Beklag van advocaat tegen vrijgave van civiele processtukken in onderzoek naar niet-ambtelijke omkoping gedeeltelijk gegrond; verweerschrift valt onder verschoningsrecht van de opsteller
/Rechtbank Amsterdam 16 september 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:11552
De rechtbank Amsterdam verklaart het beklag van een advocaat tegen de vrijgave van stukken uit een civiele procedure aan het onderzoeksteam gedeeltelijk gegrond. De stukken zijn door het Openbaar Ministerie gevorderd in een FIOD-onderzoek naar niet-ambtelijke omkoping, valsheid in geschrift en witwassen rond de bemiddeling in opvanglocaties voor asielzoekers voor het COA. De advocaat stelt dat een geheimhoudingsbeding in een vaststellingsovereenkomst ook de advocaat van de wederpartij verplichtte zich op het verschoningsrecht te beroepen, en dat diens nalaten zijn eigen verschoningsrecht omzeilt. Volgens de rechtbank valt het verweerschrift onder het verschoningsrecht van de opsteller ervan, de advocaat van de wederpartij, en niet onder dat van de klager. Het enkele noemen van de naam van een advocaat of advocatenkantoor brengt geen verschoningsrecht mee. Afgeschermd worden alleen een concept-samenwerkingsovereenkomst waarvoor een ander advocatenkantoor zich op het verschoningsrecht beroept, voorzichtigheidshalve ook de getekende versie daarvan, en een stuk dat de rechter-commissaris in een andere productie al als verschoningsgerechtigd had aangemerkt.
Inleiding en context
De klager is een advocaat, een natuurlijk persoon geboren in 1962. Het gaat om een beklag in eerste aanleg bij de meervoudige raadkamer. De FIOD doet onder de naam Chalton onderzoek naar niet-ambtelijke omkoping, valsheid in geschrift en witwassen in de periode van 1 juni 2022 tot en met 31 december 2023. Een bedrijf en zijn middellijk bestuurder zouden met het COA contracten hebben gesloten voor bemiddeling in tijdelijke opvanglocaties tussen het COA en een tak van een concern. De medeverdachte zou via zijn bedrijf de contactpersoon namens die tak zijn geweest. Het vermoeden is dat gemiddeld € 95 per hotelkamer per nacht meer aan het COA in rekening is gebracht dan de tak rekende, en dat dit verschil gelijk is verdeeld tussen het bedrijf en de medeverdachte, zonder wetenschap van het bestuur en de medeaandeelhouders van de tak. Daarnaast zou soms een commissie van 7 procent zijn bedongen, waarvan 2 procent voor de medeverdachte.
Op 22 juli 2024 vordert de officier van justitie dat de rechter-commissaris beoordeelt of zich onder bij een derde gevorderde stukken geheimhoudersstukken bevinden. Het gaat om stukken uit een civiele procedure waarin de klager namens de medeverdachte en diens bedrijf een verzoekschrift met producties indiende en mr. P.S. Jonker namens de wederpartij een verweerschrift met producties. Het verzoekschrift is na indiening van het verweerschrift ingetrokken. Bij beslissing van 11 december 2024 laat de rechter-commissaris het verzoekschrift met producties en de producties 2, 3, 45 en 49 (deze laatste alleen voor een brief van de klager van 9 juni 2023) ontoegankelijk maken. Het verweerschrift en de overige producties mogen naar het onderzoeksteam.
Het klaagschrift wordt op 23 december 2024 ontvangen en op 25 maart 2025 behandeld. Bij tussenbeslissing van 8 april 2025 (ECLI:NL:RBAMS:2025:11554) heropent de rechtbank de behandeling. De behandeling wordt op 16 september 2025 hervat. De kop van de beslissing vermeldt 16 september 2025; volgens de slotzin is de beslissing op 14 oktober 2025 in het openbaar uitgesproken.
