Geen proces-verbaal raadkamer: Hoge Raad vernietigt beschikking rechtbank in beslagzaak eiwittenexport

Hoge Raad 6 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:16

In een beklagzaak over beslag op gegevensdragers, administratie en goederen vanwege verdenking van illegale export van dierlijke eiwitten buiten de EU, klaagt de klager dat er geen proces-verbaal is opgemaakt van het raadkameronderzoek. De Hoge Raad oordeelt dat artikel 25 lid 1 Sv voorschrijft dat zo’n proces-verbaal verplicht is en stelt vast dat dit stuk ontbreekt. Hierdoor is de beslissing van de rechtbank Overijssel ondeugdelijk gemotiveerd. De overige cassatiemiddelen worden onbesproken gelaten. De beschikking van de rechtbank wordt vernietigd. De zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank voor nieuwe behandeling.

Achtergrond

De onderhavige zaak betreft een klaagschrift ex artikel 552a Wetboek van Strafvordering (Sv) en een klaagschrift ex artikel 98 lid 4 jo. artikel 552a Sv, ingediend door een natuurlijk persoon (de klager), geboren in 1963. Het beklag richt zich tegen het beslag dat op grond van artikel 94 Sv is gelegd op verschillende waardegoederen, gegevensdragers en administratieve bescheiden, zowel onder de klager als onder drie medeklaagsters (rechtspersonen).

De beslaglegging vindt plaats in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar de verdenking van de illegale export van grote hoeveelheden verwerkte dierlijke eiwitten naar landen buiten de Europese Unie. Daarbij zou gebruik zijn gemaakt van vervalste handelsdocumenten. Het strafrechtelijk onderzoek richt zich aldus op vermoedelijke overtredingen van onder meer de Wet dieren en mogelijk oplichting of valsheid in geschrifte zoals strafbaar gesteld in de artikelen 225 en 326 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), maar de precieze tenlastelegging of vervolging wordt in deze beschikking niet vermeld. Evenmin is bekend of de klager of medeklaagsters reeds zijn veroordeeld of dat sprake is van een lopend opsporingsonderzoek.

De rechtbank Overijssel heeft op 22 december 2023 (zaaknummers RK 23/019717 en 22/23) uitspraak gedaan op het klaagschrift van de klager. Daarbij is de klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag. De rechtbank heeft haar oordeel echter genomen zonder dat van het onderzoek door de raadkamer een proces-verbaal is opgemaakt zoals vereist op grond van artikel 25 lid 1 Sv.

Tegen deze beschikking is cassatie ingesteld door de klager. De raadsman, mr. Th.J. Kelder, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld. De onderhavige uitspraak staat in samenhang met de zaak onder nummer 24/00107 Bv, waarin eveneens beklag is ingesteld door drie rechtspersonen op gelijke gronden, en eveneens niet-ontvankelijk is verklaard.

Middel

Het eerste cassatiemiddel klaagt over de schending van artikel 25 lid 1 Sv. Volgens deze bepaling dient de griffier van het onderzoek door de raadkamer een proces-verbaal op te maken waarin zakelijk wordt weergegeven welke verklaringen zijn afgelegd en wat er verder ter zitting is voorgevallen. Dit proces-verbaal dient volgens het wetgevend kader deel uit te maken van de processtukken. Het middel stelt dat een dergelijk proces-verbaal in dit geval ontbreekt en dat dit een fundamenteel vormverzuim oplevert, nu daarmee de controleerbaarheid en de toetsbaarheid van de beslissing van de rechtbank wordt belemmerd.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad overweegt dat artikel 25 lid 1 Sv expliciet bepaalt dat van het onderzoek door de raadkamer door de griffier een proces-verbaal moet worden opgemaakt. Dat proces-verbaal moet niet alleen de zakelijke inhoud van de afgelegde verklaringen bevatten, maar ook een weergave van hetgeen verder ter raadkamerzitting is voorgevallen. Daarnaast bevat het artikel voorschriften ten aanzien van de inrichting, vaststelling, ondertekening en de voeging van dit stuk bij het procesdossier.

In de onderhavige zaak is het proces-verbaal van het raadkameronderzoek van 24 maart 2023 niet opgenomen in het dossier dat aan de Hoge Raad is toegezonden. Naar aanleiding van een verzoek van de raadsman van klager, gebaseerd op artikel 4.3.6.3 van het Procesreglement van de Hoge Raad der Nederlanden, is bij de rechtbank Overijssel nadere informatie ingewonnen. Uit die navraag blijkt dat er inderdaad geen proces-verbaal is opgemaakt van het raadkameronderzoek.

De Hoge Raad oordeelt dat het ontbreken van dit verplichte processtuk een schending vormt van artikel 25 lid 1 Sv. Daarmee is het cassatiemiddel gegrond. Dit vormverzuim tast de beslissing van de rechtbank zodanig aan dat vernietiging van de beschikking onvermijdelijk is.

Beoordeling overige middelen

Gelet op het feit dat het eerste cassatiemiddel slaagt en de beschikking reeds op die grond wordt vernietigd, acht de Hoge Raad het niet noodzakelijk om de overige twee cassatiemiddelen afzonderlijk te bespreken. Deze beoordeling blijft daarmee achterwege.

Beslissing

De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel van 22 december 2023 waarin de klager niet-ontvankelijk is verklaard in zijn beklag. De zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank Overijssel, opdat deze opnieuw wordt behandeld en afgedaan met inachtneming van de wettelijke voorschriften, in het bijzonder artikel 25 lid 1 Sv.

Deze uitspraak past in de lijn van eerdere jurisprudentie waarin de Hoge Raad streng toeziet op de naleving van de vormvereisten bij raadkamerprocedures. De aanwezigheid van een proces-verbaal is van wezenlijk belang voor de waarborging van de procesrechten van de klager, de transparantie van de procedure en de mogelijkheid tot toetsing in hoger beroep of cassatie.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^