op de zitting van 7 mei 2026.

Tenlastelegging en wettelijk kader

Aan beide verdachten worden dezelfde vier feiten ten laste gelegd. Feit 1 betreft het opzettelijk handelen in strijd met de Wet dieren door de Europese Diergezondheidsverordening (Verordening (EG) 2016/429) niet na te leven, doordat landdieren van Nederland naar Italië werden verplaatst zonder de vereiste diergezondheidscertificaten. Feit 2 betreft het opzettelijk handelen in strijd met de Omgevingswet door de CITES-basisverordening (Verordening (EG) nr. 338/97) niet na te leven, doordat beschermde soorten uit de bijlagen A en B zonder de benodigde documenten zijn aangekocht, verworven voor commerciële doeleinden, in bezit gehad of vervoerd met het oog op verkoop (primair), dan wel onder zich gehad (subsidiair). Feit 3 betreft het opzettelijk handelen in strijd met de Omgevingswet door de Europese Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG) niet na te leven, doordat beschermde vogels zonder de benodigde documenten zijn vervoerd of onder zich gehad voor verkoop. Feit 4 betreft het opzettelijk handelen in strijd met de Wet dieren door de Europese Transportverordening (Verordening (EG) nr. 1/2005) niet na te leven, doordat dieren zijn vervoerd zonder de vereiste vervoersvergunning voor lange transporten.

Het verbod om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten vloeit voort uit artikel 4.3, tweede lid, in samenhang met artikel 5.1, tweede lid, onder g, van de Omgevingswet, nader uitgewerkt in het Besluit activiteiten leefomgeving. De strafbaarstelling berust op de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

In beide zaken acht de officier van justitie alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen en vordert hij een geldboete van € 25.000 en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van drie jaren. Ten aanzien van het vormverzuim bij het onderzoek aan de telefoon stelt de officier van justitie dat met de enkele constatering daarvan kan worden volstaan. Met betrekking tot de in beslag genomen dieren vordert de officier van justitie verbeurdverklaring dan wel onttrekking aan het verkeer omdat de legale herkomst niet is aangetoond. In de zaak van de verdachte van 1989 ziet die vordering op de Aziatische kleinklauwotters, de steppearenden en de roodrugbuizerds; in de zaak van de verdachte van 1993 op de Canadese ganzen, de blauwoogkaketoes, de falklandcaracara's, de rosé kaketoes en de parkieten.

Standpunt van de verdediging

De verdediging, in beide zaken mr. N. Wouters, voert in beide zaken dezelfde verweren. Primair stelt zij dat al hetgeen op de telefoon van de verdachte is aangetroffen van het bewijs moet worden uitgesloten, omdat de telefoon zonder voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris is onderzocht terwijl geen sprake was van een beperkte inbreuk, en dat niet redelijkerwijs kan worden verondersteld dat de rechter-commissaris toestemming zou hebben gegeven, zodat reeds daarom vrijspraak voor de feiten 2 en 3 moet volgen. Subsidiair voert de verdediging ten aanzien van feit 2 aan dat voor een deel van de dieren wel voldoende is aangetoond dat zij een legale herkomst hadden. Voor zowel feit 2 als feit 3 betoogt zij dat opzet ontbreekt. Voor de feiten 1 en 4 bepleit de verdediging vrijspraak wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. In beide zaken wordt geen strafmaatverweer gevoerd.

Oordeel gerecht

In beide zaken spreekt de rechtbank de verdachte vrij van feit 1. Beide verdachten verklaren dat voor alle dieren vóór vertrek naar Italië een vergunning zou worden aangevraagd, en een ter terechtzitting afgelegde getuigenverklaring bevestigt dat zij op de bewuste dag handelingen hebben verricht ten aanzien van een 21-daagse quarantaine met het oog op het verkrijgen van de benodigde diergezondheidscertificaten. De rechtbank kan daarom niet buiten gerede twijfel vaststellen dat de intentie bestond om de dieren zonder de vereiste certificaten naar een andere lidstaat te verplaatsen.

Ook voor feit 4 volgt in beide zaken vrijspraak. De verdediging heeft een door de Italiaanse autoriteiten afgegeven verklaring overgelegd waaruit blijkt dat aan de vervoerder een vervoersvergunning van type II voor lange transporten is afgegeven, geldig van 11 november 2020 tot 11 november 2025. Hoewel de officier van justitie er terecht op wijst dat de vergunning tijdens het transport aanwezig moet zijn, kan achteraf niet meer worden gereconstrueerd of de vergunning is meegevoerd, en blijkt uit de processen-verbaal niet dat ernaar is gevraagd. De rechtbank kan niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat de vergunning niet aanwezig was. In de zaak ECLI:NL:RBOVE:2026:2675 wijst de rechtbank er bovendien op dat de medeverdachte bij vonnis van dezelfde datum van dit feit is vrijgesproken.

In beide zaken stelt de rechtbank vast dat de telefoon van de verdachte met toestemming van de officier van justitie is onderzocht en dat daarop relevante gegevens, zoals chatgesprekken, zijn aangetroffen. Onder verwijzing naar het Landeck-arrest (HvJ EU 4 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:961) en HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409 overweegt de rechtbank dat voor onderzoek dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris is vereist. Omdat het onderzoek naar gebruikersgegevens, documenten en chatgesprekken zo breed is geweest, was die toetsing hier vereist. Het achterwege blijven daarvan levert een onherstelbaar vormverzuim op in de zin van artikel 359a Sv. De rechtbank verbindt daaraan geen rechtsgevolg en volstaat met de vaststelling, omdat het Landeck-arrest ten tijde van het onderzoek nog niet was gewezen, een rechter-commissaris naar redelijke verwachting toestemming zonder nadere beperkingen zou hebben gegeven, en de verdachte niet in relevante mate in zijn belangen is geschaad. De gegevens zijn bruikbaar voor het bewijs.

