Bestuurder is geen pleger: aangifteplicht vennootschapsbelasting rust op de BV, niet op de mens erachter

Hoge Raad 24 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:424

De Hoge Raad oordeelt dat een bestuurder-natuurlijk persoon niet als pleger kan worden aangemerkt van het opzettelijk niet doen van aangiften vennootschapsbelasting ten name van zijn bv's. De wettelijke aangifteplicht uit artikel 69 lid 1 AWR rust op de vennootschap die tot het doen van aangifte is uitgenodigd, niet op de bestuurder die het aangiftebiljet feitelijk in ontvangst neemt. Het cassatiemiddel slaagt en het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wordt gedeeltelijk vernietigd en teruggewezen. De Hoge Raad wijst erop dat de deelnemingsvormen uit de artikelen 47 tot en met 51 Sr wel mogelijkheden bieden voor strafrechtelijke aansprakelijkheid van de bestuurder. Dit arrest bevestigt vaste rechtspraak over het onderscheid tussen de belastingplichtige rechtspersoon en de natuurlijk persoon die feitelijk handelt namens die rechtspersoon.

Achtergrond

Deze zaak draait om een natuurlijk persoon die sinds 1993 enig aandeelhouder en bestuurder is van een holdingvennootschap (hierna: B BV). B BV is op haar beurt sinds 2005 enig aandeelhouder en bestuurder van een werkmaatschappij (hierna: A BV). De verdachte houdt zo direct zeggenschap over B BV en indirect over A BV, en verzorgt naar eigen zeggen al sinds de oprichting van zijn ondernemingen eigenhandig de volledige administratie en de belastingaangiften.

Gedurende een reeks van jaren laat de verdachte systematisch na om aangiften te doen. De Belastingdienst stuurt over de jaren 2011 tot en met 2017 in totaal 21 uitnodigingsbrieven aan de verdachte en zijn vennootschappen. De verdachte vraagt telkens uitstel aan, maar dient de aangiften vervolgens niet in. De Belastingdienst stuurt daarop 18 herinneringen en 18 aanmaningen, die eveneens zonder resultaat blijven. Uiteindelijk legt de fiscus twaalf ambtshalve aanslagen op. Bij een doorzoeking van de woning van de verdachte in augustus 2018 treft de FIOD in een als kantoorruimte ingerichte kamer een grote hoeveelheid ongeopende post aan, waaronder blauwe enveloppen van de Belastingdienst. Na opening van een van die enveloppen, met toestemming van de rechter-commissaris, blijkt het te gaan om een aanmaning gericht aan B BV over het jaar 2014.

Bij zijn verhoor op 26 september 2018 verklaart de verdachte dat de aangiften inderdaad niet zijn ingediend. Op de vraag naar de reden antwoordt hij dat dit is ontstaan in een periode waarin veel is gebeurd in zowel zijn zakelijke als zijn privéleven. De verdachte betwist niet dat hij de correspondentie van de Belastingdienst heeft ontvangen.

Uit onderzoek van de controlerende ambtenaar blijkt voorts dat na 2010 geen enkele aangifte inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting van de verdachte of zijn vennootschappen door de Belastingdienst is ontvangen. De administratie van de vennootschappen voldoet niet aan de eisen van artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Er is geen sprake van een financiële administratie in eigenlijke zin; de FIOD treft slechts handmatig opgestelde kladblokken aan waarin bankafschriften globaal zijn uitgesplitst, zonder totalisering, zonder btw-vermelding en zonder verdere uitsplitsing.

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeelt de verdachte bij arrest van 24 februari 2023 voor drie feiten. Onder feit 1: het opzettelijk niet doen van aangiften vennootschapsbelasting ten name van A BV en B BV over de jaren 2011 tot en met 2016 en van aangiften inkomstenbelasting over diezelfde jaren, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd (artikel 69 lid 1 AWR). Onder feit 2: het opzettelijk niet doen van aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2011 tot en met 2016, eveneens meermalen gepleegd. Onder feit 3: het feitelijk leidinggeven aan het door A BV en B BV opzettelijk niet voeren van een administratie overeenkomstig de wettelijke vereisten, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven. Het hof legt een geldboete op van EUR 50.000.

Beperking cassatieberoep

Voorafgaand aan de bespreking van de cassatiemiddelen verdient de reikwijdte van het cassatieberoep aandacht. Volgens de akten is het beroep onder meer niet gericht tegen de vrijspraak van het onder feit 1 tenlastegelegde medeplegen. De Hoge Raad gaat aan deze beperking voorbij, onder verwijzing naar zijn arrest van 31 mei 2013 (ECLI:NL:HR:2013:CA1610). De reden is dat het bij medeplegen niet gaat om een zelfstandig strafrechtelijk verwijt dat zich leent voor een afzonderlijke beperking van het cassatieberoep in de zin van artikel 429 Sv.

