AAFD-protocol terecht toegepast: belastingplichtige veroordeeld voor opzettelijke nalatigheid
/Rechtbank Rotterdam 23 december 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:15503
De rechtbank Rotterdam veroordeelt een 72-jarige man voor het opzettelijk niet indienen van aangiften inkomstenbelasting over 2020 en 2021. De verdachte handelde jarenlang in strijd met zijn fiscale verplichtingen en werd daarvoor eerder bestraft.
De verdediging stelt dat sprake is van overmacht en dat de vervolging onterecht is vanwege het AAFD-protocol. De rechtbank verwerpt deze verweren en acht opzet en het strekkingsvereiste bewezen. Gezien de ernst van het feit en de recidive legt de rechtbank 9 maanden cel op, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. De uitspraak onderstreept het belang van fiscale naleving en normhandhaving binnen het belastingstelsel.
Context van de zaak
De rechtbank Rotterdam buigt zich over de strafzaak tegen een inmiddels 72-jarige man, geboren in 1953, woonachtig in Nederland, die jarenlang zijn verplichtingen als belastingplichtige niet nakomt. De verdachte is een natuurlijk persoon en staat bekend bij de Belastingdienst als een niet-conformerende belastingplichtige. In het verleden zijn meerdere ambtshalve aanslagen opgelegd, waarbij bedragen van meer dan 600.000 zijn vastgesteld.
In de onderhavige zaak wordt de verdachte verweten dat hij over de belastingjaren 2020 en 2021 geen aangiften inkomstenbelasting heeft ingediend. Het feitencomplex speelt zich af in Apeldoorn en omvat een periode van bijna drie jaar. De zaak is aanhangig gemaakt op grond van een aanmelding conform het AAFD-protocol, een richtsnoer voor strafrechtelijke afdoening van fiscale delicten.
Tenlastelegging
De verdachte wordt verweten dat hij van 1 januari 2021 tot en met 27 september 2023 opzettelijk geen aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2020 en 2021 heeft gedaan. Deze handelingen zijn strafbaar gesteld in artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Het feit strekt ertoe dat te weinig belasting wordt geheven, wat de strafverzwarende component vormt.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie acht de vervolging ontvankelijk. Volgens het Openbaar Ministerie is uit het strafdossier gebleken dat het benadelingsbedrag ruimschoots boven de grens van 100.000 uitkomt, waarmee aan de criteria van het AAFD-protocol is voldaan. Op basis hiervan is strafrechtelijke vervolging gerechtvaardigd. De officier van justitie vordert een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar.
Standpunt van de verdediging
De verdediging voert primair aan dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is, omdat niet zou zijn voldaan aan de toepassingscriteria van het AAFD-protocol. Subsidiair wordt bepleit dat de verdachte vrijgesproken moet worden, nu geen sprake is van opzet. Voorts doet de verdediging een beroep op afwezigheid van alle schuld: de verdachte zou alles binnen zijn macht hebben gedaan om aangifte te doen, maar werd daarbij tegengewerkt door de Belastingdienst en het Openbaar Ministerie. Tot slot verzoekt de verdediging, gezien de leeftijd en gezondheidsproblemen van de verdachte, om af te zien van strafoplegging of om een aanzienlijk gematigde straf op te leggen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank verwerpt het ontvankelijkheidsverweer. Uit het strafdossier blijkt dat het benadelingsbedrag, gelet op eerdere opgelegde ambtshalve aanslagen (631.526 in 2016 en 668.843 in 2018), substantieel is. Daardoor is voldaan aan de criteria van het AAFD-protocol. Aanvullende wegingscriteria zijn in dat geval niet vereist.
Ook de materiële verweren worden verworpen. De rechtbank stelt vast dat de verdachte opzettelijk geen aangiften heeft gedaan over de belastingjaren 2020 en 2021. De verdachte erkent dat hij geen aangifte heeft gedaan en is daarvan volledig op de hoogte. Daarmee is het opzet gegeven. De aangevoerde omstandigheden zijn onvoldoende om te spreken van afwezigheid van alle schuld. De verdachte heeft zich herhaaldelijk onttrokken aan hoorgesprekken en heeft het invullen van zijn aangiften structureel nagelaten.
Wat betreft het strekkingsvereiste overweegt de rechtbank dat de gedraging naar haar aard en in het algemeen leidt tot te weinig belastingheffing. De financiële situatie van de verdachte doet daar niet aan af. Ook dit verweer wordt verworpen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 1 januari 2021 tot en met 27 september 2023 in Apeldoorn, opzettelijk geen aangiften inkomstenbelasting heeft gedaan over de jaren 2020 en 2021. Deze gedraging strekt ertoe dat te weinig belasting wordt geheven. Hiermee is sprake van een meermalen gepleegd strafbaar feit zoals strafbaar gesteld in artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Strafoplegging
Bij het bepalen van de straf weegt de rechtbank mee dat de verdachte gedurende meerdere jaren zijn fiscale verplichtingen verzaakt en daarin volhardt. Het consequent niet doen van belastingaangifte schaadt de integriteit van het belastingstelsel en tast het maatschappelijk draagvlak aan. Dit leidt tot ondermijning van het fiscale rechtvaardigheidsbeginsel en kan ertoe bijdragen dat ook andere belastingplichtigen hun verplichtingen niet naleven.
De rechtbank neemt het de verdachte bijzonder kwalijk dat hij ondanks uitnodigingen voor hoorgesprekken en het instellen van bezwaarprocedures geen initiatief heeft genomen tot het inzichtelijk maken van zijn inkomen en vermogen. Dat hij de oorzaak volledig bij de Belastingdienst en het Openbaar Ministerie legt, zonder zelf verantwoordelijkheid te nemen, werkt strafverzwarend.
Hoewel het exacte benadelingsbedrag in de onderhavige jaren niet met zekerheid is vast te stellen, geven eerdere ambtshalve aanslagen een indicatie van substantiële bedragen. De rechtbank gaat dan ook uit van een aanzienlijk fiscaal nadeel.
De verdachte is eerder veroordeeld voor soortgelijke delicten, hetgeen de rechtbank in strafverzwarende zin betrekt bij haar oordeel. Daartegenover staat dat de verdachte op leeftijd is en kampt met gezondheidsproblemen. Deze omstandigheden leiden tot enige strafmatiging.
Gelet op de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de noodzaak tot normhandhaving acht de rechtbank een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, passend en geboden. Aan het voorwaardelijke deel wordt een proeftijd van 3 jaar verbonden. Dit deel van de straf dient als stok achter de deur om herhaling te voorkomen.
Lees hier de volledige uitspraak.
