Maximale werkstraf Veenendaler voor valsheid in geschrift

De Rechtbank Gelderland heeft een 35-jarige man uit Veenendaal veroordeeld voor valsheid in geschrift. Hij kreeg de maximale werkstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden opgelegd. De man liet tussen december 2014 en april 2015 tweemaal – door middel van in totaal 4 overboekingen – grote bedragen door zijn werkgever naar zijn eigen rekening overmaken. Dit geld – met een totale waarde van 420.000 euro - was bestemd voor de belastingdienst. De man deed dit om hiermee onder andere zijn eigen woning te kunnen financieren.

Eigen belang

De rechtbank rekent het de man zwaar aan dat hij uit eigen belang het door zijn werkgever in hem gestelde vertrouwen heeft geschaad. Ook het feit dat hij na de eerste overboekingen in december 2014 er niet voor koos om zijn handelen op te biechten, telt zwaar mee. Daarnaast ontkende hij in juni 2015 - toen alles aan het licht kwam – dat hij de bedragen had overgeboekt.

Straf hoger dan eis

Het Openbaar Ministerie had een werkstraf van 180 uur een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden geëist. De straf valt hoger uit, omdat de rechtbankrekening houdt met de ‘Oriëntatiepunten voor straftoemetingen en LOVS-afspraken’. Hierin staat onder andere dat voor fraude bij een benadelingsbedrag van 250.000 tot 500.000 euro een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 tot 18 maanden staat. Toch legt de rechtbank geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op. In het voordeel van de man neemt de rechtbank mee dat hij niet eerder is veroordeeld voor dergelijke strafbare feiten. Ook werkte hij aan het politieonderzoek en is het volledige bedrag terugbetaald aan zijn voormalige werkgever.

Aan de straf zijn bijzondere voorwaarden verbonden. Zo moet de man zich tijdens zijn proeftijd laten behandelen en zich dagelijks melden bij de reclassering.

Bron: de Rechtspraak 

 

Print Friendly and PDF ^

Langdurige gevangenisstraf voor 'babbeltruc'

Rechtbank Noord-Holland 30 juni 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:5346

De rechtbank heeft een gevangenisstraf van 36 maanden - waarvan 12 maanden voorwaardelijk - opgelegd aan een 37-jarige vrouw. Van 19 januari 2015 tot en met 3 juni 2015 heeft zij van 14, veelal hoogbejaarden, de pincode afhandig gemaakt, of dat geprobeerd, door gebruik van de babbeltruc.

De rechtbank acht ook bewezen dat de vrouw met de gestolen bankpas en verkregen pincode van 10 slachtoffers aanzienlijke bedragen van hun bankrekening heeft opgenomen. In zeven zaken is de verdachte (deels) vrijgesproken wegens onvoldoendebewijs.

'Babbeltruc'

De vrouw belde de slachtoffers en deed zich voor als bankmedewerker of medewerker van de politie en wekte op die wijze vertrouwen. Uit onderzoek bleek dat met name gebeld werd naar vaste telefoonnummers van personen op hoge leeftijd, in de regio Amsterdam en omstreken. Met een listig verhaal bewoog de vrouw de slachtoffers tot afgifte van de pincode van hun bankpas. In de meeste gevallen was de bankpas kort daarvoor gestolen van de slachtoffers; onder meer uit hun woning door vrouwen die zich voordeden als thuiszorgmedewerkers. Enkele slachtoffers konden niet aangeven hoe zij de bankpas waren kwijtgeraakt, door diefstal of verlies, maar zij kregen kort daarop wél dat bewuste telefoontje, waarop zij hun pincode afgaven.

Opname geld van de bankrekeningen

De rechtbank acht bewezen dat de vrouw met behulp van de gestolen bankpas en de ontvreemde pincode, geld heeft opgenomen van de bankrekening van 10 slachtoffers. Dit deed zij in sommige gevallen samen met anderen. Daarbij is opvallend dat de pintransacties plaatsvonden binnen een zéér kort tijdsbestek na het babbeltruc-gesprek of zelfs tegelijkertijd. Voor de rechtbank staat daarmee vast dat degene die het babbeltruc-gesprek voerde, ook betrokken was bij het pinnen van het geld.