In beide zaken oordeelt de rechtbank dat tussen de twee verdachten sprake is van een voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van alle ten laste gelegde dieren, nu zij samen voor de handel in dieren naar Nederland zijn gereisd, samen verkopers hebben bezocht, de dieren in dezelfde voertuigcombinatie vervoerden en een gezamenlijke documentenmap hadden. De Aziatische kleinklauwotter staat in bijlage A bij de CITES-basisverordening, waarvan handel op grond van artikel 8, eerste lid, is verboden. De steppearend, de roodrugbuizerd, de falklandcaracara, de blauwoogkaketoe en de rosé kaketoe staan in bijlage B, waarvan handel alleen is toegestaan indien de legale herkomst is aangetoond. De dieren zijn verworven voor commerciële doeleinden, omdat de locaties van beide verdachten in Italië gericht zijn op het genereren van winst, en de legale herkomst is niet aangetoond. De Canadese gans is een vogelsoort als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, waarvan handel alleen is toegestaan als de vogel aantoonbaar is gefokt; de rechtbank acht aannemelijk dat de 109 Canadese ganzen, waarvan de legale herkomst niet kon worden aangetoond en die geen pootringen hadden, voor verkoop zijn vervoerd en onder zich gehouden. Dat deze soort in Italië vrij zou worden verkocht, laat onverlet dat aan de Nederlandse regelgeving moet worden voldaan.

De rechtbank verwerpt in beide zaken het verweer dat opzet ontbreekt. De verdachten moeten zich ervan bewust zijn geweest dat de legale herkomst van de dieren niet kon worden aangetoond, temeer nu zij structureel in dergelijke dieren handelen en hebben verklaard de regelgeving te kennen. Door de dieren met onvolledige informatie toch onder zich te nemen en te vervoeren hebben zij ten minste de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij in strijd met de CITES-basisverordening en de Vogelrichtlijn handelden. De feiten 2 primair en 3 zijn in beide zaken wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

In beide zaken verklaart de rechtbank bewezen dat de verdachte op 1 juli 2024 te Apeldoorn, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk, zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit heeft verricht:

  • feit 2 primair: het aankopen en verwerven voor commerciële doeleinden van twee Aziatische kleinklauwotters als specimens van een in bijlage A genoemde soort, en van twee steppearenden, twee roodrugbuizerds, twee falklandcaracara's, twee blauwoogkaketoes en twee rosé kaketoes als specimens van de in bijlage B genoemde soorten, in strijd met artikel 8, eerste en vijfde lid, en artikel 9, eerste en vierde lid, van de CITES-basisverordening, terwijl de legale herkomst niet is aangetoond;

  • feit 3: het voor verkoop vervoeren en onder zich hebben van 109 Canadese ganzen, levende vogels van een soort als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.

Beide verdachten worden vrijgesproken van de feiten 1 en 4 en van wat meer of anders is ten laste gelegd. Het bewezen verklaarde levert in beide zaken voor beide feiten op: medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens de Omgevingswet, opzettelijk begaan, ten aanzien van feit 2 meermalen gepleegd.

Strafoplegging en maatregelen

De rechtbank veroordeelt beide verdachten tot dezelfde straf: een geldboete van € 25.000, waarvan € 10.000 voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, bij gebreke van betaling te vervangen door 141 dagen hechtenis. Beide verdachten zijn in Nederland niet eerder veroordeeld. De rechtbank neemt de gevorderde straf als uitgangspunt, maar ziet in beide zaken geen aanleiding voor een voorwaardelijke gevangenisstraf omdat zij tot een andere bewezenverklaring komt dan die aan de eis ten grondslag ligt. Zij acht een forse onvoorwaardelijke geldboete passend, maar houdt strafmatigend rekening met aanwijzingen dat een aantal dieren een legale herkomst heeft, en legt ter bevordering van toekomstige naleving een deels voorwaardelijke geldboete op.

De beslissing over het beslag verschilt per zaak en volgt de dieren die onder de betreffende verdachte in beslag zijn genomen. In de zaak ECLI:NL:RBOVE:2026:2674 verklaart de rechtbank de twee Aziatische kleinklauwotters, twee steppearenden en twee roodrugbuizerds op grond van artikel 36b in samenhang met artikel 36c Sr onttrokken aan het verkeer. In de zaak ECLI:NL:RBOVE:2026:2675 onttrekt de rechtbank op dezelfde grondslag de 109 Canadese ganzen, twee blauwoogkaketoes, twee falklandcaracara's en twee rosé kaketoes aan het verkeer, en gelast zij daarnaast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen tien parkieten en twee bleekkoprosella's, nu het belang van strafvordering zich daartegen niet langer verzet. In beide gevallen berust de onttrekking erop dat de legale herkomst niet is vastgesteld en het ongecontroleerde bezit in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Lees hier de volledige uitspraak in de zaak van de verdachte geboren in 1989 en hier de volledige uitspraak in de zaak van de verdachte geboren in 1993.

Print Friendly and PDF ^