Beklag ongegrond: rechtbank acht vernietiging geheimhoudersgegevens in omkopingszaak tegen artsen afdoende
/Rechtbank Amsterdam 13 januari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:103
In een strafrechtelijk onderzoek naar omkoping door artsen diende een arts een beklag in wegens schending van zijn verschoningsrecht. Het beklag zag op de uitvoering van een eerder bevel tot vernietiging van geheimhoudersgegevens op in beslag genomen gegevensdragers. Na gedeeltelijke vernietiging en terugwijzing door de Hoge Raad onderzocht de rechtbank opnieuw of de vernietiging daadwerkelijk en afdoende was uitgevoerd. De rechter-commissaris concludeerde dat binnen het FIOD-systeem technische en procedurele waarborgen bestaan om inzage in vertrouwelijke informatie te voorkomen. De rechtbank achtte op basis daarvan voldoende aannemelijk dat de geheimhoudersgegevens geen deel meer uitmaken van het dossier. Het beklag werd daarom ongegrond verklaard.
Achtergrond
In deze beslissing oordeelt de Rechtbank Amsterdam over een beklag ex artikel 98 jo. 552a Sv, ingesteld door een arts die zich beroept op zijn verschoningsrecht. De zaak betreft de vraag of voldoende waarborgen bestaan dat geheimhoudersgegevens, waarvan eerder vernietiging was bevolen, daadwerkelijk zodanig zijn vernietigd dat zij geen rol (meer) kunnen spelen in het strafproces.
De beslissing volgt na een eerdere gedeeltelijke vernietiging door de Hoge Raad en een daaropvolgende terugwijzing naar de rechtbank.
Procesverloop
De klager diende op 6 december 2023 een klaagschrift in tegen het in beslag nemen van gegevensdragers onder hem en derden. Hij stelde dat deze gegevensdragers geheimhoudersinformatie bevatten en beriep zich op zijn verschoningsrecht als arts. Tegen klager en andere artsen bestond een verdenking van omkoping.
Vanwege de mogelijke aanwezigheid van geheimhoudersinformatie was vanaf het begin een rechter-commissaris betrokken bij het ontsluiten van de gegevens. Bij beslissing van 25 april 2024 verklaarde de rechtbank het klaagschrift gedeeltelijk gegrond voor een achttal bestanden en beval zij vernietiging dan wel zodanig uitgrijzen dat toegang onmogelijk zou zijn.
Tegen deze beslissing stelde klager cassatieberoep in. Bij beschikking van 15 april 2025 vernietigde de Hoge Raad de beslissing gedeeltelijk en verwees de zaak terug naar de rechtbank Amsterdam voor verdere behandeling.
Heropening en nader onderzoek
Na hernieuwde behandeling in raadkamer op 24 juni 2025 heropende de rechtbank het onderzoek bij beslissing van 8 juli 2025. De rechtbank oordeelde dat klager voldoende concreet had onderbouwd dat mogelijk niet of onvoldoende uitvoering was gegeven aan de bevolen vernietiging van de gegevens.
De rechtbank stelde vast dat uit het overgelegde proces-verbaal van de FIOD onvoldoende inzicht bleek in de concrete waarborgen, restricties en autorisaties binnen het gebruikte systeem. Daardoor kon niet worden beoordeeld of daadwerkelijk was verzekerd dat de geheimhoudersgegevens geen deel meer uitmaakten van het dossier en in het verdere strafproces geen rol zouden spelen.
De zaak werd daarom verwezen naar de rechter-commissaris voor nader onderzoek naar de wijze waarop deze waarborgen binnen het FIOD-systeem waren ingericht.
Bevindingen rechter-commissaris
De rechter-commissaris rapporteerde op 6 oktober 2025. Uit zijn bevindingen volgde dat twee barrières zijn opgeworpen om te voorkomen dat vertrouwelijke informatie zichtbaar wordt voor rechercheurs:
een technische blokkade binnen het systeem;
een duidelijke werkinstructie die verplicht tot directe melding en uitgrijzing bij (bedoelde of onbedoelde) inzage.
Volgens de rechter-commissaris zou een opsporingsambtenaar die doelbewust probeert vertrouwelijke gegevens te achterhalen te kwader trouw handelen. Zelfs bij een hypothetische technische onvolkomenheid blijft de tweede barrière gelden. Op basis hiervan achtte de rechter-commissaris voldoende gewaarborgd dat verschoningsgerechtigde informatie ontoegankelijk blijft voor onbevoegden.
Standpunten in raadkamer
In raadkamer verwees de raadsman van klager naar het arrest van de Hoge Raad van 1 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1030) en verzocht hij om bevestiging van:
strikte handhaving van loggings- en verbaliseringsplichten;
de waarborg dat ontgrijzing uitsluitend plaatsvindt na een voorafgaand onherroepelijk oordeel van de rechter-commissaris.
De officier van justitie stelde dat deze waarborgen reeds zijn vastgelegd en worden nageleefd. De raadsman van klager sloot zich bij dit standpunt aan.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank stelde vast dat zij bevoegd was en volgde de maatstaf zoals geformuleerd door de Hoge Raad: de rechter moet beoordelen of voldoende aannemelijk is dat aan de bevolen vernietiging daadwerkelijk uitvoering is gegeven, zodanig dat de geheimhoudersgegevens geen deel meer uitmaken van de processtukken en daarop geen acht wordt geslagen in het verdere strafproces.
Op basis van de bevindingen van de rechter-commissaris van 6 oktober 2025, inclusief de bijlage van de FIOD van 24 september 2025, achtte de rechtbank dit voldoende aannemelijk.
Beslissing
De rechtbank verklaarde het beklag ongegrond.
Lees hier de volledige uitspraak.