Verweer namens verdachte

De vrouw heeft alle betrokkenheid ontkend en namens haar is vrijspraak gevraagd voor alle feiten omdat het bewijs tekort schiet. Zo leveren de camerabeelden van de persoon die het geld pinde onvoldoende herkenning op. Voorts is het herkennen van de stem van de vrouw in de getapte telefoongesprekken onbetrouwbaar; het zou immers ook een familielid van verdachte kunnen zijn geweest met een vergelijkbare stem.

Bewijs volgens de rechtbank

De vrouw is op 3 juni 2015 door de politie daadwerkelijk aangetroffen bij de woning van één van de slachtoffers, waarbij zij zich had voorgedaan als medewerkster van de ING-bank. Zij had de mobiele telefoon in haar bezit waarmee het babbeltruc-gesprek met dit slachtoffer was gevoerd. Dit gesprek, maar ook andere opgenomen gesprekken zijn door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) onderworpen aan spraakonderzoek. De stem van degene die het babbeltruc-gesprek voerde is vergeleken met de opnames van politieverhoren van de vrouw én met gesprekken via een privé-telefoon-nummer dat de vrouw gebruikte. Het NFI acht het – kort gezegd – waarschijnlijk dat zij de babbeltruc-gesprekken heeft gevoerd. De rechtbank heeft daarom de conclusie van het NFI gebruikt voor het bewijs. Dat het de vrouw was die belde, leidt de rechtbank ook af uit de zendmastgegevens; veel is gebeld in de nabijheid van haar woning. Tot slot is ter zitting gebleken dat zij geen familieleden heeft wonen in de omgeving van Amsterdam, waarmee het door de verdediging geschetste alternatieve scenario onaannemelijk is.

Camerabeelden van de pintransacties

Op verschillende beelden is een persoon te zien die het haar en gezicht heeft afgeschermd met een muts, pet of sjaal. De rechtbank oordeelt dat de uiterlijke kenmerken van die persoon passen bij die van de vrouw; met name de spitse neus en de stand van de ogen. Daar komt bij dat de persoon die pint veelal kleding draag die sterk overeenkomt met de kleding die in de woning van de vrouw is aangetroffen. Verbalisanten van de politie hebben haar herkend op basis van diverse concreet omschreven kenmerken. De rechtbank gebruikt deze ambtshalve herkenningen voor hetbewijs. Op grond van al deze bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat het de vrouw is geweest die heeft gepind van de bankrekeningen van de slachtoffers.

Samen met anderen

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw enkele diefstallen samen met anderen heeft gepleegd; voor een aantal zaken geldt dat zij mogelijk alleen heeft geopereerd.

Strafmaat

De rechtbank vindt het zeer ernstige strafbare feiten, die naast financiële schade, overlast en gevoelens van onmacht bij de gedupeerden hebben veroorzaakt. Kennelijk is ook bewust en stelselmatig een groep oudere en daardoor kwetsbare slachtoffers tot doelwit gekozen. Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de vrouw die moeder is van drie jonge kinderen. Aan haar wordt een gevangenisstraf opgelegd van 36 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar als stok achter de deur, om haar ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Vorderingen van de gedupeerden en ontnemingsvordering

De rechtbank heeft de vrouw veroordeeld om aan zes benadeelden de door hen geleden schade te vergoeden. In een apart vonnis heeft de rechtbank de vrouw veroordeeld tot betaling aan de staat van een bedrag van 12.810,23 euro. Dit is het door haarwederrechtelijk verkregen financieel voordeel.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Niet-ontvankelijkheid OM: Door ná aanvang van het onderzoek op de terechtzitting een beslissing te nemen over de afdoening van de zaak heeft het OM gehandeld in strijd met het Wetboek van Strafvordering

Rechtbank Overijssel 20 juni 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:2280 Verdachte is ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte. De officier van justitie heeft gerequireerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM omdat met de verdediging overeenstemming is bereikt over de afdoening van de zaak. Bedoelde afdoening houdt in dat het openbaar ministerie met de verdediging een taakstraf is overeengekomen, welke inmiddels door verdachte is verricht.

