Klacht tegen accountant als bestuurslid van de NBA ongegrond, uitbreiding van de tuchtklacht ter zitting in strijd met de goede procesorde
/College van Beroep voor het bedrijfsleven 13 oktober 2026, ECLI:NL:CBB:2026:490
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven verklaart het hoger beroep ongegrond van een klager die een accountant verwijt dat zij als bestuurslid van de NBA heeft meegewerkt aan onrechtmatige besluitvorming. De klacht gaat onder meer over niet gepubliceerde nadere voorschriften, tuchtrechtelijke vervolging van accountants in business wegens de PE-verplichting, besluiten zonder geldig mandaat en de jaarrekening 2021 van de NBA. Volgens het College heeft de accountantskamer terecht aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants getoetst, omdat die verordening voorschriften bevat die op grond van de Wet op het accountantsberoep zijn bepaald. De klager maakt tegenover de gemotiveerde betwisting niet aannemelijk dat het bestuur in strijd met wet- en regelgeving heeft gehandeld, zodat tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van de accountant niet is gebleken. Een klachtonderdeel dat de klager pas ter zitting bij de accountantskamer naar voren bracht, is een uitbreiding van de klacht die de goede procesorde niet toestaat. De enkele verwijzing naar een brief van het bestuur en een handhavingsverzoek aan de minister van Financiën voldoet niet aan artikel 22, derde lid, van de Wet tuchtrechtspraak accountants.
Inleiding en context
Het betreft een tuchtprocedure op grond van de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra), in hoger beroep tegen de uitspraak van de accountantskamer van 26 mei 2023, nummer 22/1752 Wtra AK, ECLI:NL:TACAKN:2023:36. In eerste aanleg is de klacht in al haar onderdelen ongegrond verklaard. De klager is een natuurlijk persoon. De accountant is sinds 16 april 1996 ingeschreven in het accountantsregister van de NBA en maakte van december 2020 tot 11 december 2023 deel uit van het bestuur van de NBA.
Medio 2022 stuurt de klager het bestuur e-mails met in totaal 43 vragen voor de rondvraag van de ledenvergadering. De voorzitter beantwoordt die namens het bestuur bij brief van 13 juni 2022. Bij brief van 11 september 2022 verzoekt de klager de minister van Financiën om onder meer de Verordening op de kennistoets, de nadere voorschriften permanente educatie 2019, de Gedragscode NBA bestuur, het mandaat- en machtigingsbesluit van het bestuur, benoemingsbesluiten van bestuursleden en de overige besluiten van de ledenvergadering van 13 juni 2022 te vernietigen. De besluitvorming van de minister daarover heeft geleid tot een afzonderlijk beroep (zaaknummer 23/1444). Dat beroep en de zaak 24/256 zijn op dezelfde zitting van 12 mei 2026 behandeld.
Tenlastelegging en wettelijk kader
Een tenlastelegging kent deze procedure niet. De klacht houdt in dat de accountant als bestuurslid in strijd heeft gehandeld met de voor haar geldende gedrags- en beroepsregels, doordat zij heeft meegewerkt aan of niet heeft verhinderd dat (a) besluiten zijn genomen en gehandhaafd die in strijd zijn met de wet en het recht en nadere voorschriften niet aan de minister zijn medegedeeld en niet in de Staatscourant zijn gepubliceerd, (b) accountants in business tuchtrechtelijk zijn vervolgd wegens het niet voldoen aan de PE-verplichting, (c) besluiten tot afgifte van bewijzen van vakbekwaamheid en inschrijving in het register zonder geldig mandaat zijn genomen en (d) de jaarrekening 2021 van de NBA niet tijdig is opgesteld, gedateerd en ondertekend en het besluit daartoe niet is genotuleerd.
Grondslag van het accountantstuchtrecht is artikel 42, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wet op het accountantsberoep (Wab): tuchtrechtspraak ter zake van handelen of nalaten in strijd met wat bij of op grond van de Wab is bepaald, en ander handelen of nalaten in strijd met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep. De ledenvergadering van de NBA stelt op grond van artikel 19, tweede lid, aanhef en onder a, Wab gedrags- en beroepsregels vast, wat is gebeurd met de VGBA. Artikel 22, derde lid, Wtra vereist dat het klaagschrift de feiten vermeldt waarvoor een tuchtrechtelijke maatregel wordt gevraagd.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie is geen partij in deze procedure. De klacht is ingediend door de klager, die in hoger beroep twee gronden aanvoert. Ten eerste heeft de accountantskamer de klacht ten onrechte ongegrond verklaard: zij heeft een onjuist toetsingskader gehanteerd (de VGBA in plaats van artikel 42, eerste lid, aanhef en onder b, Wab) en de klachtonderdelen a tot en met d onjuist beoordeeld. Ter zitting licht de klager toe dat de accountant zich van de besluiten had moeten distantiëren en had moeten aftreden, onder verwijzing naar de uitspraak van het College van 28 januari 2025, ECLI:NL:CBB:2025:29. Ten tweede heeft de accountantskamer ten onrechte de klacht over de Nadere voorschriften kwaliteitssystemen buiten behandeling gelaten, terwijl die volgens de klager valt onder de brede strekking van klachtonderdeel a, en ten onrechte geoordeeld dat de verwijzing naar het handhavingsverzoek niet voldoet aan artikel 22, derde lid, Wtra.