Tenlastelegging en wettelijk kader
Een tenlastelegging is in deze beklagprocedure niet aan de orde. Het beklag is gebaseerd op artikel 98 lid 4 juncto artikel 552a Sv en richt zich tegen de beslissing van de rechter-commissaris van 11 december 2024.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt dat de klager het verschoningsrecht van andere advocaten opwerpt, terwijl het volgens de jurisprudentie aan de betrokken verschoningsgerechtigde is om daarover te klagen. Niet alles in het verweerschrift valt onder het verschoningsrecht van de klager. Voor de concept-samenwerkingsovereenkomst in productie 49 acht zij dat wel voorstelbaar. Voor het overige moet het klaagschrift ongegrond worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
De klager verzoekt de beslissing van de rechter-commissaris te vernietigen en te bepalen dat het verweerschrift met producties niet wordt vrijgegeven. De civiele procedure eindigt na een minnelijke regeling, vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst van 30 oktober 2023 met een strikte geheimhoudingsplicht. Die regeling maakt deel uit van een bredere schikking in een vaststellingsovereenkomst van 4 augustus 2023, die eveneens een geheimhoudingsbepaling bevat. Omdat een advocaat zich bij het hanteren van zijn verschoningsrecht richt naar de instructies en belangen van zijn cliënten, moet de klager zich op zijn verschoningsrecht beroepen. Voor mr. Jonker geldt volgens de klager hetzelfde. Dat mr. Jonker dit nalaat, leidt tot omzeiling van het verschoningsrecht van de klager. De rechter-commissaris overweegt ten onrechte dat het niet aan hem is te beoordelen of mr. Jonker tuchtrechtelijk verwijtbaar handelt, en had dit nader moeten onderzoeken.
Oordeel gerecht
De rechtbank stelt vast dat de klager niet de beslagene is, maar een verschoningsrecht heeft dat hij tijdig heeft ingeroepen. De rechter-commissaris beantwoordt vragen van de rechtbank in een proces-verbaal van 9 april 2025 en in e-mails. JPR Advocaten laat op 2 juni 2025 weten zich voor de concept-samenwerkingsovereenkomst in productie 49 op het verschoningsrecht te beroepen, en niet te kunnen overzien of zich in de overige stukken nog verschoningsgerechtigde stukken bevinden. De rechtbank neemt zelf kennis van het verweerschrift en de 51 producties.
Het verweerschrift valt volgens de rechtbank onder het verschoningsrecht van mr. Jonker als opsteller, en niet onder dat van de klager. Het verweerschrift reageert op het verzoekschrift, maar raakt de relatie van de klager met zijn cliënten niet zodanig dat diens verschoningsrecht denkbeeldig wordt. Het enkele noemen van de naam van een advocaat of advocatenkantoor, zoals in de onderdelen 60 en 61 van het verweerschrift, brengt geen verschoningsrecht mee. Op het betoog over de contractuele geheimhouding gaat de rechtbank niet afzonderlijk in.
Voor de producties komt de rechtbank tot hetzelfde oordeel als de rechter-commissaris, met drie uitzonderingen. Productie 15 is de getekende versie van de samenwerkingsovereenkomst met bijlagen. Hoewel JPR Advocaten zich daarover niet expliciet heeft uitgelaten, gaat de rechtbank er voorzichtigheidshalve van uit dat het beroep op het verschoningsrecht ook die versie betreft, omdat het om hetzelfde onderwerp en dezelfde cliënt gaat. Daarnaast bevat productie 49 een stuk dat ook deel uitmaakt van productie 45, die de rechter-commissaris al als verschoningsgerechtigd heeft aangemerkt.
Lees hier de volledige uitspraak.
Gerelateerde berichten
Hoge Raad verklaart cassatieberoepen niet-ontvankelijk in beklagzaak over beslag op een samenwerkingsovereenkomst, 2 juli 2026
Beklag ongegrond: rechtbank acht vernietiging geheimhoudersgegevens in omkopingszaak tegen artsen afdoende, 22 januari 2026
Verschoningsrecht (concept)notulen van bestuursvergaderingen cliënt, 31 maart 2025