De rechtbank oordeelt dat de handelwijze van het Openbaar Ministerie strijdig is met het Wetboek van Strafvordering en niet minder is dan een verstoring van de rechtsorde. Uit het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering volgt dat een strafzaak ter terechtzitting aanhangig wordt gemaakt door een dagvaarding welke vanwege de officier van justitie aan de verdachte wordt betekend. De officier van justitie kan van verdere vervolging afzien, zolang het onderzoek op de terechtzitting nog niet is aangevangen. Vanaf het moment dat de zaak is uitgeroepen en het publiek daarvan kennis heeft kunnen nemen, kan de officier van justitie de dagvaarding niet meer intrekken en dient de zaak te eindigen met een einduitspraak van de rechter op een openbare terechtzitting. Kortom, de beslissingsbevoegdheid van de officier van justitie eindigt op het moment dat de zaak ter terechtzitting wordt uitgeroepen. Vanaf dat moment is het enkel en alleen de rechter die beslist over de voorgelegde zaak, op grondslag van de door de officier van justitie opgestelde tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting. Binnen de constitutioneel bepaalde verhoudingen impliceert dit dat de rechter onafhankelijk is van de opsporende en vervolgende instanties.

Door ná aanvang van het onderzoek op de terechtzitting een beslissing te nemen over de afdoening van de zaak, heeft het Openbaar Ministerie een handelwijze gehanteerd die strijdig is met het systeem van het Wetboek van Strafvordering dat in verband met niet alleen de belangen van procespartijen maar ook in verband met het belang van openbaarheid een beslissing door een onafhankelijke en onpartijdige rechter voorstaat.

De officier van justitie is in deze zaak daaraan geheel voorbij gegaan door een overeenkomst te sluiten met de verdachte terwijl de zaak al onder de rechter was en heeft in zijn oproeping van verdachte voor de zitting van 6 juni 2016 vermeld dat hij niet-ontvankelijkheid zou gaan vorderen, hetgeen erin heeft geresulteerd dat bij verdachte vooruitlopend op de rechterlijke beslissing verwachtingen zijn gewekt waardoor hij en zijn raadsman niet op de terechtzitting zijn verschenen.

De rechtbank kan, ondanks de omstandigheid dat de strafzaak daardoor aan een onafhankelijk rechterlijk oordeel wordt onttrokken, niet voorbijgaan aan het feit dat de toezegging van de officier van justitie aan de verdediging dat hij tot niet-ontvankelijkheid zal requireren bij verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat hij niet verder zal worden vervolgd. De officier van justitie heeft door te handelen zoals hij deed de rechtbank voor een voldongen feit geplaatst. De rechtbank is onder deze omstandigheden tot de slotsom gekomen dat, hoewel vorenbedoelde belangen van openbaarheid en een onafhankelijke en onpartijdige rechtspraak tot heropening van de zaak nopen, het bij verdachte opgewekt gerechtvaardigd vertrouwen hieraan in de weg staat.

De onderhavige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, welke naar het oordeel van de rechtbank niet minder dan een verstoring van de rechtsorde heeft behelsd en een miskenning van de verhouding tussen het Openbaar Ministerie als vervolgende instantie en de rechtbank die bij uitsluiting bevoegd is te oordelen over de zaak die aan haar is voorgelegd, brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich mee dat verdachte in deze zaak en onder deze omstandigheden, niet verder in rechte mag worden betrokken. Gelet op het voorgaande past hier slechts de sanctie van niet-ontvankelijk verklaring van de officier van justitie in de vervolging.

Lees hier de volledige uitspraak .

 

Print Friendly and PDF ^

Hawala-bankieren: Vrijspraak witwassen, veroordeling voor medeplegen art. 2:3a Wft.

Rechtbank Rotterdam 21 april 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:4867 De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het verrichten van illegale geldtransacties. De verdachte heeft gedurende een half jaar veelvuldig grote contante geldbedragen buiten het formele geldcircuit verplaatst, uitbetaald of ontvangen. De verdachte heeft samen met anderen de voornoemde geldtransfers bedrijfsmatig als betaaldienstverlener verricht zonder te beschikken over een daartoe door de Nederlandse Bank verleende vergunning, dan wel een door die instelling geregelde vrijstelling. De verdachte heeft zich zodoende onttrokken aan de regels van het financiële toezichtrecht.

Verdachte heeft voorts ongeveer 95 gram hasjiesj voorhanden gehad. Hasjiesj is een voor de volksgezondheid schadelijke stof en is daarom door de wetgever op de bij de Opiumwet behorende lijst II geplaatst.

