AFM publiceert analyse over risicogebaseerd cliëntenonderzoek bij politiek prominente personen
/De AFM heeft op 4 juni 2026 de analyse Aandacht voor de risicogebaseerde benadering van PEPs bij cliëntenonderzoek blijft belangrijk gepubliceerd. Daarin koppelt de toezichthouder de overkoepelende bevindingen terug van een thematisch onderzoek naar de omgang met politiek prominente personen onder de Wwft. De juridische kern raakt aan de verplichting van een onderneming om vast te stellen of een cliënt of de uiteindelijk belanghebbende (UBO) een PEP is, en om in dat geval aanvullende, op het risico afgestemde maatregelen te treffen. De AFM stelt vast dat ondernemingen die aanvullende maatregelen treffen niet altijd kijken naar de specifieke risico's van de individuele PEP, dat sommige ondernemingen nationaliteit gebruiken als zelfstandig criterium in de risicobeoordeling, en dat het PEP-begrip binnen ondernemingen niet altijd eenduidig wordt toegepast. De uitkomsten zijn eerder individueel met de betrokken ondernemingen gedeeld; met de publicatie geeft de AFM de bevindingen terug aan de sector en deelt zij enkele good practices.
Achtergrond van het onderzoek
De AFM voerde het onderzoek uit vanuit haar risicogebaseerde aanpak en naar aanleiding van enkele bevindingen uit de evaluatie door de Financial Action Task Force (FATF) uit 2022. Het onderzoek richtte zich op drie beleggingsinstellingen, twee beleggingsondernemingen en negen financieel dienstverleners die bemiddelen in levensverzekeringen of gebruikmaken van het nationaal regime. Voor de analyse gebruikte de AFM data uit onderzoeken en uit de periodieke vragenlijsten die zij verstuurt in het kader van de Wwft en de Sanctiewet 1977 (Sw). De AFM omschrijft PEPs als personen die een prominente politieke functie bekleden of hebben bekleed, samen met hun directe familieleden en naaste geassocieerden. Het PEP-begrip omvat zowel buitenlandse als binnenlandse politiek prominente personen. Accountancy Vanmorgen
Het wettelijk kader voor PEPs onder de Wwft
Onder de Wwft moet een onderneming risicogebaseerde procedures hebben om te bepalen of een cliënt of de UBO van de cliënt een PEP is. Is dat het geval, dan is een verscherpt cliëntenonderzoek vereist. Artikel 8 Wwft schrijft voor dat een verscherpt cliëntenonderzoek plaatsvindt wanneer het risico op witwassen en financieren van terrorisme hoog is, en gaat verder wanneer de cliënt of UBO een PEP is: er is toestemming van een hogere leidinggevende nodig, er worden passende maatregelen genomen om de herkomst van het vermogen vast te stellen, en de relatie wordt doorlopend aan verscherpte controle onderworpen. De verscherpte maatregelen gelden ook voor familieleden en naaste geassocieerden van de PEP, zoals nader uitgewerkt in artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018. De AFM benadrukt in de analyse dat PEPs niet zonder meer een hoog risico op witwassen of financieren van terrorisme meebrengen. De aanleiding voor aanvullende maatregelen is gelegen in de grotere kans dat een PEP kwetsbaar is voor omkoping en corruptie. RadarlawRadarlaw
Maatwerk, risicoclassificatie en nationaliteit
Uit het onderzoek blijkt dat ondernemingen die aanvullende maatregelen treffen niet altijd kijken naar de specifieke risico's van de als PEP aangemerkte cliënt. De AFM stelt dat niet elke PEP een hoog risico vormt en dus niet op dezelfde wijze hoeft te worden onderzocht. Verschillende risico-indicatoren horen in de beoordeling van het risicoprofiel te worden meegenomen, waaronder bijvoorbeeld het corruptieniveau van een land. De AFM constateerde dat een aantal ondernemingen onderscheid maakt tussen cliënten met een Nederlandse nationaliteit en cliënten met een niet-Nederlandse nationaliteit. Het hanteren van nationaliteit als zelfstandig criterium binnen de risicoclassificatie kan volgens de toezichthouder leiden tot ongerechtvaardigd onderscheid en daarmee tot een risico op discriminatie. Als good practice beschrijft de AFM dat een PEP niet automatisch als hoog risico wordt geclassificeerd, maar dat elk geval afzonderlijk wordt beoordeeld op basis van de relevante risicofactoren, en dat nationaliteit niet als losstaand risicocriterium wordt gebruikt.
