Belastingfraude van € 3,9 miljoen leidt tot uitsluitend voorwaardelijke gevangenisstraf wegens ernstige schending redelijke termijn
/Gerechtshof Den Haag 6 mei 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:1592
Het Gerechtshof Den Haag oordeelt op 6 mei 2026 over een omvangrijke belastingfraudezaak waarin de verdachte als feitelijk leidinggever van drie vennootschappen jarenlang opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting heeft laten doen. Het fiscaal nadeelbedrag beloopt circa € 3,9 miljoen. De verdachte heeft daarnaast twaalf verklaringen omtrent betalingsgedrag vervalst en gebruikt richting opdrachtgevers. Het hof verwerpt het beroep op putatieve overmacht in de zin van noodtoestand. Vanwege een ernstige overschrijding van de redelijke termijn van bijna tien jaar legt het hof uitsluitend een voorwaardelijke gevangenisstraf op. De maximale wettelijke duur van twee jaar voorwaardelijk wordt opgelegd, mede gelet op leeftijd en gezondheid van de verdachte.
Inleiding en context
De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1952 en ten tijde van het arrest bijna 74 jaar oud. Zij is feitelijk leidinggever en opdrachtgever geweest van drie besloten vennootschappen die actief waren in het zakelijke verkeer. In die hoedanigheid is zij verantwoordelijk voor het indienen van de aangiften omzetbelasting en voor de naleving van de fiscale verplichtingen van die ondernemingen. De rechtbank Rotterdam heeft de verdachte op 15 februari 2021 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden met aftrek van het voorarrest voor het feitelijk leidinggeven aan jarenlange omzetbelastingfraude door drie vennootschappen en voor valsheid in geschrift. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld. Het hof komt tot iets andere bewezenverklaringen, zodat het vonnis niet in stand kan blijven. De redelijke termijn van artikel 6 EVRM is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep ernstig overschreden: het eerste verhoor dateert van 25 augustus 2016, zodat ten tijde van het arrest bijna tien jaar zijn verstreken.
Tenlastelegging en wettelijk kader
De verdachte wordt verweten dat zij in de periode tussen 1 januari 2011 en 31 mei 2017 feitelijk leiding heeft gegeven aan, en opdracht heeft gegeven tot, het opzettelijk onjuist en onvolledig doen van aangiften omzetbelasting door drie afzonderlijke vennootschappen (feiten 1 tot en met 3). Telkens zijn op de aangiften te lage bedragen aan omzet, aan over de omzet verschuldigde belasting en aan af te dragen omzetbelasting opgegeven, terwijl die gedragingen ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven. Onder feit 4 wordt de verdachte verweten dat zij in de periode van 1 juni 2015 tot en met 12 april 2017 twaalf verklaringen omtrent betalingsgedrag op naam van een van haar vennootschappen valselijk heeft opgemaakt en die vervolgens heeft gebruikt door deze aan diverse opdrachtgevende ondernemingen te verstrekken. Het wettelijk kader wordt gevormd door artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de strafrechtelijke deelnemingsregeling van artikel 51 Sr (feitelijk leidinggeven en opdrachtgeven aan verboden gedragingen van een rechtspersoon), artikel 57 Sr (meerdaadse samenloop) en artikel 225 Sr (valsheid in geschrift en het opzettelijk gebruikmaken van een vals geschrift).
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal vordert dat het vonnis wordt vernietigd en dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, met aftrek van het voorarrest. Ten aanzien van het beroep op putatieve overmacht stelt het Openbaar Ministerie zich op het standpunt dat het verweer moet worden verworpen. De verdachte had het doorbetalen van personeelssalarissen niet mogen laten prevaleren boven het doen van juiste aangiften omzetbelasting en het tijdig afdragen daarvan, mede gelet op de positie van de fiscus als preferente schuldeiser. Bovendien wijst het Openbaar Ministerie op de lange periode waarover de gedragingen zich hebben uitgestrekt en op de aanwezigheid van redelijke alternatieve handelwijzen. Ten aanzien van het beslag vordert de advocaat-generaal teruggave van de inbeslaggenomen administratie aan de verdachte.
Standpunt van de verdediging
De raadsman bepleit ontslag van alle rechtsvervolging op grond van putatieve overmacht in de zin van noodtoestand. Hij voert daartoe aan dat de verdachte in de veronderstelling verkeerde te worden geconfronteerd met een conflict van plichten. Zij heeft de plicht tot tijdige betaling van omzetbelasting opgeofferd, althans opgeschort, om te voldoen aan de maatschappelijke plicht om een nog levensvatbare onderneming in stand te houden en het personeel door te betalen. Tegen het beslag wordt geen zelfstandig verweer gevoerd.
