Dertig maanden voor serie babbeltrucs door nepagent: rechtbank formuleert eigen strafmaat en wijst smartengeld toe bij vermogensdelict

Rechtbank Gelderland 6 maart 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:1777

De veroordeelt een 26-jarige man tot dertig maanden gevangenisstraf, waarvan tien maanden voorwaardelijk, voor een serie babbeltrucs waarbij hij zich voordoet als politieagent bij bejaarde slachtoffers. De verdachte fungeert als "haler" en neemt in die rol geld en sieraden in ontvangst die de slachtoffers in goed vertrouwen afstaan aan de vermeende agent. De rechtbank formuleert, bij gebrek aan een LOVS-orientatiepunt voor babbeltrucs, een eigen straftoemetingsuitgangspunt van vijf maanden gevangenisstraf per voltooid feit, hoger dan het orientatiepunt voor woninginbraak vanwege de ingrijpendere impact op slachtoffers. Opmerkelijk is dat de rechtbank immateriele schadevergoeding toewijst hoewel het om een vermogensdelict gaat, omdat zij oordeelt dat sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze gezien de ernstige gevolgen voor de levenskwaliteit en het vertrouwen van de bejaarde slachtoffers. De totale toegewezen schadevergoeding bedraagt meer dan € 117.000 en omvat zowel materiele als immateriele schade. De rechtbank legt bijzondere voorwaarden op waaronder ambulante behandeling en schuldhulpverlening.

Inleiding en context

De verdachte, een man geboren in 1999, staat terecht voor een reeks van tien strafbare feiten gepleegd in de periode van 31 mei 2024 tot en met 30 maart 2025. Het betreft een omvangrijke strafzaak waarin zes parketnummers ter terechtzitting zijn gevoegd. De kern van de zaak wordt gevormd door zeven oplichtingsfeiten, waarvan vier voltooid en drie in het stadium van poging zijn gebleven. De verdachte vervult bij deze feiten de rol van zogenoemde "haler": hij bezoekt de door medeverdachten telefonisch bewerkte slachtoffers en doet zich ter plaatse voor als politieagent om geld en sieraden in ontvangst te nemen. De slachtoffers zijn zonder uitzondering personen op hoge leeftijd. Naast de oplichtingsfeiten wordt de verdachte verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het onbevoegd dragen van een politie-onderscheidingsteken, belediging van twee politieambtenaren en vernieling. De zaak wordt in eerste aanleg behandeld door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem. De verdachte wordt bijgestaan door een raadsman en verschijnt ter terechtzitting van 20 februari 2026.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van oplichting dan wel medeplichtigheid daaraan (artikel 326 juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht), medeplegen van poging tot oplichting, het onbevoegd dragen van een onderscheidingsteken behorende bij een ambt (artikel 196 Sr), belediging van ambtenaren in functie (artikelen 266 en 267 Sr) en vernieling (artikel 350 Sr). De oplichtingsfeiten zijn zowel primair als medeplegen en subsidiair als medeplichtigheid ten laste gelegd. Centraal staan de delictsbestanddelen van oplichting: het aannemen van een valse hoedanigheid en een samenweefsel van verdichtsels waardoor de slachtoffers worden bewogen tot afgifte van geld en sieraden. De voltooide oplichtingen betreffen feiten in Franeker (31 mei 2024), Putte (5 juni 2024), Hoogerheide (5 juni 2024) en Barendrecht (25 juni 2024). De pogingen vinden plaats in Hoogerheide (5 juni 2024), Doetinchem (12 juni 2024) en Dinxperlo (12 juni 2024).

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat alle tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. De officier van justitie vordert een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van drie jaar. Daarbij wordt verzocht de bijzondere voorwaarden op te leggen zoals geadviseerd door de reclassering. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen stelt het Openbaar Ministerie dat deze kunnen worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman voert ten aanzien van de meeste feiten geen bewijsverweer. Bij de oplichting in Hoogerheide (parketnummer 02/257094-24, feit 2) bepleit de raadsman vrijspraak, omdat niet bewezen kan worden dat sprake is geweest van afgifte van een bedrag van € 2.800 en de girale oplichting van € 900 niet aan de verdachte te linken is. Ten aanzien van de poging tot oplichting van het vierde slachtoffer in Hoogerheide (feit 3) bepleit de verdediging eveneens vrijspraak wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Op het punt van de strafmaat pleit de raadsman voor oplegging van een cumulatie van taakstraffen, aangevuld met een forse voorwaardelijke gevangenisstraf. Ten aanzien van de vordering van het eerste slachtoffer voert de verdediging aan dat het materiele deel onvoldoende is onderbouwd. De raadsman verzoekt het derde slachtoffer niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering gelet op het vrijspraakverweer.