Standpunt van de verdediging
De accountant heeft een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven; de inhoud daarvan geeft de uitspraak niet afzonderlijk weer. Wel blijkt dat zij de klachtonderdelen gemotiveerd heeft betwist. Over het handhavingsverzoek heeft zij in eerste aanleg aangevoerd dat de verwijzing daarnaar geen doel treft, omdat het verzoek het handelen van het bestuur betreft en niet concretiseert voor welke individuele gedragingen haar een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Om die reden heeft zij de verwijten in het handhavingsverzoek niet één voor één weerlegd.
Oordeel gerecht
Het College volgt de klager niet in het betoog over het toetsingskader. De VGBA bevat op grond van de Wab bepaalde voorschriften als bedoeld in artikel 42, eerste lid, aanhef en onder a, Wab. In de toetsing aan de VGBA ligt volgens het College besloten dat de accountantskamer haar uitspraak (eveneens) op artikel 42 Wab heeft gebaseerd.
Over de klachtonderdelen a tot en met d stelt het College onder verwijzing naar vaste rechtspraak (15 december 2020, ECLI:NL:CBB:2020:989, en 7 april 2026, ECLI:NL:CBB:2026:140) voorop dat een klacht betrekking moet hebben op tuchtrechtelijk toetsbare gedragingen van individuele beroepsuitoefening en dat het aan de klager is feiten en omstandigheden te stellen en bij gemotiveerde betwisting aannemelijk te maken. De zaak van 28 januari 2025 verschilt, omdat daar vaststond dat de accountant en het bestuur van een VvE in strijd met wet- en regelgeving handelden en de accountant geen toereikende maatregel op de voet van artikel 22 VGBA had getroffen. Hier is dat niet aannemelijk gemaakt. Het College neemt daarbij in aanmerking dat niet is gebleken van een erkenning door het bestuur, een besluit van de ledenvergadering of een rechterlijke uitspraak waaruit onrechtmatige besluitvorming blijkt, en dat de minister geen reden zag de regelgeving en besluiten voor vernietiging door de Kroon voor te dragen.
De klacht over de Nadere voorschriften kwaliteitssystemen is in het klaagschrift niet terug te vinden; daar noemt de klager de code goed NBA bestuur, de Verordening examen Nederlands recht en examen Gedrags- en beroepsregels en de verplichte kennistoets. Het verwijt verschijnt pas in de pleitnota ter zitting. Volgens vaste rechtspraak (18 december 2014, ECLI:NL:CBB:2014:460, en 18 december 2018, ECLI:NL:CBB:2018:659) is uitbreiding van een klacht ter zitting in beginsel niet toegestaan. Het College onderschrijft dat dit onderdeel buiten behandeling is gelaten. Over de verwijzing naar de brief van 13 juni 2022 en het handhavingsverzoek van 11 september 2022 oordeelt het College dat de klager daarmee niet duidelijk maakt wat hij de accountant naast de klachtonderdelen a tot en met d concreet verwijt. De stelling dat de accountant daartegen inhoudelijk verweer heeft gevoerd, verwerpt het College.
Bewezenverklaring
Niet van toepassing. Een tuchtprocedure kent geen bewezenverklaring. Alle klachtonderdelen blijven ongegrond.
Strafoplegging en maatregelen
Het College verklaart het hoger beroep ongegrond. Er wordt geen tuchtrechtelijke maatregel opgelegd. De beslissing berust mede op hoofdstuk V van de Wtra.
Lees hier de volledige uitspraak.
Gerelateerde berichten
AFM volledig in gelijk gesteld in tuchtzaak accountant van een schroot- en goudhandel, 1 april 2026
AFM grotendeels in gelijk gesteld in tuchtzaak tegen EY-accountant van Airbus, 31 maart 2026
Artikel: Samenloop tussen tuchtrecht en strafrecht bij juridische, fiscale en financiële dienstverleners, 28 april 2025