Feiten 1 en 2

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte in de ten laste gelegde periode tezamen en in vereniging met anderen meerdere geldbedragen krachtens (gewoonte)witgewassen. In de voornoemde periode heeft de verdachte dertien keer geld overgedragen en een substantieel geldbedrag voorhanden gehad in zijn woning in het kader van een criminele vorm van Hawala-bankieren. De feiten en omstandigheden in deze zaak en de werkwijze met betrekking tot het bankieren zijn zodanig dat kan worden geoordeeld dat het geld van voorafgaande misdrijven afkomstig is. De verdachten maakten gebruik van versluierende taal en op de handelingen die in deze zaak zijn waargenomen, zijn verschillende FATF typologieën van toepassing. De verdachte heeft daar geen enkele, laat staan verifieerbare, verklaring omtrent de herkomst van het geld tegenovergesteld. Voorts kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bankieren zonder vergunning, strafbaar gesteld op grond van de Wet financieel toezicht. De verdachte brengt en haalt zelf geld. Bij hem thuis is een token aangetroffen van een overdracht, die binnen de onderzoeksperiode valt. Dat duidt op zelf geld transporteren. Hij bemiddelde ook bij een tweetal transacties waarbij het daadwerkelijke ophalen of brengen door een ander, in casu medeverdachte 1 werd gedaan. Dan heeft hij de rol van onderbankier.

Standpunt verdediging

Bepleit is dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde. Daartoe is aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat er sprake is van vermogensbestanddelen ‘afkomstig uit enig misdrijf’ voorafgaand aan het voorhanden hebben en het overdragen daarvan in de zin van artikel 420quater van het Wetboek van Strafrecht. Op grond van de jurisprudentie kan niet worden volstaan met de typologieën van witwassen, indien duidelijk is dat het transacties in het kader van Hawala-bankieren betreft. Het dossier bevat geen aanwijzing die wijst op een ander gronddelict, anders dan de betrokkenheid van cliënt als koerier bij het Hawala-bankieren, waaruit de gelden zouden zijn voortgevloeid. Tevens kan niet worden bewezen dat cliënt op de hoogte zou zijn geweest van een mogelijk criminele herkomst van de verschillende geldbedragen.

Daarnaast is vrijspraak bepleit van het onder 2 tenlastegelegde, nu de verdachte slechts als koerier heeft gewerkt en deze feitelijke gedraging onvoldoende is om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking van verdachte op het uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener.

Beoordeling rechtbank

‘van misdrijf afkomstig’

De rechtbank stelt vast dat zich in het dossier de schriftelijke weergave van afgeluisterde telefoongesprekken en sms-berichten bevindt met telefoonnummers die aan de verdachte en respectievelijk medeverdachte 1 worden toegeschreven. De gesprekken en berichten hebben een versluierend, voor buitenstaanders dikwijls cryptisch karakter waarin herhaalde patronen optreden en getallen een prominente rol spelen. In deze gesprekken wordt (onder meer) gesproken over het geven van ‘het toevertrouwde’, er worden nummers en adressen doorgegeven en soms worden kennelijk telefoonnummers van contactpersonen doorgegeven. Ook is er sprake van zogenoemde ‘tokens’ die kennelijk fungeren als legitimatie voor de afleveraars van de geldbedragen, zoals bij Hawala-bankieren gebruikelijk is. Tevens is gebleken dat door de verdachte met diverse contacten afspraken worden gemaakt die deels zijn geobserveerd, waarbij het vermoeden is ontstaan dat hierbij geldbedragen worden ontvangen of afgeleverd. De waarnemingen bij observaties op 14 november 2012 en 21 februari 2013 sluiten aan op de informatie in tapgesprekken en berichten. Op 14 november 2012 is na een overdracht een geldbedrag van 17.400 euro aangetroffen bij een medeverdachte, waarbij betrokkenheid van de verdachte en de medeverdachte medeverdachte 1 aannemelijk is. Tevens is bij een doorzoeking van de woning van de verdachte een geldbedrag van 99.860 euro aangetroffen.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij als koerier ter zake van Hawala-bankieren geld van A naar B bracht. Tevens heeft hij verklaard dat het geld, dat tijdens de doorzoeking in zijn woning in beslag genomen is, de voorraad betreft die hij als koerier van Hawala-bankieren voorhanden had en niet zijn eigen geld betreft.

De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat het onderzoek in de onderhavige zaak geen direct bewijs heeft opgeleverd van het van enig concreet misdrijf afkomstig zijn van de geldbedragen die onder de verdachte in beslag zijn genomen. De verdachte heeft ter terechtzitting een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijk aan te merken verklaring afgelegd.