Oordeel gerecht
Het hof vat het beroep op putatieve overmacht op als een beroep op de buitenwettelijke schulduitsluitingsgrond van afwezigheid van alle schuld met betrekking tot de feiten 1, 2 en 3. Voor een geslaagd beroep daarop moet de verdachte verontschuldigbaar hebben gedwaald omtrent haar plicht om juiste aangiften omzetbelasting te doen. Het hof stelt vast dat de verdachte als feitelijk leidinggever van de drie vennootschappen verantwoordelijk was voor het correct en tijdig indienen van die aangiften en dat zij dat op de bewezenverklaarde wijze heeft nagelaten. Uit hetgeen door de verdediging is aangevoerd, blijken volgens het hof geen feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte verontschuldigbaar heeft gedwaald omtrent de te maken afweging. Zij wist zeer wel dat op haar de wettelijke verplichting rustte om juiste en volledige aangiften en afdrachten omzetbelasting te doen, en gestelde omstandigheden die een veronderstelde ongeschreven maatschappelijke plicht tot loondoorbetaling boven de fiscale verplichtingen zouden plaatsen, ontbreken. Het hof acht daarbij van betekenis dat de verdachte de situatie jarenlang heeft laten voortduren, dat zij in dat verband ook nog verklaringen omtrent betalingsgedrag heeft vervalst opdat opdrachtgevers op grond van een onjuiste voorstelling van zaken zouden blijven contracteren, en dat de door de te lage afdrachten ontstane financiële ruimte mede is benut om een oudere belastingschuld af te lossen. Het verweer wordt verworpen; de verdachte is strafbaar. Het bewezenverklaarde levert telkens op het opzettelijk onjuist en onvolledig doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon waaraan de verdachte opdracht en feitelijke leiding heeft gegeven, alsmede valsheid in geschrift en het opzettelijk gebruikmaken van een vals geschrift, telkens meermalen gepleegd.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen:
het feitelijk leidinggeven aan en opdrachtgeven tot het opzettelijk onjuist en onvolledig doen van aangiften omzetbelasting door de eerste vennootschap in de periode van 1 januari 2011 tot en met 27 november 2014;
het feitelijk leidinggeven aan en opdrachtgeven tot het opzettelijk onjuist en onvolledig doen van aangiften omzetbelasting door de tweede vennootschap in de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 oktober 2016;
het feitelijk leidinggeven aan en opdrachtgeven tot het opzettelijk onjuist en onvolledig doen van aangiften omzetbelasting door de derde vennootschap in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 mei 2017;
het valselijk opmaken en het opzettelijk gebruikmaken van twaalf verklaringen omtrent betalingsgedrag op naam van de derde vennootschap in de periode van 1 juni 2015 tot en met 12 april 2017.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, wordt niet bewezen verklaard.
Strafoplegging en maatregelen
Bij de strafoplegging weegt het hof zwaar dat de verdachte zich jarenlang en stelselmatig schuldig heeft gemaakt aan belastingfraude en dat het essentiële vertrouwen dat de Belastingdienst moet kunnen stellen in de juistheid van aangiften, ernstig is geschaad. Het hof gaat, evenals de rechtbank, bij de berekening van het nadeel uit van het feitelijk geleden nadeel, waarbij in bepaalde maanden te veel afgedragen omzetbelasting wordt verrekend met de in andere tijdvakken te weinig afgedragen belasting. Het berekende fiscaal nadeel beloopt circa € 3,9 miljoen. Daarnaast rekent het hof de verdachte zwaar aan dat zij verklaringen omtrent betalingsgedrag heeft vervalst en gebruikt om bij opdrachtgevers een onjuiste indruk te wekken over de nakoming van haar fiscale verplichtingen. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 1 april 2026 blijkt dat aan de verdachte eerder een strafbeschikking is opgelegd voor valsheid in geschrift, waarna zij zich kort daarna opnieuw aan hetzelfde feit schuldig heeft gemaakt. Het oriëntatiepunt fraude van het LOVS hanteert bij een fraudebedrag van een miljoen euro of meer als benedengrens een gevangenisstraf van 24 maanden of meer. Op zichzelf rechtvaardigen ernst en duur van de feiten naar het oordeel van het hof een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie jaren; een taakstraf is in dit feitencomplex niet aan de orde. De redelijke termijn van artikel 6 EVRM is in eerste aanleg overschreden met bijna 2,5 jaar en in hoger beroep met ruim drie jaar, waarvoor geen rechtvaardiging bestaat. Inmiddels zijn bijna tien jaren verstreken sinds het eerste verhoor. Vanwege deze ernstige termijnoverschrijding ziet het hof af van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Mede gelet op de bekennende proceshouding van de verdachte, haar leeftijd van bijna 74 jaar en haar gezondheidssituatie, legt het hof een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op voor de maximale wettelijke duur van twee jaren, met een proeftijd van twee jaren. Het hof gelast voorts de teruggave aan de verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 5 tot en met 26.
Lees hier de volledige uitspraak.
