Toegang tot bewijs bij corporate human rights violations: een onderschat knelpunt
/De regulering van mensenrechtenschendingen door ondernemingen verschuift steeds nadrukkelijker van soft law naar juridisch afdwingbare verplichtingen. In dat kader is in juni 2025 aan de Open Universiteit het proefschrift Access to evidence and the regulation of corporate human rights violations verdedigd door N.D. Touw. Het onderzoek richt zich op een vraag die in de strafrechtelijke en civielrechtelijke praktijk vaak onderbelicht blijft, maar cruciaal is voor effectieve handhaving: toegang tot bewijs.
Hoewel het proefschrift primair is geschreven vanuit een internationaal en civielrechtelijk perspectief, zijn de bevindingen ook direct relevant voor het (bijzonder) strafrecht, het economisch strafrecht en compliance-onderzoeken.
Corporate human rights violations en bewijsproblematiek
Mensenrechtenschendingen door ondernemingen kenmerken zich vaak door een complexe feitelijke constellatie: grensoverschrijdende ketens, uitbesteding, dochtervennootschappen, en informatieasymmetrie tussen slachtoffers en ondernemingen. Juist die asymmetrie maakt het voor benadeelden, toezichthouders en opsporingsinstanties lastig om toegang te krijgen tot intern bewijs, zoals:
interne compliance-documentatie;
due diligence-rapportages;
communicatie binnen concernstructuren;
risicoanalyses en auditbevindingen.
Touw laat zien dat deze bewijsproblematiek structureel is en niet incidenteel. De toegang tot relevante informatie bepaalt in belangrijke mate of juridische normen rond mensenrechten daadwerkelijk afdwingbaar zijn.
De rol van bewijs in regulering en handhaving
Een centrale these in het proefschrift is dat regulering zonder effectieve toegang tot bewijs haar werking grotendeels mist. Wetgeving die ondernemingen verplicht tot zorgvuldigheid (zoals due diligence-verplichtingen) veronderstelt immers dat niet-naleving ook kan worden vastgesteld.
Daarbij analyseert Touw verschillende juridische mechanismen die beogen deze bewijsbarrière te doorbreken, waaronder:
omkering of verlichting van de bewijslast;
disclosure-verplichtingen;
rechterlijke bevoegdheden tot bewijsvergaring;
transparantie- en rapportageverplichtingen.
Deze mechanismen worden geplaatst in een breder reguleringskader waarin staten, rechters en toezichthouders elk een eigen rol spelen.
Relevantie voor het strafrecht en bijzonder strafrecht
Voor strafrechtjuristen is het proefschrift met name relevant waar het raakt aan corporate criminal liability en de bewijspositie van het Openbaar Ministerie in zaken tegen rechtspersonen. Veel van de door Touw gesignaleerde problemen – interne informatie die buiten bereik blijft, complexe concernstructuren en internationale dimensies – zijn herkenbaar uit strafzaken over milieudelicten, arbeidsuitbuiting, corruptie en mensenhandel.
Het onderzoek onderstreept dat effectieve strafrechtelijke handhaving niet alleen afhankelijk is van materiële strafbaarstellingen, maar ook van procedurele instrumenten om bewijs daadwerkelijk boven tafel te krijgen. Daarmee raakt het proefschrift aan kernvragen over:
onderzoeksbevoegdheden in corporate context;
de verhouding tussen zelfregulering en strafrechtelijke dwang;
de spanning tussen bedrijfsgeheimen en waarheidsvinding.
Bewijs, compliance en due diligence
Een belangrijk deel van het proefschrift is gewijd aan de rol van ondernemingen zelf in het genereren en bewaren van bewijs. Due diligence-processen, compliance-systemen en interne audits produceren grote hoeveelheden informatie die later bewijswaarde kunnen krijgen.
Touw laat zien dat deze interne documentatie een dubbel karakter heeft: zij kan bijdragen aan preventie, maar ook belastend bewijs vormen bij falende naleving. Dit roept vragen op over:
incentives voor ondernemingen om transparant te zijn;
de juridische status van interne rapportages;
het risico op strategische informatie-afscherming.
Voor compliance-professionals en strafrechtadvocaten is dit een relevant spanningsveld, zeker nu wetgeving steeds vaker expliciet inzet op gedocumenteerde zorgvuldigheid.
Europese en internationale context
Het proefschrift plaatst de bewijsproblematiek nadrukkelijk in een internationale context. Mensenrechtenschendingen door ondernemingen spelen zich vaak af buiten de jurisdictie waar het moederbedrijf is gevestigd. Dat maakt bewijsvergaring afhankelijk van internationale samenwerking, wederzijdse rechtshulp en soms privaatrechtelijke procedures.
Touw analyseert hoe deze context de effectiviteit van nationale handhaving beperkt en welke juridische oplossingen denkbaar zijn om die beperkingen te verkleinen. Daarbij wordt duidelijk dat toegang tot bewijs niet louter een technisch procesrechtelijk vraagstuk is, maar ook een beleidskeuze weerspiegelt over de mate waarin staten bereid zijn ondernemingen daadwerkelijk ter verantwoording te roepen.
Betekenis voor de praktijk
De kernbijdrage van het proefschrift ligt in het zichtbaar maken van bewijs als sleutelfactor in de regulering van corporate misstanden. Voor de strafrechtpraktijk betekent dit dat aandacht voor bewijsstructuren, informatie-asymmetrie en procedurele instrumenten essentieel is bij de beoordeling van zowel opsporingsstrategieën als verdedigingsposities.
Het onderzoek nodigt uit tot een bredere reflectie op de vraag of het huidige juridische instrumentarium voldoende is toegerust om complexe, grensoverschrijdende corporate delicten effectief aan te pakken – en zo niet, waar de lacunes zich precies bevinden.
