Vrijspraak in eerste aanleg, veroordeling in hoger beroep: cassatieklachten over handschriftonderzoek en bewijsvoering stranden bij de Hoge Raad

Hoge Raad 17 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:380

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep in een zaak over internetoplichting en witwassen, waarin de verdachte in eerste aanleg was vrijgesproken maar in hoger beroep door het gerechtshof 's-Hertogenbosch is veroordeeld tot twintig maanden gevangenisstraf. De klachten over de afwijzing van een verzoek tot handschriftonderzoek en over de bewijswaarde van een wijzigingsformulier van de Kamer van Koophandel slagen niet. Wel vermindert de Hoge Raad ambtshalve de straf met een maand wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie. Het arrest bevestigt dat een hof niet gehouden is een verzoek om een deskundige nader te motiveren wanneer het fundament onder dat verzoek, de verklaring van de verdachte, niet aannemelijk is bevonden.

Achtergrond

Deze zaak draait om een verdachte, een natuurlijk persoon geboren in 1948, die zich volgens het gerechtshof 's-Hertogenbosch schuldig heeft gemaakt aan internetoplichting en witwassen. De verdachte is in eerste aanleg door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, bij vonnis van 9 maart 2020 vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten. De officier van justitie stelt op 20 maart 2020 hoger beroep in tegen dat vrijsprekende vonnis.

In hoger beroep krijgt de zaak een wezenlijk ander verloop. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelt de zaak inhoudelijk op de terechtzitting van 23 augustus 2022 en sluit het onderzoek op 6 september 2022. Op 20 september 2022 heropent het hof echter het onderzoek bij tussenarrest, omdat het oordeelt dat het onderzoek niet volledig is geweest. Het hof acht het in het bijzonder noodzakelijk dat een getuige ter terechtzitting wordt gehoord. De zaak wordt vervolgens aangebracht op de terechtzitting van 28 december 2022, maar die zitting vindt om organisatorische redenen geen doorgang. Het onderzoek wordt geschorst tot de zitting van 10 mei 2023, waar de getuige wordt gehoord. Op 24 mei 2023 sluit het hof het onderzoek.

Bij arrest van 7 juni 2023 (parketnummer 20-000859-20) veroordeelt het hof de verdachte voor oplichting (de feiten 1 primair, 2 primair en 3 primair), voor oplichting, meermalen gepleegd (feit 4 primair), en voor witwassen (feit 5 impliciet primair). De bewezenverklaarde feiten betreffen oplichting via internet als bedoeld in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, meermalen gepleegd, en witwassen van een geldbedrag als bedoeld in artikel 420bis, eerste lid, aanhef en onder b, van het Wetboek van Strafrecht. Het hof legt een gevangenisstraf op voor de duur van twintig maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast beslist het hof op de vorderingen van 27 benadeelde partijen en legt het met die beslissingen overeenkomende schadevergoedingsmaatregelen op. De specifieke feiten die aan de internetoplichting en het witwassen ten grondslag liggen, blijken niet in detail uit het arrest van de Hoge Raad.

De verdachte stelt op 19 juni 2023 cassatieberoep in. Er bestaat samenhang met een ontnemingszaak tegen dezelfde verdachte (zaaknummer 23/03376).

Middelen

Namens de verdachte stelt advocaat F. van Baarlen, advocaat te Eindhoven, bij schriftuur en aanvullende schriftuur twee cassatiemiddelen voor.

Eerste middel: het eerste cassatiemiddel richt zich tegen de afwijzing door het hof van het (voorwaardelijke) verzoek van de verdediging tot benoeming van een deskundige op het gebied van handtekeningen- en handschriftvergelijking. De verdediging heeft kennelijk betoogd dat een ander dan de verdachte betrokken is geweest bij de tenlastegelegde feiten en heeft ter onderbouwing daarvan verzocht om een deskundige te benoemen die handtekeningen en handschrift kan vergelijken. Het hof wijst dit verzoek af.

Tweede middel: het tweede cassatiemiddel betreft een bewijsklacht en richt zich tegen de bewezenverklaring. Meer in het bijzonder klaagt de verdediging over de redengevendheid van een wijzigingsformulier van de Kamer van Koophandel voor het bewijs. De kwestie spitst zich toe op de ondertekeningsdatum van dat formulier.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad oordeelt dat beide cassatiemiddelen niet tot cassatie leiden en verwijst voor de motivering naar de conclusie van advocaat-generaal P.M. Frielink onder de randnummers 3 en 4. De cassatiemiddelen lenen zich volgens de Hoge Raad voor gezamenlijke bespreking.

Ten aanzien van het eerste middel overweegt de advocaat-generaal in zijn conclusie het volgende. Het hof concludeert in zijn arrest dat de verklaring van de verdachte, inhoudende dat een ander betrokken is geweest bij het tenlastegelegde, niet aannemelijk is geworden. Dit oordeel is, gelet op de daarvoor gegeven uitvoerige onderbouwing, niet onbegrijpelijk. Daarmee vervalt het fundament onder het verzoek tot benoeming van een deskundige voor handtekeningen- en handschriftvergelijking. Tot een nadere motivering van de afwijzing van dat verzoek is het hof in het licht van hetgeen is aangevoerd en vastgesteld niet gehouden. De kern van de redenering is dus dat het hof de verklaring van de verdachte over de betrokkenheid van een derde niet geloofwaardig acht, wat op uitvoerig gemotiveerde gronden berust. Omdat die verklaring het fundament vormt van het verzoek om een deskundige, hoeft het hof de afwijzing van dat verzoek niet nader te motiveren.

Ten aanzien van het tweede middel overweegt de advocaat-generaal als volgt. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt dat het hof vragen heeft over de ondertekeningsdatum van een wijzigingsformulier van de Kamer van Koophandel. Het hof bespreekt die vragen met de verdachte. Uit hetgeen op die zitting is besproken, blijkt niet dat het hof het wijzigingsformulier met ondertekeningsdatum 12 juli 2017 onbetrouwbaar acht. Het hof constateert enkel dat zich bij een brief van de verdachte een wijzigingsformulier bevindt dat is ondertekend op 12 juli 2017, en dat zich bij een brief van de raadsvrouw een formulier bevindt dat is ondertekend op 12 juni 2017. Vervolgens stelt het hof vast dat in de door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep aan het hof overgelegde map beide wijzigingsformulieren in dezelfde volgorde zijn opgenomen. Het bestaan van twee formulieren met verschillende ondertekeningsdata maakt het ene formulier dus niet onbetrouwbaar; het hof noteert slechts een feitelijke constatering.

Naast de beoordeling van de cassatiemiddelen beoordeelt de Hoge Raad de uitspraak van het hof ambtshalve. De Hoge Raad stelt vast dat hij uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Het cassatieberoep is ingesteld op 19 juni 2023 en het arrest van de Hoge Raad dateert van 17 maart 2026, zodat de cassatiefase bijna twee jaar en negen maanden heeft geduurd. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. De Hoge Raad compenseert deze overschrijding door de opgelegde gevangenisstraf te verminderen. De straf wordt teruggebracht van twintig maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, naar negentien maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Enkel het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf wordt dus met een maand verminderd.

De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, vermindert deze tot negentien maanden waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, en verwerpt het beroep voor het overige. Het arrest is gewezen door vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en F. Damsteegt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^