Uit de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden kan worden geconcludeerd dat de verdachte betrokken was bij het zogenoemde Hawala-bankieren. Voorts is het niet op voorhand volslagen onwaarschijnlijk dat hij het onder hem in beslag genomen geld uit dien hoofde voorhanden had. Gelet daarop en op de specifieke werkwijze van Hawala-bankieren is het enkele voorkomen van omstandigheden zoals hier aan de orde - wat er ook zij van een verschijningsvorm die doet denken aan voorbeelden uit de reeks witwas-typologieën - in dit geval onvoldoende om daaraan een gerechtvaardigd vermoeden te ontlenen dat de verdachte zich bezig hield met witwassen. Nu het dossier overigens geen op witwassen duidende aanwijzingen bevat die niet door verdachtes werkzaamheden binnen het Hawala-bankieren (kunnen) worden verklaard en niet is komen vast te staan dat de bij hem aangetroffen geldbedragen zien op mogelijke opbrengsten of verdiensten daaruit en evenmin is gebleken dat verdachte op de hoogte zou zijn geweest van een mogelijk criminele herkomst van de verschillende geldbedragen uit strafbare feiten door anderen gepleegd dient de verdachte te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde.

Beoordeling van de rechtbank ten aanzien van feit 2

‘medeplegen’

Aan de verdachte wordt onder 2 verweten dat hij - tezamen en in vereniging met anderen - zonder vergunning betaaldiensten heeft verricht door geldtransacties en/of geldtransfers uit te voeren en/of gelden heeft ontvangen en/of beschikbaar gesteld en/of gehouden, namelijk ten aanzien van de geldbedragen opgenomen in het onder 2 ten laste gelegde.

Overdracht 26 september 2012

Uit de inhoud van opgenomen en afgeluisterde tapgesprekken en sms-berichten kwam naar voren dat de verdachte op 26 september 2012 een telefoonnummer ontving van zijn opdrachtgever in Marokko. De verdachte neemt contact op met dit telefoonnummer en maakt een afspraak met een NN-man. De verdachte stuurt medeverdachte 1 naar de ontmoeting met NN-man en laat de NN-man weten dat hij ‘het toevertrouwde moet geven’. NN-man heeft nummer ‘26’. Na de ontmoeting laat medeverdachte 1 aan de verdachte weten dat alles klopt, de verdachte rapporteert dit vervolgens weer terug naar zijn opdrachtgever in Marokko.

Overdacht 14 november 2012

Op 12 november 2012 werd verdachte gebeld door één van zijn Marokkaanse opdrachtgevers, genaamd opdrachtgever . opdrachtgever zei tegen verdachte dat hij woensdag gebeld zou worden door iemand aan wie hij 17.400 moet geven. Op 14 november 2012 werd verdachte gebeld door een NN-man, die later medeverdachte 2 genaamd bleek te zijn. De verdachte en medeverdachte 2 spraken af elkaar te ontmoeten in de adres . Tijdens observatie werd gezien dat verdachte in het voertuig van medeverdachte 2 plaatsnam. De verdachte belde vervolgens met opdrachtgever . Uit dat gesprek bleek dat verdachte dacht dat zijn contact "zou geven". opdrachtgever zei dat verdachte "moet geven". verdachte belde vervolgens naar medeverdachte 1 en zei dat medeverdachte 1 17.400 moet geven aan iemand die hij naar hem stuurt. Tijdens observatie werd gezien dat medeverdachte 2 een ontmoeting had met medeverdachte 1 in Nieuwegein. Beiden namen vervolgens korte tijd plaats in de auto van medeverdachte 1 , waarna beiden weer plaats namen in hun eigen auto. medeverdachte 1 belde vervolgens met verdachte en zei dat "hij hem het toevertrouwde heeft gegeven". medeverdachte 2 belde vervolgens met verdachte en zei dat het goed was; hij alleen biljetten van 20 had gekregen; hij het niet geteld had en het zo mee zou nemen. Kort hierna werd medeverdachte 2 op heterdaad aangehouden en werd in zijn auto een stoffen zak met 17.400 euro aangetroffen.

Uit de inhoud van opgenomen en afgeluisterde tapgesprekken en sms-berichten is gebleken dat ook bij de andere ten laste gelegde transacties de verdachte contact had met één van zijn opdrachtgevers in Marokko, de verdachte contact opneemt met een derde, in die gesprekken veelal (huis)nummers worden genoemd en er vervolgens een ontmoeting plaatsvindt tussen de verdachte en die derde, waarna de verdachte tot slot weer contact opneemt met zijn opdrachtgever in Marokko.