PEP-begrip, beleid en uitvoering
De AFM acht een eenduidig begrip van wat onder een PEP wordt verstaan noodzakelijk binnen de onderneming. Bij het ontbreken van een eenduidig PEP-begrip en bij het gebruik van onjuiste screeningslijsten kan een onderneming de PEP-status van een cliënt niet bepalen en de risico's niet correct beoordelen. In enkele gevallen kwamen de maatregelen die in de praktijk worden genomen niet overeen met het PEP-beleid. De AFM merkt op dat deze inconsistentie het risico vergroot op onduidelijkheid bij medewerkers en op onvolledige naleving van de Wwft-verplichtingen. Als good practice noemt de AFM dat de wettelijke PEP-definitie wordt gehanteerd en dat wordt gespecificeerd welke bronnen, hulpmiddelen en screeningslijsten worden gebruikt.
Uitbesteding, tooling, opleiding en vastlegging
Ondernemingen kunnen volgens de AFM op verschillende manieren beoordelen of sprake is van een PEP, via eigen onderzoek op basis van interne of openbare bronnen of via diensten van commerciële aanbieders. Een onderneming moet echter altijd zelf onderzoek doen naar de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de informatie en kan niet uitsluitend afgaan op verklaringen van de cliënt. Bij een aantal ondernemingen was niet duidelijk vastgelegd wat de concrete rol van een ingeschakeld extern bureau is, welke definities en tooling worden gebruikt en hoe de voortdurende monitoring plaatsvindt. De AFM wijst erop dat de onderneming zelf verantwoordelijk blijft voor de naleving van de wettelijke verplichtingen, ook bij uitbesteding. Tooling kan de monitoring ondersteunen, maar is volgens de AFM niet altijd tijdig of volledig bij het signaleren van wijzigingen in de PEP-status, bijvoorbeeld in perioden van politieke veranderingen zoals na verkiezingen.
Op het gebied van opleiding constateerde de AFM dat het beleid van een aantal ondernemingen verwijst naar het Wft-adviesdiploma als opleiding over het PEP-begrip. Dat is volgens de toezichthouder niet altijd toereikend om te waarborgen dat medewerkers op de hoogte zijn van actuele ontwikkelingen en verplichtingen rond de vaststelling en beoordeling van PEPs. De AFM verwijst hierbij naar haar Leidraad Wwft en Sanctiewet, waarin staat dat opleidingen zo effectief mogelijk moeten worden toegespitst op de verschillende functies binnen de onderneming. Daarnaast stelde de AFM vast dat de vastlegging van de identificatie en verificatie van PEPs en van de bijbehorende screeningsresultaten niet altijd op een voldoende herleidbare wijze plaatsvindt, waardoor voor een toezichthouder niet altijd inzichtelijk is welke aanvullende maatregelen zijn genomen. Als good practice noemt de AFM dat de gebruikte documenten en gegevens worden vastgelegd, minimaal vijf jaar worden bewaard en reproduceerbaar zijn, en dat een geschikt CRM- of dossiersysteem wordt overwogen voor centrale dossiervorming.
Aansluiting bij eerdere publicaties
De AFM plaatst haar bevindingen in lijn met recente publicaties van andere partijen. Zij verwijst naar het rapport Proportionaliteit in Perspectief van De Nederlandsche Bank (DNB) en naar de Informatiebrochure voor Politiek Prominente Personen van het ministerie van Financiën, die beide een risicogebaseerde benadering bij de risicoclassificatie van PEPs benadrukken. Het DNB-onderzoek betreft een verkenning naar de wijze waarop banken hun Wwft-maatregelen afstemmen op klanten met een laag risicoprofiel, waaronder PEPs. DNB beschrijft daarin dat een enkel signaal, zoals een formele PEP-status, niet automatisch tot opschaling mag leiden zonder weging van het totale klantbeeld. De AFM merkt op dat het standaard als hoog risico classificeren van PEPs ertoe kan leiden dat onnodig intensieve maatregelen worden toegepast bij PEPs met een laag witwasrisico. Verder wijst de AFM op de door de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) gepubliceerde risicogebaseerde standaard met richtlijnen, waarin wordt beschreven hoe cliëntenonderzoek kan worden afgestemd op de concrete risico's. De Nederlandsche BankFinancieelrechtadvocaten
Afsluiting
De AFM heeft met deze analyse de overkoepelende bevindingen uit haar thematisch onderzoek teruggekoppeld aan de sector en daarbij een aantal good practices beschreven op het gebied van risicoclassificatie, het PEP-begrip, uitbesteding en tooling, opleiding en vastlegging. De publicatie bevat geen besluit en geen handhavingsmaatregel; de individuele uitkomsten zijn eerder met de betrokken ondernemingen gedeeld. De onderneming blijft onder de Wwft zelf verantwoordelijk voor de keuzes en beslissingen in het cliëntenonderzoek, ook wanneer externe partijen of tooling worden ingezet. De AFM plaatst de bevindingen in het bredere kader van de risicogebaseerde benadering die ook in publicaties van DNB en het ministerie van Financiën centraal staat.