De beperking ten aanzien van de vrijspraak van het niet doen van aangifte vennootschapsbelasting ten name van A BV over het jaar 2017 wordt wel aanvaard, aangezien het daar gaat om een zelfstandig strafrechtelijk verwijt.

Eerste middel

Het eerste cassatiemiddel richt zich tegen de bewezenverklaring van feit 1, voor zover het de aangiften vennootschapsbelasting betreft. De kern van de klacht is dat het hof de verdachte ten onrechte als pleger heeft aangemerkt van het opzettelijk niet doen van de aangiften vennootschapsbelasting ten name van A BV en B BV. De verdachte voert aan dat hij niet de hoedanigheid van "aangifteplichtige" heeft: niet hij, maar de vennootschappen zijn uitgenodigd tot het doen van aangifte vennootschapsbelasting, zodat de aangifteplicht op de vennootschappen rust en niet op hem als natuurlijk persoon.

Beoordeling Hoge Raad ten aanzien van het eerste middel

De Hoge Raad stelt voorop dat artikel 69 lid 1 AWR onder anderen strafbaar stelt "degene die opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doet". Als pleger van het niet doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte moet worden aangemerkt degene die tot het doen van aangifte gehouden is. De verplichting tot het doen van aangifte vloeit niet rechtstreeks voort uit de belastingwet, maar ontstaat pas door uitreiking van een aangiftebiljet aan de belastingplichtige. De aangifteplicht kan aldus slechts worden vastgesteld bij degene die tot het doen van aangifte is uitgenodigd, als voorzien in artikel 8 lid 1 AWR. De Hoge Raad verwijst in dit verband naar zijn eerdere arresten van 23 december 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AL6161) en 28 januari 2020 (ECLI:NL:HR:2020:121).

Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat de verdachte moet worden aangemerkt als degene die tot het doen van de aangiften vennootschapsbelasting voor A BV en B BV gehouden is. Dat oordeel geeft volgens de Hoge Raad blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De wettelijke aangifteplicht rust namelijk op de vennootschap waaraan het aangiftebiljet blijkens de tenaamstelling is uitgereikt en op de belastingplicht van welke vennootschap die aangifte betrekking heeft. Die plicht rust niet, ook niet mede, op degene die als vertegenwoordiger of gemachtigde namens de vennootschap het aangiftebiljet feitelijk in ontvangst heeft genomen of de aangifte feitelijk heeft gedaan. De Hoge Raad verwijst hierbij naar zijn arresten van 17 oktober 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AU8286) en nogmaals 28 januari 2020 (ECLI:NL:HR:2020:121).

Het eerste cassatiemiddel slaagt.

De Hoge Raad merkt daarbij uitdrukkelijk op dat de artikelen 47 tot en met 51 van het Wetboek van Strafrecht verschillende mogelijkheden bieden om degene die anders dan als pleger betrokken is bij het niet doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte, onder voorwaarden strafrechtelijk aansprakelijk te stellen voor die betrokkenheid. Met andere woorden: hoewel de verdachte niet als pleger kan worden veroordeeld, sluiten de deelnemingsvormen uit het commune strafrecht, zoals medeplegen of feitelijk leidinggeven, niet uit dat hij alsnog strafrechtelijk aansprakelijk wordt gesteld na terugwijzing.

Overige middelen

De verdediging stelt in totaal acht cassatiemiddelen voor. Ten aanzien van het tweede, derde, vierde (voor zover gericht tegen de bewezenverklaring van feit 2), vijfde (voor zover gericht tegen de bewezenverklaring van de feiten 2 en 3) en achtste middel oordeelt de Hoge Raad dat deze klachten niet tot vernietiging van de uitspraak kunnen leiden. De Hoge Raad motiveert dit niet nader en past artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie toe: bij de beoordeling van deze klachten is het niet nodig antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht.

Gelet op de beslissing die volgt uit het slagen van het eerste middel, laat de Hoge Raad bespreking van de overige cassatiemiddelen achterwege.

Beslissing

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof gedeeltelijk. De vernietiging betreft de beslissingen over het onder feit 1 tenlastegelegde, met uitzondering van de vrijspraak van het niet doen van de aangifte vennootschapsbelasting ten name van A BV over het jaar 2017, en de strafoplegging. De zaak wordt teruggewezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden om in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan. Het beroep wordt voor het overige verworpen. De Hoge Raad vermeldt daarbij dat samenhang bestaat met de zaken 23/00758 en 23/00761.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^