Gelet op de afgeluisterde tapgesprekken tussen de verdachte en één van de opdrachtgevers in Marokko en de hoogte van de inbeslaggenomen geldbedragen stelt de rechtbank vast dat de in de gesprekken genoemde nummers, getallen betreffen die staan voor het geldbedrag dat dient te worden overgedragen. Deze ‘nummers’ dienen voor de juiste hoogte van het geldbedrag te worden vermenigvuldigd met 1000.

Artikel 2:3a, lid 1, van de Wet op het financieel toezicht (Wft) verbiedt het zonder vergunning van de Nederlandsche Bank uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener. De Wft onderscheidt in dit verband zeven soorten betaaldiensten (welke afkomstig zijn uit de bijlage bij de Europese richtlijn voor betaaldiensten 2007/64/EG), waaronder geldtransfers, die als volgt nader worden omschreven:

Van het verlenen van de dienst ‘geldtransfer’ is sprake als, zonder dat een rekening wordt geopend, van een betaler geld wordt ontvangen met als enig doel het daarmee corresponderende bedrag over te maken rechtstreeks aan een begunstigde dan wel aan een andere betalingsdienstverlener die de gelden aan de uiteindelijk begunstigde uitkeert.

Geldtransfers (of moneytransfers) worden in de praktijk vooral verleend ten behoeve van het overmaken van geld naar begunstigden in het buitenland, met name naar landen met een minder ontwikkeld banksysteem en waar het gebruik van bankrekeningen minder voorkomt. Ook voor onverwachte spoedbetalingen wordt wel van geldtransfers gebruik gemaakt.

Voor medeplegen moet sprake zijn van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de betrokken personen, gericht op de totstandkoming van het delict. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. De bijdrage aan het delict dient van voldoende intellectueel of materieel gewicht te zijn.

Nu de verdachte zeer intensief contact onderhield met zijn opdrachtgevers in Marokko, er sprake was van een hoge frequentie aan transacties, de verdachte een groot geldbedrag in zijn woning voorhanden had en ten minste in twee gevallen medeverdachte 1 aanstuurde in het kader van Hawala-bankieren, behelst het feitelijk handelen van de verdachte meer dan het slechts fungeren als geldkoerier. De verdachte heeft met zijn handelen een wezenlijke bijdrage geleverd aan het strafbare feit. De verdachte kan derhalve worden aangemerkt als medepleger en heeft samen met anderen het bedrijf van betaaldienstverlener uitgeoefend.

Feiten 3 en 4

De officier van justitie acht het onder 3 en 4 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. De ploertendoder is in de woning van de verdachte aangetroffen. Dat is een ploertendoder als genoemd in art 2 lid 1 onder g van de Regeling wapens en munitie, ofwel een wapen van de categorie 1 onder 3 van de WWM (als bedoeld onder artikel 2, lid 1, WWM).

De hasj is in de berging van de woning van de verdachte aangetroffen. Het plakje is positief getest op THC. Ook het NFI heeft vastgesteld dat het hasjiesj betreft.

Standpunt verdediging

Bepleit is dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 3 en 4 tenlastegelegde. Daartoe is aangevoerd dat de enkele vondst van beide zaken in de berging en de woonkamer onvoldoende wettig bewijs is voor de wetenschap en dus van het voorhanden hebben van beide zaken. Er kwam veel familie bij de verdachte thuis. Bovendien heeft de schoonvader van verdachte enkele dagen in de woonkamer gelogeerd. Er bestaat een reële mogelijkheid dat een ander de voorwerpen daar heeft geplaatst.

Beoordeling rechtbank

De rechtbank stelt vast dat tijdens een doorzoeking in de woning van de verdachte in een lade van een kast in de woonkamer een ploertendoder is aangetroffen. Daarnaast is in de berging van voornoemde woning in een doos en daarin een plastic zak met een plakje hasj aangetroffen.

De rechtbank neemt bij haar beoordeling als uitgangspunt dat de eigenaar tevens gebruiker van een pand in beginsel geacht wordt wetenschap te hebben van zich in dat pand bevindende goederen. Daarnaast constateert de rechtbank dat de verdachte zich beroept op zijn zwijgrecht en dus zelf geen verklaring heeft gegeven voor de aanwezigheid van de ploertendoder en de hasj in zijn woning.

