Boete voor melkveehouderij wegens structurele overschrijding fosfaatrechten ondanks waarschuwing

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 16 januari 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:121

Een melkveehouderij wordt veroordeeld wegens het opzettelijk overschrijden van fosfaatrechten in 2021 en 2022. De fosfaatproductie wordt forfaitair berekend, zoals voorgeschreven door de Meststoffenwet. De verdediging stelt dat de werkelijke productie lager ligt en beroept zich op de KringloopWijzer, maar het hof wijst dit af. Die methode is (nog) niet wettelijk toegestaan. Het gerechtshof legt een geldboete op van 7.500 euro, waarvan 3.750 euro voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. De straf weerspiegelt de ernst van de feiten en beoogt herhaling te voorkomen.

Context van de zaak

De verdachte in deze strafzaak is een rechtspersoon, een melkveehouderij gevestigd te [adres]. Het bedrijf wordt verweten dat het in de kalenderjaren 2021 en 2022 meer fosfaat heeft geproduceerd dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht toestaat. De productie van fosfaat wordt forfaitair berekend op basis van de Meststoffenwet. De zaak is aangebracht in hoger beroep na een eerdere veroordeling door de economische politierechter van de rechtbank Oost-Brabant. De strafkamer van het gerechtshof doet gelijktijdig uitspraak in een eerdere zaak tegen dezelfde verdachte met betrekking tot overtredingen in 2019 en 2020, waarin op 21 augustus 2021 een verhoor plaatsvond.

De tenlastelegging

De verdachte wordt verweten dat zij in 2021 en 2022 opzettelijk meer fosfaat heeft geproduceerd dan toegestaan op grond van artikel 21b van de Meststoffenwet. In 2021 betreft het een overschrijding van 363,23 kilogram fosfaat, in 2022 gaat het om 564,28 kilogram.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal vordert bevestiging van het vonnis van de economische politierechter. Daarbij wordt verzocht om verbetering van de motivering en kwalificatie, nu sprake is van een overtreding begaan door een rechtspersoon. De voorgestelde straf, een deels voorwaardelijke geldboete, wordt passend geacht gezien de ernst van de feiten.

Het standpunt van de verdediging

Primair voert de verdediging aan dat de verdachte moet worden vrijgesproken. Volgens haar wordt in werkelijkheid minder fosfaat geproduceerd dan forfaitair is berekend, en kan op grond van de zogeheten KringloopWijzer een nauwkeuriger, bedrijfsspecifieke berekening worden gemaakt. Subsidiair betoogt de verdediging dat, als wel sprake is van overschrijding in juridische zin, deze niet materieel wederrechtelijk is nu feitelijk geen overschrijding zou hebben plaatsgevonden. Meer subsidiair verzoekt de verdediging, bij een veroordeling, om een geheel voorwaardelijke boete.

Het oordeel van het gerechtshof

Het hof volgt de verdediging niet. De Meststoffenwet schrijft uitdrukkelijk voor dat melkveebedrijven hun fosfaatproductie moeten verantwoorden op basis van forfaitaire excretiewaarden. Deze keuze is bewust gemaakt door de wetgever om handhaafbaarheid, rechtszekerheid en gelijke behandeling te waarborgen. De KringloopWijzer is niet als toegelaten rekenmethode aangewezen door de Minister van Economische Zaken. Tot dat moment is gebruik ervan geen wettelijk geaccepteerde wijze van verantwoording.

Het hof oordeelt voorts dat de melkproductiecijfers afkomstig van de melkrobots niet zijn aangetoond als onbetrouwbaar, en merkt op dat de verdachte zelf verantwoordelijk is voor een juiste registratie. Ook acht het hof voldoende bewezen dat de overschrijding opzettelijk is begaan. De vertegenwoordiger van de verdachte heeft verklaard dat hij “op gevoel” heeft gehandeld en geen navraag heeft gedaan naar de wettelijke verplichtingen. Gezien het eerdere verhoor in 2021 over soortgelijke feiten, acht het hof het aannemelijk dat de verdachte zich bewust was van de risico’s en de kans op overschrijding bewust heeft aanvaard.

De bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat de verdachte:

  • in 2021 opzettelijk 363,23 kilogram fosfaat meer heeft geproduceerd dan toegestaan;

  • in 2022 opzettelijk 564,28 kilogram fosfaat meer heeft geproduceerd dan toegestaan.

Beide feiten kwalificeert het hof als overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 21b van de Meststoffenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

De strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van 7.500 euro, waarvan 3.750 euro voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Daarmee wijkt het hof af van de eerdere beslissing van de politierechter, die een proeftijd van twee jaar oplegde. De langere proeftijd acht het hof noodzakelijk om herhaling te voorkomen, zeker nu de verdachte eerder is gewaarschuwd voor soortgelijk gedrag. Hoewel formeel nog geen sprake is van recidive, neemt het hof in aanmerking dat de verdachte in een eerdere zaak door de NVWA is verhoord wegens vergelijkbare overtredingen.

Het hof acht een geheel voorwaardelijke boete, zoals door de verdediging verzocht, onwenselijk en disproportioneel gelet op de aard en ernst van de feiten. De deels voorwaardelijke boete benadrukt de ernst van het gedrag en dient tevens als preventieve maatregel tegen toekomstige overtredingen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^