Niet-ontvankelijkheid OM: Door ná aanvang van het onderzoek op de terechtzitting een beslissing te nemen over de afdoening van de zaak heeft het OM gehandeld in strijd met het Wetboek van Strafvordering

Rechtbank Overijssel 20 juni 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:2280 Verdachte is ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte. De officier van justitie heeft gerequireerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM omdat met de verdediging overeenstemming is bereikt over de afdoening van de zaak. Bedoelde afdoening houdt in dat het openbaar ministerie met de verdediging een taakstraf is overeengekomen, welke inmiddels door verdachte is verricht.

De rechtbank oordeelt dat de handelwijze van het Openbaar Ministerie strijdig is met het Wetboek van Strafvordering en niet minder is dan een verstoring van de rechtsorde. Uit het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering volgt dat een strafzaak ter terechtzitting aanhangig wordt gemaakt door een dagvaarding welke vanwege de officier van justitie aan de verdachte wordt betekend. De officier van justitie kan van verdere vervolging afzien, zolang het onderzoek op de terechtzitting nog niet is aangevangen. Vanaf het moment dat de zaak is uitgeroepen en het publiek daarvan kennis heeft kunnen nemen, kan de officier van justitie de dagvaarding niet meer intrekken en dient de zaak te eindigen met een einduitspraak van de rechter op een openbare terechtzitting. Kortom, de beslissingsbevoegdheid van de officier van justitie eindigt op het moment dat de zaak ter terechtzitting wordt uitgeroepen. Vanaf dat moment is het enkel en alleen de rechter die beslist over de voorgelegde zaak, op grondslag van de door de officier van justitie opgestelde tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting. Binnen de constitutioneel bepaalde verhoudingen impliceert dit dat de rechter onafhankelijk is van de opsporende en vervolgende instanties.

Door ná aanvang van het onderzoek op de terechtzitting een beslissing te nemen over de afdoening van de zaak, heeft het Openbaar Ministerie een handelwijze gehanteerd die strijdig is met het systeem van het Wetboek van Strafvordering dat in verband met niet alleen de belangen van procespartijen maar ook in verband met het belang van openbaarheid een beslissing door een onafhankelijke en onpartijdige rechter voorstaat.

De officier van justitie is in deze zaak daaraan geheel voorbij gegaan door een overeenkomst te sluiten met de verdachte terwijl de zaak al onder de rechter was en heeft in zijn oproeping van verdachte voor de zitting van 6 juni 2016 vermeld dat hij niet-ontvankelijkheid zou gaan vorderen, hetgeen erin heeft geresulteerd dat bij verdachte vooruitlopend op de rechterlijke beslissing verwachtingen zijn gewekt waardoor hij en zijn raadsman niet op de terechtzitting zijn verschenen.

De rechtbank kan, ondanks de omstandigheid dat de strafzaak daardoor aan een onafhankelijk rechterlijk oordeel wordt onttrokken, niet voorbijgaan aan het feit dat de toezegging van de officier van justitie aan de verdediging dat hij tot niet-ontvankelijkheid zal requireren bij verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat hij niet verder zal worden vervolgd. De officier van justitie heeft door te handelen zoals hij deed de rechtbank voor een voldongen feit geplaatst. De rechtbank is onder deze omstandigheden tot de slotsom gekomen dat, hoewel vorenbedoelde belangen van openbaarheid en een onafhankelijke en onpartijdige rechtspraak tot heropening van de zaak nopen, het bij verdachte opgewekt gerechtvaardigd vertrouwen hieraan in de weg staat.

De onderhavige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, welke naar het oordeel van de rechtbank niet minder dan een verstoring van de rechtsorde heeft behelsd en een miskenning van de verhouding tussen het Openbaar Ministerie als vervolgende instantie en de rechtbank die bij uitsluiting bevoegd is te oordelen over de zaak die aan haar is voorgelegd, brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich mee dat verdachte in deze zaak en onder deze omstandigheden, niet verder in rechte mag worden betrokken. Gelet op het voorgaande past hier slechts de sanctie van niet-ontvankelijk verklaring van de officier van justitie in de vervolging.

Lees hier de volledige uitspraak .

 

Print Friendly and PDF