Europees Parlement weigert opheffing immuniteit Duits europarlementslid

Op 19 mei 2026 heeft het Europees Openbaar Ministerie in een verklaring laten weten dat het Europees Parlement de gevraagde opheffing van de parlementaire immuniteit van een Duits lid heeft afgewezen. Het verzoek van de Europese Hoofdaanklager dateerde van 21 juli 2025 en was gebaseerd op artikel 29 van de EOM-Verordening, dat voorschrijft dat een opheffingsverzoek wordt ingediend wanneer een immuniteit een specifiek onderzoek belemmert. Omdat naar Duits constitutioneel recht een strafrechtelijk vooronderzoek tegen een zittend parlementariër niet kan worden geopend zonder voorafgaande toestemming van het bevoegde parlement, leidt de weigering tot een procedureel beletsel: het EOM kan het feitenonderzoek in deze zaak niet voortzetten. Het EOM heeft aangekondigd zich het recht voor te behouden de beslissing voor de bevoegde rechter aan te vechten. Voor de bijzonder-strafrechtelijke praktijk is de zaak om verschillende redenen relevant, niet in de laatste plaats omdat zij de werking van artikel 29 EOM-Verordening in samenhang met nationaal grondwettelijk recht concreet zichtbaar maakt. In deze blog brengen wij het juridisch kader in beeld en lichten we de procedurele consequenties van de weigering toe.

Het juridisch kader: artikel 9 Protocol 7 en artikel 46 Grundgesetz

Leden van het Europees Parlement genieten op grond van artikel 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie (PVI) een tweeledige bescherming. Op het grondgebied van hun eigen lidstaat komt hun de immuniteit toe die nationale parlementsleden in dat land genieten; op het grondgebied van andere lidstaten zijn zij gevrijwaard van detentie en rechtsvervolging. Voor Duitse europarlementariërs werkt op die manier het regime van artikel 46 van het Grundgesetz materieel door. Artikel 46, tweede lid, GG bepaalt dat een afgevaardigde slechts met toestemming van het parlement strafrechtelijk vervolgd of in hechtenis kan worden genomen, behoudens aanhouding op heterdaad of in de loop van de daaropvolgende dag. Volgens de uitwerking van het Bundestag in zijn beginselen inzake immuniteit (Anlage 6 GO-BT) is reeds voor het openen van een strafrechtelijk vooronderzoek (Ermittlungsverfahren) toestemming vereist. Voor leden van het Europees Parlement wordt die toestemming niet door het Bundestag verleend, maar door het Europees Parlement zelf, dat op grond van zijn Reglement (regels 7 tot en met 9) bevoegd is over verzoeken tot opheffing van de immuniteit te beslissen. Het EOM stelt in zijn verklaring dan ook nadrukkelijk vast dat opheffing van de immuniteit in Duitse EOM-zaken een onontkoombare voorwaarde is om een onderzoek überhaupt te kunnen beginnen.

Het verzoek op grond van artikel 29 EOM-Verordening

Artikel 29 van Verordening (EU) 2017/1939 regelt de procedure voor het opheffen van privileges en immuniteiten in EOM-zaken. Het eerste lid bepaalt dat de Europese Hoofdaanklager een gemotiveerd schriftelijk verzoek tot opheffing indient wanneer een onderzoek wordt belemmerd door een privilege of immuniteit op grond van nationaal recht; het tweede lid voorziet in dezelfde verplichting wanneer het privilege of de immuniteit voortvloeit uit het Unierecht, in het bijzonder Protocol 7 PVI. In deze zaak komen beide grondslagen samen, omdat de Duitse europarlementariër via artikel 9 PVI bescherming naar Duits constitutioneel recht geniet. Het EOM stelt dat het verzoek werd ingediend op basis van een melding waarin sprake was van "allegations of fraud"; specifieke feiten en bewijsstukken zijn door het EOM in deze fase niet bekendgemaakt. In zijn verklaring benadrukt het EOM dat opheffing geen vooruitlopen op de schuldvraag betekent, maar uitsluitend dient om het feitenonderzoek te kunnen voeren en daarbij zowel belastend als ontlastend bewijs te verzamelen. Diezelfde lijn hanteert het EOM ook in vergelijkbare immuniteitsdossiers, zoals een recent geïnitieerde reeks opheffingsverzoeken in Griekenland met betrekking tot landbouwsubsidies (OPEKEPE).