Daar staat naar het oordeel van de rechtbank tegenover dat de woonkamer van de woning van verdachte een centrale plaats in de woning is, die tevens makkelijk toegankelijk is voor anderen dan de verdachte, hetgeen ook blijkt uit de verklaring van mevrouw getuige , inhoudende dat haar schoonvader een aantal nachten bij hen in de woonkamer logeerde. De rechtbank acht het onder voornoemde omstandigheden niet uitgesloten dat een ander dan verdachte de ploertendoder in de lade van de kast heeft achtergelaten, hetgeen namens verdachte, bij monde van diens advocaat naar voren is gebracht. Daar komt bij dat uit het dossier geen enkel feit of omstandigheid naar voren is gekomen waaruit het bewustzijn van de aanwezigheid van het wapen in de woning kan worden afgeleid. Niet kan worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die het wapen voorhanden heeft gehad dan wel dat het wapen zich in de machtssfeer van de verdachte heeft bevonden. De verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde.

Dit is anders voor het onder 4 tenlastegelegde feit. De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de hasj in de berging van zijn woning voorhanden heeft gehad. De hasj bevond zich in de berging van de woning van de verdachte, wat naar het oordeel van de rechtbank een minder toegankelijke plek in de woning is. Gesteld noch gebleken is dat ook anderen toegang hadden tot deze berging. Derhalve kan het niet anders dan dat de verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van de drugs. De rechtbank acht het onder 4 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

  • Feit 2: medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2:3a van de Wet op het financieel toezicht, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.
  • Feit 4: handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 175 dagen. 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Verdachte heeft accountancy-activiteiten verricht zonder een WWFT-melding te doen. Vrijspraak: VOF (en niet verdachte) was meldplichtig.

Rechtbank Amsterdam 30 juni 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:3965 Aan verdachte is ten laste gelegde dat hij als belastingadviseur of externe registeraccountant of externe accountant-administratieconsulent zelfstandig onafhankelijk beroepsactiviteiten uitoefent, dan wel anderszins zelfstandig onafhankelijk daarmee vergelijkbare activiteiten beroeps- of bedrijfsmatig verricht, en daarbij opzettelijk in strijd heeft gehandeld met de in artikel 16 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme geformuleerde verplichting om een ongebruikelijke voorgenomen transactie onverwijld te melden nadat het ongebruikelijke karakter van die transactie hem bekend is geworden.

Alvorens toe te komen aan de vraag, of er sprake was van een ongebruikelijke voorgenomen transactie en of verdachte opzettelijk die ongebruikelijke transactie niet heeft gemeld, moet de vraag beantwoord worden of verdachte kan worden aangemerkt als een instelling in de zin van de Wwft, waarop deze meldplicht rust.

Ten tijde van het ten laste gelegde feit bepaalde artikel 1 lid 1 sub a onder 11 en 23 Wwft dat als instelling in de zin van de Wwft diende te worden aangemerkt – voor zover relevant voor de onderhavige zaak – een ‘natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap die als externe registeraccountant of externe accountant-administratieconsulent zelfstandig onafhankelijk beroepsactiviteiten waaronder forensische accountancy uitoefent, dan wel een natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap, voor zover die anderszins zelfstandigonafhankelijk daarmee vergelijkbare activiteiten beroeps- of bedrijfsmatig verricht’ en een ‘natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap die als belastingadviseur zelfstandig onafhankelijk beroepsactiviteiten uitoefent, dan wel een natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap, voor zover die anderszins zelfstandig onafhankelijk daarmee vergelijkbare activiteiten beroeps- of bedrijfsmatig verricht’. Deze definitie gold vanaf 1 januari 2013. Daarvóór ontbrak in de Wwft de eis dat de beroepsactiviteiten ‘zelfstandig onafhankelijk’ moesten worden uitgeoefend.

In de Memorie van Toelichting van 23 april 2012 bij de “Wijziging van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme en de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES in verband met de implementatie van aanbevelingen van de Financial Action Task Force” (Kamerstukken II 2011-2012, 33 238, nr. 3) is met betrekking tot deze wetswijziging het volgende opgenomen:

“Verder wordt de normadressering voor de (externe) registeraccountants (RA), de (externe) accountants-administratieconsulenten (AA) en belastingadviseurs aangepast, dit mede op verzoek van de brancheorganisaties zelf. Deze is thans nog gericht op individuen, terwijl het in de praktijk voor bijvoorbeeld een individuele RA of AA werkzaam in een accountantsorganisatie vaak niet is toegestaan een ongebruikelijke transactie zelf te melden. Eerst dient intern gemeld te worden, ook in de gevallen waarin nog twijfel bestaat omtrent het ongebruikelijk karakter van de transactie. Het is dan doorgaans aan de compliance afdeling van de organisatie om te beslissen of daadwerkelijk gemeld dient te worden. De redenen om niet tot melding over te gaan worden vastgelegd en zijn voor de toezichthouder inzichtelijk.