Oordeel gerecht

De rechtbank oordeelt dat de verdachte de feiten grotendeels bekent in de zin van artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, zodat voor meerdere feiten wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Ten aanzien van de betwiste feiten in Hoogerheide overweegt de rechtbank uitvoerig. De rechtbank stelt vast dat de afstand tussen Putte en Hoogerheide minder dan tien kilometer bedraagt, dat in alle gevallen sprake is van een soortgelijke modus operandi en dat het signalement van de nepagent telkens overeenkomt: een jonge man met een smal postuur, donker kortgeknipt haar en een donker jack met daaronder een politieshirt. Op basis van de tijdstippen, de modus operandi en het signalement concludeert de rechtbank dat de verdachte ook de persoon is geweest die bij de slachtoffers in Hoogerheide voor de deur heeft gestaan.

De rechtbank kwalificeert het handelen als oplichting door het aannemen van een valse hoedanigheid en een samenweefsel van verdichtsels, gepleegd in medeplegen. De werkwijze vergt volgens de rechtbank een goed geplande en doordachte samenwerking waarbij alle rollen afhankelijk zijn van elkaar en alle strafbare feiten elkaar in hoog tempo opvolgen en soms zelfs overlappen. Er is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bewuste en nauwe samenwerking. Ten aanzien van de girale oplichting van € 900 acht de rechtbank de betrokkenheid van de verdachte niet bewezen en volgt op dat punt vrijspraak. De materiele schadevordering van het derde slachtoffer wordt wel toegewezen tot een bedrag van € 2.800.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de volgende feiten:

  • medeplegen van oplichting te Franeker op 31 mei 2024, waarbij sieradendoosjes met gouden en zilveren sieraden en horloges worden buitgemaakt

  • opzettelijk dragen van een onderscheidingsteken behorende bij een ambt dat de verdachte niet bekleedt, te Franeker op 31 mei 2024

  • medeplegen van oplichting te Putte op 5 juni 2024, waarbij een geldbedrag van € 44.000 wordt buitgemaakt

  • medeplegen van oplichting te Hoogerheide op 5 juni 2024, waarbij een geldbedrag van € 2.800 wordt buitgemaakt

  • medeplegen van poging tot oplichting te Hoogerheide op 5 juni 2024

  • medeplegen van poging tot oplichting te Doetinchem op 12 juni 2024

  • medeplegen van poging tot oplichting te Dinxperlo op 12 juni 2024

  • medeplegen van oplichting te Barendrecht op 25 juni 2024, waarbij sieraden worden buitgemaakt

  • belediging van twee politieambtenaren gedurende de rechtmatige uitoefening van hun bediening, meermalen gepleegd, te Breda op 14 augustus 2024

  • vernieling te Breda op 30 maart 2025

De rechtbank spreekt de verdachte vrij van betrokkenheid bij de girale oplichting van € 900 in Hoogerheide.

Strafoplegging en maatregelen

De rechtbank overweegt dat voor babbeltrucs geen LOVS-orientatiepunt bestaat. In lijn met een eerdere uitspraak van de rechtbank Gelderland (12 september 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:8420) formuleert de rechtbank een eigen uitgangspunt. Zij neemt het orientatiepunt voor woninginbraak (drie maanden gevangenisstraf) als vertrekpunt, maar overweegt dat oplichting via een babbeltruc een zwaarder verwijt betreft. Anders dan bij woninginbraak worden de slachtoffers in hun woning geconfronteerd met de daders. Bovendien is bewust geselecteerd op personen met een hoge leeftijd, aan de hand van lijsten met namen en persoonsgegevens die veelal via het dark web zijn verkregen. De rechtbank acht per voltooide oplichting een gevangenisstraf van vijf maanden als uitgangspunt passend.

De berekening is als volgt: vier voltooide oplichtingen leveren twintig maanden op, drie pogingen leveren in totaal negen maanden op, en de overige drie feiten (belediging, vernieling en het dragen van een onderscheidingsteken) leveren een maand op. De rechtbank komt zo tot een totaal van dertig maanden gevangenisstraf. Daarvan wordt tien maanden voorwaardelijk opgelegd met een proeftijd van drie jaar. Aan het voorwaardelijke deel worden bijzondere voorwaarden verbonden, waaronder een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling bij Fivoor gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing en cognitieve en sociale vaardigheden, en medewerking aan schuldhulpverlening. De rechtbank volgt hiermee de eis van het Openbaar Ministerie.

De rechtbank wijst bijzonder aandacht aan de toekenning van immateriele schadevergoeding. Hoewel het om een vermogensdelict gaat en de Hoge Raad in vergelijkbare babbeltruczaken eerder smartengeld heeft afgewezen, oordeelt de rechtbank dat in situaties als de onderhavige toekenning van smartengeld op zijn plaats kan zijn. De rechtbank overweegt dat sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze in de zin van artikel 6:106 BW, gezien de ingrijpende impact op de slachtoffers. Het gaat om oudere mensen wier vertrouwen in overheidsinstanties fundamenteel is geschonden en wier kwaliteit van leven aanzienlijk is verminderd. De toegewezen smartengeldbedragen bedragen € 1.250 voor het slachtoffer uit Franeker en € 750 per persoon voor drie andere slachtoffers. De totale toegewezen materiele en immateriele schadevergoeding bedraagt meer dan € 117.000. Drie in beslag genomen telefoons worden verbeurd verklaard.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^