Directeur van vakantieparken krijgt celstraf voor jarenlang ontduiken van belasting; ondernemingen krijgen samen ruim 1,3 miljoen euro boete

De rechtbank Oost-Brabant heeft op 7 mei 2026 een 64-jarige ondernemer (geboren in 1962) veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, voor fiscale misdrijven. Door zijn toedoen werd jarenlang opzettelijk niet op tijd aangifte van de vennootschapsbelasting voor zijn vakantieparken gedaan en hielden zijn rechtspersonen ruim 2,8 miljoen euro in eigen zak. De zeven betrokken ondernemingen zelf worden in afzonderlijke vonnissen veroordeeld tot geldboetes van in totaal ruim 1,3 miljoen euro. Het is voor deze ondernemer de tweede strafrechtelijke veroordeling in iets meer dan een jaar tijd.

De feiten: aangiften vennootschapsbelasting 2020 en 2021

De verdachte is eigenaar van diverse vakantieparken en had volgens de Belastingdienst in de jaren 2020 en 2021 forse bedragen aan vennootschapsbelasting moeten afdragen. Dit liet hij na. Voor de aangifte over 2020 was de uiterste indieningstermijn 5 augustus 2022, voor de aangifte over 2021 was dat 24 juli 2023. Uiteindelijk werden de aangiften pas op 28 juni 2024 alsnog ingediend, dus ruim na de gestelde termijnen.

De Belastingdienst stuurde aan elke onderneming uitnodigingen, herinneringen, aanmaningen en zogenoemde correctiebrieven met het voornemen tot ambtshalve aanslagen, maar dat leverde geen tijdige aangiften op. De zaak is voortgekomen uit het FIOD-onderzoek met de codenaam 'Braddon', dat op 10 oktober 2024 werd gesloten. Het procesdossier omvat 130 pagina's. De rechtbank stelt vast dat de aanmaningen telkens naar het juiste vestigingsadres zijn gestuurd, waar zich volgens de verdachte ook de centrale administratie van alle ondernemingen bevindt. Het verweer dat niet zou kunnen worden vastgesteld dat de brieven daadwerkelijk zijn aangekomen, wordt verworpen: noch de verdachte, noch zijn raadsman heeft op enig moment betwist dat de aanmaningen de rechtspersonen feitelijk hebben bereikt; er werd alleen aangevoerd dat dit op basis van het dossier niet zou kunnen worden vastgesteld. Dat is volgens de rechtbank iets anders dan de in de aangehaalde jurisprudentie bedoelde situatie waarin een verdachte uitdrukkelijk ontkent ontvangst te hebben gehad.

Met zijn handelen schond de verdachte de integriteit van het financiële en economische verkeer in Nederland, alleen om er zelf beter van te worden. Ook ondermijnde hij het financiële fundament van onze samenleving. De verdachte gaf volstrekt onvoldoende prioriteit aan de fiscale verplichtingen die verbonden zijn aan zijn ondernemingen. Daarbij komt dat de bewust gebrekkige administratie het lastig maakt om, ook nu er aangiftes zijn ingediend, te komen tot een juiste aangifte. Dit is volledig aan de ondernemer zelf te wijten.

Een vast patroon

De rechtbank ziet ook dat het in de voorafgaande jaren administratief al lange tijd misging bij de vakantieparken van de verdachte. Al vanaf 2013/2014 gaat het mis: over meerdere boekjaren zijn geen jaarcijfers opgemaakt en pogingen om de ondernemer 'compliant' te krijgen slaagden niet. In 2019 deed de FIOD invallen bij de verdachte en zijn ondernemingen. Op de zitting van 14 april 2026 verklaarde de huidige belastingadviseur dat er op dit moment nog tientallen fiscale procedures lopen tussen de Belastingdienst en de vakantieparken van de verdachte.

Veelzeggend is wat de belastingadviseur bij de rechter-commissaris verklaarde over de gang van zaken: de aangiften over 2020 en 2021 konden niet binnen de termijn worden ingediend omdat de jaarcijfers eenvoudigweg niet eerder compleet waren. Op 4 juli 2023 vond een overleg plaats met de Belastingdienst, juist met als doel de grote achterstand in het doen van aangiften te bespreken. Daarmee staat volgens de rechtbank vast dat zowel de verdachte als zijn adviseurs goed wisten dat de termijnen al waren geschonden, en waarom dat het geval was.

Deze zaak staat dus niet op zichzelf, maar lijkt deel van een vast patroon. Anders dan vergelijkbare ondernemingen van deze omvang heeft de verdachte er vele jaren voor gekozen om geen volledige, inzichtelijke en professionele administratie te voeren, terwijl hij tegelijkertijd veelvuldig belastingprocedures startte. Daardoor voldeed hij jarenlang niet aan de fiscale verplichtingen en moest de Belastingdienst handenvol werk verzetten.