De voorgestelde normadressering is beperkt tot degenen die de relevante beroepsactiviteiten zelfstandig onafhankelijk uitoefenen, kort gezegd: het kantoor en de natuurlijke persoon die zelfstandig optreedt. Deze kunnen door de toezichthouder bestuursrechtelijk worden aangesproken op ontoereikend beleid inzake bijvoorbeeld het melden van ongebruikelijke transacties, of het in concrete gevallen nalaten om meldingen van ongebruikelijke transacties te doen. Dat is ook efficiënter dan accountants in loondienst aan te spreken. Dit laat onverlet de mogelijkheid van tuchtrechtelijke maatregelen jegens natuurlijke personen op basis van het wettelijke tuchtrecht dat op een individuele RA of AA van toepassing is. (…)

In verband met deze aanpassingen is het instellingsbegrip van de belastingadviseur apart opgenomen in subonderdeel 23º. Ook voor deze beroepsgroep is de normadressering aangepast zoals hiervoor beschreven.”

In de “Richtsnoeren voor de interpretatie van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (WWFT) voor belastingadviseurs en accountants” van de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (van juni 2014) is als toelichting op deze wetswijziging het volgende opgenomen:

“Normadressaat is de natuurlijk persoon, rechtspersoon of vennootschap die de beroepsactiviteiten “zelfstandig onafhankelijk” uitoefent. Dit betekent dat de natuurlijk persoon die als belastingadviseur, accountant of accountant-administratieconsulent alleen werkt, gezien moet worden als “instelling”. Wanneer de beroepsbeoefenaar in het kader van een organisatorische eenheid (vennootschap of rechtspersoon, zoals een maatschap, vennootschap onder firma, een BV of NV) werkt, rusten de verplichtingen uit de WWFT op die organisatorische eenheid. Deze wordt dan als zodanig als instelling aangemerkt. Het is aan de organisatie om er zorg voor te dragen dat haar partners en medewerkers aan de WWFT voldoen. Doet de organisatie dat niet of niet goed, dan is zij als instelling in de zin van de WWFT verantwoordelijk. Controle op de naleving, en dus ook de sanctie bij niet toepassen, speelt zich af op het niveau van de organisatie.”

Uit het dossier blijkt dat verdachte weliswaar beroeps- en bedrijfsmatig accountancy activiteiten of daarmee verband houdende activiteiten heeft uitgeoefend, maar dat hij die handelingen heeft verricht namens accountantskantoor [naam accountantskantoor] , een vennootschap onder firma (hierna: v.o.f.). Dit accountantskantoor heeft [persoon] ook gefactureerd voor de activiteiten van verdachte. Gelet hierop en op de hiervoor weergegeven uitleg van de Wwft is de rechtbank van oordeel dat verdachte niet kan worden aangemerkt als een natuurlijk persoon die zelfstandig onafhankelijk beroepsactiviteiten heeft uitgeoefend. Verdachte was daarom geen instelling in de zin van de Wwft en er rustte dus geen verplichting op hem om de in de tenlastelegging vermelde transactie te melden. Deze verplichting rustte op (de compliance officer van) het accountantskantoor. De omstandigheid dat een v.o.f. naar Nederlands recht geen rechtspersoonlijkheid heeft, doet hier niet aan af. In artikel 51, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht is immers opgenomen dat voor de toepassing van de overige leden van dat artikel – waarin de strafvervolging van rechtspersonen wordt geregeld – de vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, de maatschap, de rederij en het doelvermogen met de rechtspersoon gelijk worden gesteld.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en dat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat verdachte in het contact met Deutsche Bank bedragen heeft genoemd die op de te openen bankrekening zouden worden ontvangen. Evenmin blijkt op een andere wijze dat verdachte wetenschap had van de ten laste gelegde voorgenomen transactie. Hoewel de rechtbank niet toe komt aan deze rechtsvraag, zou zij verdachte ook hebben vrijgesproken als hij persoonlijk meldplichtig was geweest, omdat met de thans aanwezige stukken niet kan worden bewezen dat verdachte met het ongebruikelijke karakter van de voorgenomen transactie bekend is geworden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^