De procedure in het Europees Parlement en de stemming van 19 mei 2026

Na ontvangst van het opheffingsverzoek heeft de voorzitter van het Europees Parlement de zaak in plenaire vergadering aangekondigd en doorverwezen naar de Commissie juridische zaken (JURI), conform de gangbare procedure. Volgens de openbare JURI-agenda is het lid in kwestie op 15 april 2026 in besloten zitting gehoord, waarna JURI op 4 en 5 mei 2026 het ontwerpverslag heeft besproken en de aanbeveling heeft vastgesteld (zaak JURI/10/03927, dossier 2025/2175(IMM)). De aanbeveling van JURI strekte tot handhaving van de immuniteit; volgens de openbare stukken betreft de zaak het verzoek tot opheffing van de immuniteit van Angelika Niebler (CSU). Op 19 mei 2026 heeft het plenum, in een geheime stemming, de aanbeveling overgenomen. Volgens berichtgeving stemden 309 leden tegen opheffing, 283 leden vóór, en onthielden 53 leden zich van stemming. Het EOM, het lid in kwestie en de bevoegde Duitse autoriteiten zijn over de uitkomst formeel geïnformeerd. Het lid heeft via haar advocaat eerder elke betrokkenheid bij strafbare feiten ontkend; het vermoeden van onschuld geldt onverkort, te meer omdat door de weigering geen formeel strafrechtelijk onderzoek is geopend.

Verfahrenshindernis en de mogelijke rechtsgang

Met het uitblijven van de opheffing strandt het EOM-dossier op wat in de EOM-verklaring wordt aangeduid als een "procedural barrier" en in het Duitse rechtsgebruik bekendstaat als een Verfahrenshindernis. Concreet betekent dit dat de gedelegeerd Europese aanklager geen onderzoekshandelingen kan verrichten zolang de immuniteit voortduurt. Naar Duits recht is de immuniteitsbescherming overigens niet onbeperkt in tijd: zij geldt voor de duur van het mandaat, en gedurende die periode rust de strafrechtelijke verjaring. Theoretisch kan een onderzoek na afloop van het mandaat alsnog worden geopend, mits de feiten dan nog vervolgbaar zijn.

Of het EOM rechtstreeks kan opkomen tegen de plenaire weigering, is in de unierechtspraak nog niet uitgekristalliseerd. In de zaak Kaili t. Parlement en EOM (beschikking Gerecht 16 januari 2024, T-46/23) oordeelde het Gerecht dat het opheffingsverzoek van de Europese Hoofdaanklager zelf geen voor beroep vatbare handeling vormt, omdat het een voorbereidende handeling betreft. Een definitieve beslissing van het Europees Parlement op zo'n verzoek kan echter wél via artikel 263 VWEU aan rechterlijke toetsing worden onderworpen, zoals onder meer blijkt uit eerdere immuniteitsrechtspraak van het Gerecht. Daarnaast heeft het Hof van Justitie EU in zijn arrest van 17 april 2026 in de zaak Mincu Pătrașcu Brâncuși opnieuw afgebakend langs welke routes EOM-handelingen vatbaar zijn voor rechterlijke toetsing op Unieniveau. Het EOM kondigt nu aan zich het recht voor te behouden de beslissing aan te vechten; welke procedurele weg precies wordt bewandeld, zal de komende periode duidelijk worden.

Voor de Nederlandse praktijk is van belang dat het Duitse model van parlementaire immuniteit aanzienlijk verschilt van het Nederlandse. Op grond van artikel 71 Grondwet kent Nederland uitsluitend indemniteit voor uitingen in de vergaderingen van de Staten-Generaal, maar geen algemene strafrechtelijke onschendbaarheid die opheffing zou vergen voordat een vooronderzoek kan worden gestart. Voor Nederlandse europarlementariërs leidt artikel 9 PVI daardoor tot een wezenlijk andere uitkomst dan voor hun Duitse collega's: een EOM-onderzoek hoeft op die grond niet vooraf te worden goedgekeurd.

Afsluiting

De weigering van het Europees Parlement om de immuniteit van een zittend Duits europarlementslid op te heffen, illustreert de bijzondere positie van parlementaire immuniteit in EOM-onderzoeken. Het EOM opereert binnen een hybride rechtsorde waarin nationale grondwettelijke beschermingen via artikel 9 PVI doorwerken in de Unierechtelijke handhaving van de financiële belangen van de Unie. Het concrete gevolg in deze zaak is dat het feitenonderzoek niet kan beginnen zolang de immuniteit voortduurt. De eventuele rechterlijke toets van de plenaire beslissing en de inrichting van het EOM-onderzoek na afloop van het mandaat zullen mede bepalend zijn voor de praktijk van toekomstige opheffingsverzoeken. Voor de juridische gemeenschap is daarmee een dossier ontstaan dat zowel de reikwijdte van artikel 29 EOM-Verordening als de positie van parlementaire immuniteit in de Unierechtsorde scherper kan afbakenen.

Print Friendly and PDF ^