Het oordeel van de rechtbank: opzet, strekkingsvereiste en feitelijk leidinggeven

Volgens de rechtbank is sprake van voorwaardelijk opzet. Door geen deugdelijke administratie te (laten) voeren en geen tijdige jaarstukken op te (laten) maken, hebben de rechtspersonen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de aangiften niet tijdig zouden worden gedaan. Dat de verdachte op zitting verklaarde dat hij mensen "achter de broek" had gezeten en intern had gezegd dat men moest "opschieten", helpt hem daarbij niet: het bevestigt juist dat hij wist welke termijnen golden en dat zijn ondernemingen daar niet aan voldeden.

Aan het strekkingsvereiste van artikel 69 AWR is volgens de rechtbank eveneens voldaan, omdat het niet tijdig doen van aangiften naar zijn aard in het algemeen geschikt is om teweeg te brengen dat te weinig belasting wordt geheven. Het verweer dat door forse compensabele verliezen feitelijk geen belasting verschuldigd zou zijn, slaagt niet. De rechtbank beoordeelt het strekkingsvereiste namelijk naar het moment van het verzuim, niet naar wat er later met de aanslagen is gebeurd. Onder verwijzing naar HR 1 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3431 merkt de rechtbank bovendien op dat niet de feitelijke heffing maar de aard van de gedraging beslissend is: de strekking dat te weinig belasting wordt geheven is niet beperkt tot de heffing ten laste van degene die de verboden gedraging zelf heeft verricht.

Het verweer dat de verdachte geen pleger kan zijn omdat hij niet de vereiste kwaliteit (belastingplichtige) heeft, wordt verworpen. De tenlastelegging is namelijk niet gebaseerd op plegerschap, maar op feitelijk leidinggeven aan verboden gedragingen van de rechtspersonen. Dat verwijt acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen: de verdachte was enig aandeelhouder en bestuurder van de holding, die op haar beurt enig aandeelhouder en bestuurder was van de overige rechtspersonen. Hij heeft zich naar buiten toe ook gepresenteerd en gedragen als de feitelijk leidinggever, en heeft dat ter zitting erkend. Het onderdeel medeplegen leidt wel tot een partiële vrijspraak, omdat niet is gebleken dat de ondernemingen de feiten gezamenlijk hebben gepleegd. Ook van het onderdeel 'niet doen van aangiften' wordt de verdachte partieel vrijgesproken, omdat de aangiften uiteindelijk wél zijn ingediend, alleen niet tijdig.

Gevangenisstraf

Gelet op de ernst van de misdrijven komt de rechtbank tot oplegging van een gevangenisstraf. De LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting gaan bij een benadelingsbedrag van € 1.000.000 of hoger uit van 24 maanden tot maximaal vier jaar gevangenisstraf. De officier van justitie eiste een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van achttien maanden. De rechtbank wijkt daarvan af, omdat de verdachte in april 2025 al voor soortgelijke feiten (belastingaangiften over 2017 en 2018) is veroordeeld tot twaalf maanden, waarvan zes voorwaardelijk, en deze zaak in beginsel gelijktijdig met die eerdere zaak had kunnen worden behandeld. De rechtbank past daarom artikel 63 Sr toe en legt een deel van de celstraf voorwaardelijk op: achttien maanden, waarvan zes voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het voorwaardelijke strafdeel moet de verdachte ervan weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Opvallend is dat de rechtbank in deze tweede zaak feitelijk niet hoger uitkomt dan de eis van het OM in de eerste, maar wel een groter onvoorwaardelijk deel oplegt dan in april 2025. Daarmee wordt zichtbaar gemaakt dat een doorlopend patroon van fiscaal verzuim, ondanks artikel 63 Sr, leidt tot een verdere oploop van het onvoorwaardelijk strafdeel.

Geldboetes voor de zeven ondernemingen

De Belastingdienst kwam uit op een geschat bedrag van ruim 2,8 miljoen euro dat nog aan vennootschapsbelasting moet worden betaald. Voor de rechtbank is niet duidelijk geworden in hoeverre er inmiddels al is betaald en of de verschuldigde belasting uiteindelijk volledig zal worden voldaan, aangezien de bedrijven nu grotendeels stilliggen doordat diverse vergunningen zijn ingetrokken. Dit terwijl de bedrijven voorheen winstgevend waren.

Naast de celstraf voor de directeur legt de rechtbank in zeven afzonderlijke vonnissen geldboetes op aan de zeven ondernemingen, telkens uitgaande van 50% van het geschatte fiscale nadeel. Dat percentage is het uitgangspunt voor voorwaardelijk opzet uit het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst, en de rechtbank ziet geen aanleiding om van de OM-eis af te wijken. Bij iedere rechtspersoon is daarbij artikel 63 Sr toegepast wegens een eerdere strafbeschikking voor het niet publiceren van de jaarrekening. Verdeeld over de zeven vennootschappen ziet het beeld er als volgt uit:

In totaal komen de boetes voor de zeven rechtspersonen uit op € 1.323.000.

Print Friendly and PDF ^