Artikel: Strafrechtelijke aansprakelijkheid voorbij operationele entiteiten

In het ondernemingsstrafrecht bestaat in toenemende mate aandacht voor de opsporing en vervolging van financieel-economische criminaliteit met een grensoverschrijdend karakter, zoals ‘buitenlandse corruptie’ en de handhaving van internationale sanctie- en exportcontroleregimes. Veel van de in dit soort zaken onderliggende gedragingen – denk aan de vermeende steekpenning, onjuiste belastingaangifte of verboden export – vinden plaats op afstand van investeerders en hoofdkantoren, die daarop niet zelden beperkt zicht hebben.

Dat roept de vraag op wanneer (ook) de (indirecte) aandeelhouders zich over hun eigen positie zorgen moeten maken: wanneer kan aan hen een strafrechtelijk relevante verantwoordelijkheid ten aanzien van dochtervennootschappen of portfolio-entiteiten worden toegedicht?

Deze bijdrage beoogt in die beoordeling enige ordening aan te brengen door in te gaan op (i) toerekening en feitelijk leidinggeven binnen aandeelhoudersverhoudingen en (ii) de betekenis van witwasbepalingen voor strafrechtelijke aansprakelijkheid in aandeelhoudersrelaties.

Lees verder:

Print Friendly and PDF ^